In de voetsporen van Belle van Zuylen in Zwitserland. (7-24 juni)

Na jaren van filosofisch onderzoek naar het werk van Belle van Zuylen, onder meer resulterend in mijn proefschrift Nomadisch Narcisme en de essaybundel Belle van Zuylen tussen Verlichting en Romantiek, ben ik het afgelopen jaar aan het schrijven van een roman over deze 18e eeuwse Nederlandse schrijfster en filosofe begonnen. Een aantal prangende vragen konden m.i. alleen nog met behulp van de verbeelding opghelderd konden worden. Over de periode uit haar leven die in mijn roman centraal staat, 1784 - 1786, is nauwelijks iets bekend, behalve dan dat deze gekenmerkt werd door een diepe levenscrisis. Veel kwesties, die Belle van Zuylen in haar werk aansnijdt, zoals de vrijheid van denken en handelen, de vraag naar het geluk, de problematiek van het huwelijk, de verhouding
 
Le Pontet, het huis van Belle van Zuylen in Colombier

tussen verstand en gevoel, rede en hartstocht, ziekte en gezondheid, komen in deze, tamelijk noodlottige jaren op schrijnende wijze samen. Hoewel ik uiteraard wel eens naar Slot Zuylen ben geweest, heb ik nooit eerder de behoefte gevoeld om de plekken waar zij verder heeft gewoond, in Zwitserland en Frankrijk, te bezoeken, omdat ik meende dat deze voor mijn onderzoek niet echt van belang waren. Dat veranderde toen ik aan deze roman begon en dus vertrok ik de 7e juni naar de Bourgogne, waar mijn roman begint, en vervolgens naar Geneve, Lausanne, Neuchatel, Colombier, Payerne en Chexbres, de plaatsen waar Belle van Zuylen de laatste 35 jaar van haar leven heeft verbleven.

Van te voren had ik contact gelegd met de Zwitserse Association de Mme de Charriere, in Neuchatel, onder leiding van Valerie Cossi en Marieke Frenkel. Dat bleek een goede zet, want zij zorgden niet alleen voor een warm en zeer gastvrij onthaal, maar ook voor een vergadering met het voltallige bestuur, voor ontmoetingen met de huidige bewoners van de huizen in Colombier en Chexbres, en voor een afspraak met de gedreven en zeer behulpzame bibliothecaresse Marise Schmidt, die het archief van Belle van Zuylen in beheer heeft en mij toestond vrijelijk te grasduinen in alle brieven, manuscripten en eerste drukken. Waar ik tijdens een vorige studiereis naar Engeland mijn roman Tweeduister tussen de vele Japanse toeristen naar bijvoorbeeld de huizen van Virginia Woolf stond te kijken, gingen nu werkelijk alle deuren voor mij open, zelfs sommige die nog nooit eerder voor bezoekers geopend waren, zoals het kasteeltje van de familie Chambrier d’Oleyres, waarmee Belle van Zuylen in haar tijd zeer goed bevriend was. Tijdens de vergadering van de Association, waar ik uitgebreid over mijn roman vertelde, wist ik de nukkige aristocraat Guy de Chambrier van een bezoek te overtuigen en zette daarom als eerste voet over de drempel van deze, nog geheel in 18e eeuwse stijl bewaard gebleven, Prieuré.
Bibliotheek van Neuchatel
 

Afgezien van de onverwachte ontdekkingen in enkele landhuizen en in de bibliotheek van Neuchatel, waar ik onder meer een belangrijke aanwijzing vond voor de tot dusverre niet met zekerheid te noemen identiteit van de naam van de geliefde, die van Zuylen rond 1785 mede in zo’n diepe crisis heeft gestort, was ook het opsnuiven van de sfeer rond de meren van Geneve en Neuchatel, het wandelen door de dorpen en steden en de gesprekken met andere Zwitserse ‘experts’, die tal van lokale anecdotes en wetenswaardigheden wisten te vertellen, van groot belang voor mijn boek. Pas nu begrijp ik ook het enorme isolement waarin van Zuylen de tweede helft van haar leven moet hebben verkeerd, in dat kleine dorp Colombier, aan de oevers van het Lac de Neuchatel, waar zij, volgens de Zwitsers nooit maar één keer naartoe gewandeld is, dermate verveelde de natuur

haar, of, in haar eigen woorden, ‘ga ik me niet aan een uitzicht vergapen zoals mijn vader dat gedaan zou hebben’. Behalve vele aantekeningen voor de roman, hebben we ook veel foto’s en filmopnames gemaakt, die ik samen met media beeldend kunstenaar Jaap de Jonge tot een documentaire zal verwerken. Al met al was het een heel inspirerende reis en moet ik mijn vroegere, tamelijk sceptische standpunt over de zin van pelgrimstochten naar schrijvershuizen herzien. Afgezien van de ontdekkingen, maakt het wel degelijk uit om de plek te zien en enige tijd te ervaren waar een werk tot stand is gekomen. Leven en werk zijn niet van elkaar te scheiden, zoals Nietzsche al beweerde, het een vloeit noodzakelijkerwijs uit het andere voort.
 
Brief van Belle van Zuylen aan Benjamin Constant

Tekst: Joke J. Hermsen/foto's: Jaap de Jonge

 
Meer van Geneve