|
Visueel
geweld in de media en in de kunst
Door
Joke J. Hermsen
Waar
we ook staan, lopen of zitten, het regent beelden. Op straat, in
de tram, op het werk of in de huiskamer, krijgen we dagelijks een
stortvloed aan beelden over ons heen. We kunnen ons ervoor proberen
af te schermen, maar de televisie- en computerschermen op kantoren,
in café’s, in de keuken, woon- én slaapkamers
produceren vrijwel continue beelden, die alleen al vanwege die veelheid
een inbreuk doen op ons eigen voorstellings- en verbeeldingsvermogen.
Niet zelden tonen die beelden op het journaal, in films, documentaires,
krantenfoto’s, tijdschriften en websites een vorm van geweld.
Het regent kortom visueel geweld, en het regent ook protesten daartegen.
Zo’n 3000 internationale studies zijn er inmiddels verschenen
over de invloed hiervan op ons gedrag. Hoewel ze elkaar op bepaalde
punten nog tegenspreken, is men het er over eens dat deze niet onderschat
moet worden. |
|
| |
|
Met
de opkomst van de nieuwe media en computerspelletjes is de omvang van
het visuele geweld nog meer toegenomen. Voor een kind twaalf jaar oud
is geworden, heeft het op tv en computer gemiddeld al zo’n 100.000
moorden of andere extreme geweldacties waargenomen. De gevolgen hiervan
kunnen een verhoogde agressiviteit zijn, een afstomping voor het zien
van geweld, een verwrongen wereldbeeld en versterking van de angstgevoelens.
Jongeren die rond hun veertiende meer dan drie uur per dag televisie kijken,
gedragen zich een paar jaar later agressiever dan leeftijdgenoten en plegen
25 % meer gewelddaden. Het effect van computer en video games is vanwege
de interactie nog groter. Atkinson toonde aan dat de beelden die een computerspel
voortbrengt worden opgeslagen in hetzelfde gedeelte van de hersenen als
echte herinneringen aan gruwelijke gebeurtenissen. Veel computerspelletjes
suggereren een gewelddadige oplossing voor een probleem en belonen dit.
Iemand die vaak aan dit voorbeeld wordt blootgesteld heeft een grotere
kans dit gedrag als een adequate reactie te zien en daarom ook toe te
passen. Van de 19jarige Belgische jongen die van de week tot levenslang
werd veroordeeld vanweg het lukraak neerschieten van enkele allochtonen,
is bekend dat hij verslaafd was aan gewelddadige computerspellen. Ook
van de middelbare scholieren in Duitsland en Amerika die leeftijdgenoten
neerschoten, werd dit verteld. Hoewel de wetenschap het er inmiddels over
eens is dat gewelddadige games van invloed zijn op de ontwikkeling van
de hersens, wordt elke vorm van overheidsingrijpen in Amerika –
maar ook hier - door belangengroeperingen gedwarsboomd. En waarom? De
gamesindustrie had vorig jaar een omzet van 13 miljard dollar.
Teneinde
een uitweg uit de spiraal van geweld te vinden, want door gewenning en
afstomping wordt er door de vaak jeugdige spelers om steeds gewelddadiger
beelden en acties gevraagd, stelt de Amerikaanse onderzoeker Grossmann
voor een onderscheid te maken tussen sensationeel en sensibel geweld.
Sensationeel geweld heeft veel actie, snelle beeldwisseling en speciale
effecten. Het geweld is meestal volstrekt willekeurig, expliciet en soms
leuk of grappig bedoeld. De daders kennen geen spijt of schaamte, en worden
niet gestraft, maar beloond. De slachtoffers doen er niet toe. De negatieve
invloed van dit visuele geweld dat de meeste computerspelletjes en actiefilms
typeert, op ons gedrag is groot. Sensibel geweld daarentegen heeft minder
actie en beeldwisseling, heeft meer verhaal en dialoog. De slachtoffers
zijn niet willekeurig en de kijker of speler krijgt tijd om te voelen
en na te denken. Geweld wordt niet als leuk, cool of grappig neergezet,
maar laat zien dat het gevolgen heeft voor daders en slachtoffers. Deze
laatste vorm zou volgens Grossmann meer ontwikkeld moeten worden. De mens
heeft een natuurlijke fascinatie voor geweld. Het heeft geen zin deze
te verbieden. Maar wel heeft het zin een andere, meer sensibele vorm voor
geweld voor games en films te ontwikkelen.
