Wachten en de tijd van de liefde

Hoe snel de tijd ook voortraast, toch overkomt het ieder van ons dat we soms ergens eindeloos moeten wachten. Op een vliegveld, in een deelraadskantoor, in een wachtkamer van arts of ziekenhuis, en dat wachten is, vooral voor de meer ongeduldigen van aard, bepaald geen lolletje. Want hoe tergend traag en tegelijk nerveus onrustig verloopt de tijd niet tijdens het wachten. Stel, u wacht op iemand in een cafe en die persoon komt maar niet opdagen. U houdt de ingang van het cafe nauwlettend in de gaten, maar wie er ook binnenkomt, niet degene met wie u afgesproken heeft. Hoe langer dit wachten duurt, hoe meer u door twijfels overvallen wordt. Eerst richt die twijfel zich nog op de afspraak zelf. De agenda wordt er nog eens bijgepakt, het uur, de dag, de plek wordt nagekeken, en als alles klopt en de persoon zich nog steeds niet heeft gemeld, begint de twijfel zich over veel meer dan de afspraak zelf uit te strekken. Bijvoorbeeld over de plek waar u zit te wachten.
 

Wat een moment daarvoor nog een uitstekend café had geleken, kan nu ineens een plek worden die bij nader inzien helemaal niet zo geschikt is. Het is net alsof tijdens het wachten de plek zich gestaag ontdoet van haar gastvrijheid. Pas nu valt ook het rumoer van de overige bezoekers u op. Waarom heeft u hier ooit willen afspreken? En terwijl het wachten nog altijd maar doorgaat, bereikt de twijfel langzaam maar zeker haar einddoel: namelijk u zelf. Wil die ander u soms niet zien? Is hij of zij de afspraak bewust vergeten? Hoe belangrijker de persoon die op zich laat wachten is, hoe eerder u door deze zelftwijfel overvallen kunt worden.

Ook thuis kan het wachten op een telefoontje, een mail, een bericht soms zo ondraaglijk worden dat verdere concentratie op het werk onmogelijk is. Opstaan, door de kamer ijsberen, een zoveelste kop koffie, kan niet beletten dat het nerveus knagende gevoel in de maagstreek maar doorgaat. Tijdens het wachten kan de tijd steeds grilliger vormen aannemen. Aan de ene kant lijkt hij zich tergend langzaam voort te slepen, aan de andere kant doet hij alle mogelijke gevoelens van onrust en nervositeit opwellen. Hoe langer het duurt, hoe groter de kans dat de twijfel, die u inmiddels is overvallen, overgaat in ergernis en boosheid. Is een telefoontje soms al teveel moeite? Geeft hij of zij eigenlijk wel iets om u? Ten slotte is er de angst. Als het wachten in angst omslaat, als het u zelfs fysieke pijn begint te bezorgen, als u samentrekkingen van de maag en misselijk van de zenuwen en het wachten wordt, dan kunt u er bijna zeker van zijn dat u in ernstige mate verliefd bent op degene van wie u nu al zo lang een levensteken verwacht. Want wachten is, zoals Roland Barthes in zijn Taal van de liefde laat zien, bij uitstek het lot van de verliefden: ‘Ben ik verliefd? Ja, want ik wacht.’

De tijd van dit wachten heeft niet veel meer te maken met het quasi neutrale tijdsconcept dat we een aantal eeuwen geleden voor het gemak met elkaar hebben afgesproken. De tijd is voor geliefden geen regelmatige, lineaire opeenvolging van momenten. De tijd dendert ofwel voort op de versnelde hartslag van de vreugde bij elkaar te zijn of strijkt zich tijdens het wachten als een ellenlange golfslag over heel ons onredelijke ongeduld uit. Niemand wacht ooit zo intens en zo wanhopig als de verliefden. Hoe langer zij wachten, hoe meer zij ook zelf van hun ‘inhoud’ lijken te worden beroofd. Want langzaam maar zeker sijpelen tijdens het wachten alle zekerheden waarmee we ons doorgaans dapper door het leven slaan uit ons weg. Wie wacht, wordt een dimensie van tijd geopend, die niets meer met het heden te maken heeft, noch met het verleden, maar puur toekomende, en dus onbestemde tijd is geworden, of zoals Barthes het stelt: `Ik, de verliefde, de leegloper, degene die altijd te vroeg is.’ We zijn feitelijk niets anders meer dan het wachten zelf en belanden in een verlammende lethargie, waaruit alleen het vurig gewenste telefoontje ons nog kan verlossen.

