Vrijheid
in verbondenheid. Het actuele denken van Simone de Beauvoir.
Karen Vintges
Op
een conferentie in Parijs, op 9 januari 2008, ter gelegenheid van de honderdste
geboortedag van Simone de Beauvoir werd een, nieuw ingestelde, ‘prix
de Simone de Beauvoir pour la liberté des femmes’ uitgereikt
aan twee schrijfsters onder wie de Nederlandse ex-politica Mevrouw Ayaan
Hirsi Ali. De leden van het organisatiecomité onder wie Elisabeth
Badinter en Julia Kristeva, hebben op deze manier de Beauvoirs naam en
werk verbonden aan een type westers Verlichtings-feminisme dat aan moslima's
vraagt om hun cultuur en milieu achter zich te laten ten gunste van een
seculiere levenswijze, omdat de Islam per definitie vrouwvijandig zou
zijn. Maar het is de vraag of de Beauvoirs werk zich laat reduceren tot
dit type Verlichtings-feminisme dat alle vooruitgang voor mens en maatschappij
verwacht van de seculiere rede. Het stereotiepe beeld van de Beauvoir
is dat van de super-rationaliste die in het voetspoor van Sartre een Cartesiaanse
filosofie zou hebben aangehangen die alle nadruk legt op het de mens als
rationeel individu.1 Maar zodra we ons verdiepen in haar eigen filosofische
werk verdwijnt dit beeld als sneeuw voor de zon. Zichtbaar wordt dan dat
lichamelijkheid, emotie en solidariteit met de medemens een zeer grote
plaats in haar denken innemen.
2.
De Beauvoirs werk heeft een eigen thematiek. Het draait om de vraag hoe
wij ons leven praktisch moeten inrichten, en dan vooral ons leven mét
anderen. Die interesse heeft alles te maken met een probleem dat zij al
in haar jeugdjaren heeft ondervonden: hoe kan ik mij tot de ander verhouden
op een evenwichtige wijze, zonder te heersen of ten onder te gaan? Zij
spreekt in dit verband van haar ‘moeilijkste probleem’:
“Hoe kon ik de wil en het verlangen naar onafhankelijkheid in overeenstemming
brengen met de gevoelens die mij zo onstuimig naar een ander dreven?”
In haar ethische theorie heeft zij een antwoord op dit probleem willen
formuleren. Het thema van de Zelf-Ander relatie kan de spil genoemd worden
waar haar filosofische werk om draait. Zoals zal blijken wijkt haar behandeling
van deze relatie af van Sartres oorspronkelijke existentiefilosofie waarin
alle nadruk ligt op de individuele vrijheid.
3.
Na een verkenning van de Beauvoirs denken over de Zelf-Ander verhouding
- waarbij ook Hegels meester-slaaf dialectiek wordt behandeld –
komt vervolgens haar zienswijze op de verhouding tussen de seksen aan
de orde, zoals we die aantreffen in haar werk Le deuxième sexe
(1949). Tot slot zal ik ingaan op de actualiteit van haar denken, vooral
ook in mondiaal perspectief. De Beauvoir wordt vaak ten onrechte aangehaald
ter ondersteuning van het dominante type westers Verlichtings-feminisme.
We zullen zien dat haar denken complexer is en dat zelfbenoemde erfgenamen
zoals de Franse filosofe Elisabeth Badinter afbreuk doen aan de rijkdom
en actualiteit van de Beauvoirs nalatenschap.
Vrijheid
in het denken van de vroege Sartre
Castor (bever), zoals Simone de Beauvoir door haar vrienden werd genoemd
heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten dat vele genres omvat. Bij nauwkeurige
lezing blijkt haar gehele werk echter filosofisch-ethisch van karakter
te zijn. Dit is al heel duidelijk het geval voor haar ethische essays
maar bijvoorbeeld geldt dit ook voor haar al genoemde studies over de
vrouw en over de ouderdom. Ook haar romans zijn als ‘metafysische’
en later als filosofisch-ethische romans opgezet. Haar afkeer jegens het
schematisme van de academische filosofie deed haar naar andere genres
grijpen, maar zij was een ethica die een antwoord wilde formuleren op
de vraag hoe te leven, en vooral hoe te leven mét onze medemensen.