Dat
brengt me op het eigenlijk onderwerp van dit artikel. Wat is de relatie
tussen geweld in de media en geweld in de kunst? Is hier wel sprake van
een duidelijk onderscheid, en zo ja, waarin berust dat verschil dan precies?
Enkele
jaren geleden werd in de Londense Royal Academy of Arts het schilderij
Myra van Marcus Harvey met verf overgoten. Volgens Ger Groot die hiervan
verslag deed in de Groene Amsterdammer, ‘was dit niet de eerste
keer dat zoiets gebeurde’, maar anders dan bij de agressie jegens
de doeken van Newman of Malevitsj in het Stedelijk Museum kon hij voor
het Londense vandalisme wel begrip opbrengen. De afgebeelde Myra Hindley
bracht samen met haar partner in de jaren zestig op gruwelijke wijze een
aantal kinderen om het leven. Het portret van Harvey is mede opgebouwd
uit kinderhandjes die het pointillistische patroon van Hindley’s
gezicht vormen. Groot meent dat de Myra van Harvey geen kunst is, maar
platte sensatiezucht, alleen bedoeld om te shockeren.
Nu wil het toeval dat de expositie waar onder meer deze Myra te zien was,
maar ook de door duizenden vliegen aangevallen koeienkop van Damien Hirst,
inderdaad Sensation heette. En sensatie is iets waar intellectuelen een
hekel aan lijken te hebben, meent Charlotte Mutsaers in haar essaybundel
Kersebloed: ‘De doorsnee intellectuelen willen onze natuurlijke
en intense belangstelling voor gruwelijkheden moreel veroordelen'. Mutsaers
vindt dit oordeel een beetje eigenaardig. Sensatie betekent voor haar
aangetrokken en tegelijkertijd afgestoten worden, afschuw en fascinatie
en ‘een ieder heeft toch van kindsbeen af een natuurlijke belangstelling
voor het sensationele?’, schrijft ze.
Mutsaers omschrijving van het sensationele doet denken aan wat er sinds
de 18e eeuw onder het sublieme van de kunst wordt verstaan. Ger Groot
laat in zijn essay, getiteld Kunst in tijden van Dutroux, die term ook
herhaaldelijk vallen. Hij stelt dat de `sublieme kunst teloor is gegaan
in een zichzelf voortdurend overbiedende agressie en destructie'. Niet
alleen omdat ze een werkelijkheid bleef imiteren die we dagelijks in de
kranten en op de televisie kunnen ervaren, maar ook, stelt Groot, ‘omdat
ze bleef vasthouden aan het vooruitgangsidee van de klassieke avant-garde
die haar waarde ontleende aan de doorbreking van het bestaande. Uiteindelijk
bleef de kunst volgens hem niets anders over dan een lege beweging van
schok naar schok: ‘Anders dan een doeltreffende eigen waarheid over
de werkelijkheid uit te spreken beoefent zij volgens hem een op de werkelijkheid
parasiterend sadisme.’
Er valt wel iets voor deze stelling te zeggen. De shock-Art van Damien
Hirst of Tracey Emin lijkt het geweld van de werkelijkheid slechts te
willen imiteren. Veel van deze werken appelleren aan een soort kunstenaarshouding
van: ik shockeer, dus ik besta. Toch vraag ik me af of er geen onderscheid
meer te maken valt tussen de beelden van de sensatiebeluste media en de
werken van de hedendaagse kunst die geweld tot onderwerp hebben? Is het
met andere woorden niet langer mogelijk om de verschillen tussen het `platte'
sensationele geweld van de media en het sensibele, sublieme geweld van
de kunst op de staart te trappen?