Weinig verheffend dus die verliefdheid? Meer iets om zoveel mogelijk uit de weg te gaan? Of valt er nog iets positiefs over dit wachten te melden? Natuurlijk zijn er altijd wel weer een paar Franse filosofen te vinden, die juist aan het ondraaglijke van het wachten een onverwacht fraaie wending kunnen geven. Het wachten (attente) is ruimte scheppen voor een ander soort aandacht (attention), schrijft Maurice Blanchot bijvoorbeeld in L’Attente, l’Oubli. Niet langer richt de aandacht zich op het reeds bekende van de verwachting - de spannende ontmoeting, de blijk van liefde - , maar op het onbekende, het onverwachte, het niet nog niet bepaalde, nog niet ingevulde. Allemaal dingen die we, van de ene activiteit naar de andere snellend, en dus van het ene bekende punt naar het andere, in het gewone leven dreigen te vergeten. Zodra er in het wachten de fase aanbreekt van moedeloosheid, van niet meer durven hopen dat de verwachting van het telefoontje, van de ontmoeting, ooit nog wordt ingelost, opent zich als het ware een andere ruimte, en een andere tijd, die Blanchot ook wel het Buiten heeft genoemd, en waarin alles nog slechts pure onbestemdheid, pure mogelijkheid is. Het is een ruimte, waarin elk voorgenomen doel, elke geplande activiteit en elke gestelde verwachting is verlaten. Pas dan kan er volgens Blanchot sprake zijn van een belangeloos ontmoeten, dat zich niet langer op de specifieke kenmerken van de ander richt, maar daar als het ware achtergrijpt om tot het wezenlijke van de ander te geraken. ‘Met een uiterste fijnzinnigheid en door voortdurende, niet voelbare aanrakingen heeft zij hem altijd al losgemaakt van zichzelf en maakt ze hem vrij voor de aandacht die hij een ogenblik wordt.’

Het wachten, als weergaloze ontruimer van plek, tijd en persoon, is een voorwaarde voor deze belangeloze, niet ingevulde en zich nergens meer op richtende aandacht, die op haar beurt pas de mogelijkheid van een échte ontmoeting, ontdaan van elk oordeel en vooringenomenheid, wordt. Want de aanwezigheid van de ander, met al zijn specifieke kenmerken, is en blijft uiteindelijk juist datgene wat ons van hem doet scheiden. In het wachten, zo schrijft bijvoorbeeld de Franse filosofe Simone Weil, worden we als het ware veronpersoonlijkt, want ontdaan van alle zekere fundamenten waarop onze identiteit is gestoeld. Deze zelf-onthechting stelt ons ook volgens haar pas in staat tot een werkelijke opmerkzaamheid - attention - voor de wereld om ons heen, omdat het eigen ik-perspectief niet langer als een kloof tussen ons en de ander staat. Maar hoe kun je, veronpersoonlijkt en wel, nog ergens aandacht voor opbrengen?

In La personne et le sacré stelt Weil dat elk mens een onpersoonlijk ‘zelf’ heeft dat ‘vanaf het eerste levenslicht tot aan het graf diep in het hart van elk menselijk wezen' verborgen ligt, maar door de ontwikkeling van het ‘ik’, van de identiteit, als het ware wordt weggedrukt. Het doet een beetje denken aan wat Blanchot als ‘het geheim van de ontmoeting’ omschrijft: ‘U richt zich nooit tot mij, maar alleen tot het geheim in mij waarvan ik gescheiden ben.’ Weil beschrijft deze dubbelgelaagdheid van subjectiviteit ook wel als `hebben en zijn'. De mens heeft zijn eigen ‘zijn’ niet, hij heeft slechts zijn `hebben', dat wil zeggen de kenmerken van zijn identiteit: ras, geslacht, leeftijd, beroep enzovoort. De mens kan zijn eigen zijn niet kennen, dit blijft – als een geheim - aan hemzelf verborgen. Maar het is volgens haar juist wel dit onpersoonlijke zelf, dat in het wachten, maar ook in de liefde, in de creativiteit en in alle andere vormen van intense aandacht wordt aangesproken en waar volgens Weil de menselijke waardigheid resideert. In het wachten valt kortom het persoonlijke deel van het ‘ik‘ weg en verschijnt deze andere, onpersoonlijke laag, als een ongrijpbare schaduw die ons op de hielen zit.

Dus als u ergens nog eens wanhopig zit te wachten op iemand die niet komt of belt, bedenkt u zich dan dat u op dat moment de ruimte van het onpersoonlijke zijn betreedt, waarin niet alleen een verscholen waarheid of geheim omtrent u zelf ligt te sluimeren, maar waar u ook de ander of het andere in zijn schijnbare afwezigheid pas werkelijk kan ontmoeten, want niet langer gescheiden door de individuele afgrenzingen. Een schrale troost voor de verliefden, misschien, maar wellicht ook een filosofisch antwoord op hun verlangen zich voortdurend met elkaar te willen versmelten. De schaduwruimte die u dan betreedt is overigens niet alleen inspirerend of mooi, maar ook angstwekkend en bedreigend, omdat de zekerheden van het ik zijn weggevallen. Niettemin is dit wachten de moeite waard. Mocht u, ongeacht het voorgaande, op een vliegveld of welke wachtplek dan ook, het wachten toch echt niet meer kunnen uithouden, denk dan maar aan de uitspraak van Rabelais: ‘Alles komt op tijd voor hem die wachten kan.’

Joke Hermsen