De Beauvoir heeft voor haar zienswijze gebruik gemaakt van diverse filosofische
ingrediënten die zij zich op een specifieke manier toeeigende en
tot een eigen zienswijze uitwerkte. Een van die ingrediënten is de
opvatting over vrijheid uit het vroege werk van Sartre. Sartres hoofdwerk
L’être et le néant (1943) behelst een ontologie, een
zijnsleer. Sartre is het er vooral om te doen de eigen aard van het bewustzijn
te onderscheiden van het zijn van de dingen: zijn ontologie is dualistisch
van aard.
4.
Sartre onderscheidde in L’être et le néant twee gebieden
van het zijn: het in-zich-zijn (être en-soi) en het voor-zich-zijn
(être pour-soi), waarbij het eerste het zijn aanduidt van de stoffelijke
dingen, het tweede dat van het bewustzijn. Kenmerk van het bewustzijn
is volgens hem dat het, in tegenstelling tot het zijn van de stoffelijke
dingen, in feite een niet-zijn is: het is op zichzelf niet-iets ofte wel
een niet(s) (néant). Het bewustzijn is namelijk intentioneel, het
is met andere woorden altijd gericht op iets, oftewel: het is altijd een
bewustzijn van iets. Het is dus parasitair ten opzichte van de wereld
van de dingen: het bestaat alleen in de gerichtheid op een zijnde. Het
bewustzijn valt dus nooit samen met zichzelf, ofte wel - in een bekende
frase van Sartre: het is niet wat het is en het is wat het niet is.
Het bewustzijn is dus geen substantie (zoals dit bij Descartes wél
het geval is), maar een betrokkenheid op iets buiten zichzelf (net als
bij Husserl). Het is geen ding of substantie maar een act, zo kunnen we
stellen. Het is dus gedoemd om zich steeds op een zijnde te richten om
te bestaan. Ofte wel: het moet zich steeds op iets buiten zichzelf richten
of het houdt op bewustzijn te zijn en valt samen met het zijn van de dingen.
Het bewustzijn, of pour-soi moet dus pure leegte zijn. Zodra er sprake
is van bewustzijns-inhouden is er al sprake van een inauthentieke (onwaarachtige)
menselijke zijnswijze. De pendant van deze volstrekte leegte van het pour-soi
is de absolute volheid of dichtheid ( opacité ) van het en-soi:
het zijn is een vormeloze massa. Het is datgene waaraan door het pour-soi
zin gegeven moet worden. Maar op zichzelf is het volkomen betekenisloos
of ‘contingent’, iets wat door de hoofdpersoon Roquentin uit
Sartres roman La nausée (1938), met walging wordt ervaren.
Sartres argumentatie dat het pour-soi geen ding is maar een niet, onderscheidt
het pour-soi dus radicaal van de wereld der zijnden. Kennen deze een immanent
bestaan, het pour-soi transcendeert per definitie: het reikt steeds naar
buiten, en valt nooit samen met zichzelf. Het feit dat het menselijk bewustzijn
geen ding is, houdt in dat de mens geen vaste essentie is, maar voortdurend,
als intentionele activiteit, ook zichzélf ontwerpt. De existentie
van de mens gaat vooraf aan elke essentie. De mens is daarom fundamenteel
vrij volgens Sartre. Vrijheid en niet-zijn zijn de kenmerken van de menselijke
existentie.
Maar de mens kent ook een verlangen om te zijn. Wanneer hij hieraan toegeeft
en zich een ‘ik’ construeert van waaruit hij zichzelf beleeft
en bepaalt, is hij verworden tot een être-en-soi. Wanneer hij zo
leeft is hij niet waarachtig en authentiek ten opzichte van de menselijke
existentie, maar ‘te kwader trouw’. Bovendien is zijn verlangen
om te zijn daarmee niet werkelijk vervuld. Hij voelt namelijk als bewustzijn
de status van niet-zijn als een tekort aan zijn (een manque d’être),
hij streeft ernaar juist als bewustzijn samen te vallen met het zijn.