Zodra
je het over geweld in de kunst hebt, kun je eigenlijk niet om de beeldend
kunstenaar en schrijver Armando heen. Want als de telkens weer de oorlog
schilderende en dichtende Armando iets niet schuwt in zijn werk, dan is
het wel geweld, dat enerzijds ontzetting teweegbrengt, maar anderzijds
ook een aantrekkingskracht op ons uitoefent. Armando heeft in feite nooit
opgehouden juist deze gruwelijkheid, die hij simpelweg `das Böse'
, het kwaad, noemt, tot hoofdthema van zijn werk te maken en er de schoonheid
van aan te tonen: “ Ik heb het al zo vaak gezegd, maar ik kan het
niet genoeg herhalen: de schoonheid is niet pluis, de schoonheid is geen
knip voor de neus waard, de schoonheid trekt zich nergens wat van aan'
(De Straat en het struikgewas, p. 247.)
Het Böse en het Schöne hebben blijkbaar wat met elkaar. In zijn
lezing Over schoonheid (1987) zegt Armando dat het hem erom gaat de vreeswekkende
schoonheid in het voorbij goed en kwaad gelegen gebied van de kunst binnen
te loodsen, `met als resultaat het sublieme, oftewel het artistieke aan
banden leggen van het verschrikkelijke'. Het sublieme werd als begrip
in de achttiende eeuw door met name Duitse dichters en denkers ontwikkeld
om een bepaalde esthetische ervaring te onderscheiden van iets wat eenvoudigweg
`mooi' of aangenaam is. De verlichtingsfilosoof Kant onderscheidt, in
navolging van de Engelse filosoof Burke, twee verschillende esthetische
ervaringen. De een heeft betrekking op het `schone', bijvoorbeeld een
mooi uitzicht op de bergen of een fraaie zonsondergang waarover we in
verrukking kunnen raken, maar zonder dat dit bij ons vrees of onbehagen
wekt. De ander heeft betrekking op het sublieme, en roept wel gevoelens
van onbehagen of onlust op, omdat het dermate overweldigend of verwarrend
is, dat ons verstand het beeld niet meteen op begrip kan brengen. De vraag
is nu in hoeverre dit 18e eeuwse begrip van het sublieme achterhaald is,
zoals Ger Groot in zijn essay suggereert - hij karakteriseert de sublieme
kunst als een `tachtig jaar levend anachronisme' - of dat het een
concept is dat niet zo specifiek gebonden is aan een bepaalde culturele
en historische context, maar nog altijd van toepassing kan zijn op hedendaagse
kunst.
|
|
Armando
zegt over zijn werk dat het hem gaat om een specifieke, want artistieke
‘omgang’ met het geweld, met het Böse. De quintessens
van het verschil tussen sensationeel visueel geweld en sensibel,
subliem visueel geweld, zit volgens mij precies in dat ene woordje
`omgang'. Het sublieme is niet zozeer de verschrikking zelf, maar
een bepaalde omgang, bewerking of stilering van het geweld. Zonder
een dergelijke omgang zou de kunstenaar inderdaad niet veel meer
doen dan het gruwelijke van de werkelijkheid slechts imiteren, zoals
dit in de media gebeurt. Armando, en met hem naar mijn mening iedere
kunstenaar en dus ook Marcus Harvey met zijn Myra, wil, als het
goed is, echter meer. Ze doen iets met dat verschrikkelijke, ze
geven het niet klakkeloos weer, maar verdraaien, verdubbelen of
verplaatsen het. |
Film:
Jaap de Jonge.
Klik op de pijl op het schermpje om het filmpje te bekijken. |
|
Ze zoeken een bepaalde omgang met het geweld en voegen daarom andere betekenislagen
aan toe, die we niet meteen herkennen, of scheppen verwarring, waardoor
ons verstand even aarzelt het beeld op begrip te brengen. Het beeld laat
zich niet meteen thuisbrengen. Dat is niet prettig of comfortabel. Daarbij
kun je niet onverschillig of prettig ontroerd achterover leunen. Het niet
meteen kunnen begrijpen schept met andere woorden een gevoel van onbehagen.
Maar juist vanuit dat onbehagen wordt onze verbeeldingskracht aangezwengeld;
we moeten het beeld immers zien te doorgronden en zelf van een interpretatie
voorzien.