Sartre noemt dit het désir d’être (het verlangen om
te zijn) van de mens. Die zijnsvolheid zou het bewustzijn slechts kunnen
bereiken door een être-pour-Autrui: slechts in de waarneming van
een ander zou het pour-soi tegelijk als entiteit én als niets kunnen
bestaan. Dat wil zeggen dat het bewustzijn slechts in de ogen van een
ander als bewustzijn zou kunnen worden waargenomen en gespiegeld, waarmee
de begeerde status van het als pour-soi een en-soi zijn zou zijn bereikt.
Probleem is echter dat ieder bewustzijn, gezien zijn bestaan in de vorm
van een bewustzijn van iets, de ander alleen maar als zo’n iets,
als een object waarop hij zich richt kan waarnemen en niet als een ‘niets’.
Tevergeefs probeer ik om de ander als bewustzijn te ontmoeten. Mijn blik
maakt hem tot een ding in de wereld: “alles voltrekt zich alsof
ik iemand wil beetpakken die wegvlucht en waarvan ik de jas in mijn handen
houd. Alleen de jas, het omhulsel kan ik bezitten” (Sartre 1943,
443). Sartre noemt de ander “een werkelijkheid die principieel buiten
mijn bereik ligt”, en “een dimensie van het bestaan waarvan
ik principieel ben uitgesloten” (444). Ons bewustzijn is dus radicaal
gescheiden van dat van anderen. De medemens is voor ons altijd een object,
we kunnen hem nooit als subject ontmoeten.
Dit brengt nu ten eerste met zich mee dat het désir d’être
van de mens nooit vervuld kan worden. De ander kan immers alleen als zijnde
in relatie tot mijn bewustzijn bestaan: hij verliest daarmee zijn subjectiviteit
voor mij en kan mij dus niet langer als bewustzijn bevestigen. Ten tweede
brengt dit met zich mee dat het (ik)zelf altijd alleen via de objectivering
van de ander kan bestaan. We hebben al gezien dat het bewustzijn als zodanig
zelfloos is omdat het alleen intentionaliteit, dat wil zeggen gerichtheid
op iets anders inhoudt (zo niet dan zou het een eindige substantie zijn
en daarmee identiek aan het zijn van de dingen). Dit impliceert dat een
ervaring van zelfheid slechts kan verschijnen in een gerichtheid op een
ander bewustzijn. Maar zoals we zagen impliceert die gerichtheid altijd
een objectivering. Het contact tussen mij en de ander is als zodanig
de constituering van de ander als Ander, en van het (ik)zelf als niet
de Ander.
De Ander verliest nu volgens Sartre in dit proces niet alleen zijn subjectiviteit
voor mij, maar ook voor zichzelf. Onder mijn blik weet hij zich een zijnde:
hij voelt dat ik hem een ‘zijn’ geef. We weten dit wanneer
we nagaan hoe we onszelf onder de blik van iemand anders beleven: we voelen
dat we een buitenkant krijgen, we voelen ons met andere woorden tot object
stollen. Er zijn nu twee mogelijkheden: ofwel we nemen ons object-zijn
voor die ander op ons en onderwerpen ons daarmee aan hem (we zijn dan
immers niet op onze beurt een vrij subject), ofwel we maken die ander
tot object, tot Ander met hoofdletter. Het contact tussen mensen kan alleen
de vorm aannemen van een subject-object verhouding, en steeds draait het
er om wie in het contact het subject, wie het object wordt. De relatie
tussen mensen is dus per definitie conflictueus. Bekend is Sartres uitspraak
“l’enfer, c’est les Autres” (Huis clos [1944],
75): “de hel dat zijn de Anderen” en we begrijpen nu waaróm
de anderen de hel zijn voor mij: in hun blik kan ik tot een object stollen,
als ik er niet in slaag om hén tot object te maken. Het is niet
zo dat ik er eerst ben en vervolgens probeer om de ander tot object te
maken, maar het tot object maken van de ander is de basis van mijn bestaan.
Sartres idee over de vijandschap en strijd tussen de bewustzijnen vertoont
bepaalde overeenkomsten met de opvattingen van Hegel, zoals aan te treffen
in de passage over de meester-slaaf (of heer-knecht ) verhouding in diens
Phänomenologie des Geistes (1807).