Het is de taak van de kunst om een dergelijke interval tussen zien en
begrijpen teweeg te brengen. Om temidden van de stortvloed aan beelden
een vraagteken op te werpen. Het is alleen in dit tussen, in dit `in between',
zoals de filosofe Hannah Arendt stelt, dat het denken niet langer reeds
gevestigde meningen reproduceert, maar nieuwe gedachten een aanvang kunnen
nemen. Om een dergelijk tussengebied vrij te leggen, zal de kunstenaar
onder meer de stereotype beelden en denkpatronen moeten ondergraven. Hij/zij
zal dusdanig zand in de representatiemachine moeten strooien, dat deze
hapert en schokt en niet langer het geijkte beeld tevoorschijn tovert,
maar, zoals bij Armando, een landschap dat ineens zelf ook schuldig blijkt
te zijn, of een duivel met een willoze arm als van een onhandige baby,
of zoals bij Harvey, een portret van de moordenares dat door de kinderhanden
van de slachtoffers zelf is verbeeld. Geen van de tegenstellingen waarmee
wij onze wereld hebben ingedeeld, blijkt dan nog te vertrouwen. Het schone
hoort niet langer bij het goede, het lelijke niet meer bij het kwaad,
de natuur is niet langer onschuldig, kinderhanden blijken behalve slachtoffers
ook aanklagers te kunnen zijn.
We zouden kunnen zeggen dat het geweld in de diverse media slechts aandacht
vraagt voor het afschuw- en vreeswekkende ervan en verder alles bij het
oude laat. Het geweld in de kunst jaagt niet alleen vrees aan, maar zaait
ook verwarring. We kunnen het beeld niet meteen op begrip brengen. Op
dat moment slaan wij zelf aan het zwerven. De bescherming van de paraplu
die we om ons heen hadden opgetrokken, wordt ons uit handen geslagen en
we zullen zelf iets moeten doen. De eenduidige beelden van de media mogen
dan in bepaalde zin fascinerend zijn, juist door het ontbreken van een
spanningsvolle omgang met het geweld, raken we erdoor afgestompt; er wordt
niets aan ons gevraagd, tenzij een plichtmatige donatie voor een goed
doel. We kunnen ons voor de ellende proberen af te schermen of we kunnen
steeds gewelddadiger beelden wensen, om nog iets te kunnen voelen, maar
ook die grens zal ooit worden bereikt. De kunst, als het goed is, imiteert
het geweld niet klakkeloos, maar vormt deze om tot een meerduidige verwijzingsmachinerie,
waardoor we zelf aan het interpreteren moeten slaan, onze verbeelding
moeten aanspreken, over dit geweld moeten nadenken, kortom zelf creatief
moeten worden en niet langer met een donatie ons geweten kunnen sussen.
Dan pas kan er ook een einde aan de spiraal van geweld komen, omdat men
er werkelijk op aangesproken wordt en het denken erover kan veranderen.
Dat alles kenmerkt, als het goed is, de hedendaagse kunst en doet die
kunst van sensatiezucht verschillen. De kunst brengt vervreemding teweeg,
slaat de vaste grond onder onze voeten vandaan, zodat wij zelf in beweging
komen. De kunst zet ons graag op het verkeerde been en gaat daar net zo
lang mee door tot we lopen, het ene been voor het andere, en niet verstarren
of ons veiligerheidshalve terugtrekken onder een scherm van algehele onverschilligheid.
Wij vragen kortom niet alleen iets van de kunst, de kunst vraagt ook iets
aan ons. Eerst dat we stilstaan, een pas op de plaats maken en kijken
en ons verbazen en ergeren en vervolgens dat we in beweging komen door
zelf na te denken. Eigenlijk is de kunst in deze tijd van visuele overdaad
noodgedwongen steeds meer één groot vraagteken geworden.
Dit heb ik gemaakt. Nu moet je zelf maar eens aan de slag. En dat is waarschijnlijk
dan ook meteen het enig mogelijke antwoord op die stortvloed aan beelden
die ons dagelijks overspoelt als ook de enige hoop dat we daarin te lange
leste niet kopje onder zullen gaan.
Bovenstaande tekst is een bewerking van een lezing die
Joke J. Hermsen hield in DEFKA, Assen, op 11 en 12 oktober 2007.
|