5.
De meester is het bewustzijn dat, na een machtsstrijd op leven en dood
met een ander bewustzijn, het soevereine bewustzijn wordt waaraan een
ander bewustzijn zich ondergeschikt maakt. Juist het tot het eind toe
bewust trotseren van de dood geldt als daad van ultieme vrijheid, oftewel
als bevestiging mens te zijn, en daarmee heeft de meester zichzelf dus
als soeverein bewezen. In de relatie meester-slaaf verwerft de meester
zo zelfbewustzijn: hij weet zich een bewustzijn door de objectieve bevestiging
daarvan door de slaaf, aldus Hegel. In dit proces is de slaaf echter moreel
in het voordeel. De slaaf is immers degene die arbeid verricht. Daarmee
is hij de transcenderende persoon, in tegenstelling tot de meester die
geen activiteit verricht, en daarmee wordt hij gaandeweg zich zelf bewust
en tot slot superieur aan de meester. De strijd zal in een latere fase
worden opgeheven omdat uiteindelijk een wederzijdse erkenning van elkaar
als subject plaatsvindt namelijk wanneer ieder zichzelf herkent als deel
van een universele mensheid en zo ook de ander erkent als mens.
Sartre wijkt nu ten eerste van Hegels opvattingen af voorzover bij Hegel
de vijandschap tussen mensen kan worden overwonnen in een bepaalde fase
van de geschiedenis. Ten tweede wijkt hij af van Hegels idee dat ook de
slaaf een bewustzijn voor zichzelf bezit, zodat hij de meester ook daadwerkelijk
kan bevestigen. Bij Sartre houdt het onderworpen bewustzijn meteen op
bewustzijn te zijn. Erkenning, herkenning en uiteindelijk verzoening tússen
subjecten is voor Sartre onmogelijk vanwege de structuur van het pour-soi
die per definitie een Zelf-Ander structuur van het menselijk contact veroorzaakt,
waarbij de ene mens de subject-positie, de ander de object-positie inneemt.
We zijn vrij bij Sartre, maar ook, zo kunnen we stellen, gedoemd om in
lucide eenzaamheid ons leven te leiden.
De ethiek van Simone de Beauvoir
De Beauvoir neemt Sartres opvattingen voor een deel over maar maakt anderzijds
ook deel uit van de fenomenologisch-antropologische Franse traditie van
Levinas, Merleau-Ponty e.a. die teruggaat tot het denken van Heidegger
(dat in Frankrijk, evenals het denken van Hegel, vooral werd ‘geantropologiseerd’).
6.
Zij kent, anders dan Sartre, een zeer prominente plaats toe aan andere
aspecten van het menselijk bestaan dan het bewustzijn. Haar gaat het om
de gesitueerde mens, die een psycho-fysiologische eenheid is, die met
andere woorden niet alleen bewustzijn is, maar een mens van vlees en bloed:
een geïncarneerd bewustzijn. Het lichaam en de emoties krijgen door
de Beauvoir dus een belangrijke rol toebedeeld.
Voor Sartre was het ondergaan van emoties uiteindelijk zelfbedrog en ‘kwade
trouw’. Voor de Beauvoir is de emotie daarentegen een positieve
ervaring die ons in staat stelt in nauw contact met de ander te treden.
Wanneer, in de emotionele dimensie, lichaam en bewustzijn samenvallen,
zowel bij onszelf als bij de ander, is het ontmoeten van de fysieke ander
ook een ontmoeting met zijn bewustzijn: “een besef van het bewustzijn
van de ander dóór het vlees” (une appréhension
de l’autre comme conscience à travers la chair). Zo is de
emotionele dimensie de plaats van een werkelijk contact met de ander (une
communication immédiate).
7.
De Beauvoir vertelt zelf dat zij van meet af aan met Sartre over de emotie
van mening verschilde: “Hij had, zo zei hij, geen zintuig voor al
deze wanordelijke fysieke reacties - heftige hartkloppingen, rillingen
of duizeligheid - die de verbale communicatie verlamden” (De bloei
van het leven [1974], 41). Niet alleen heeft Sartre geen zintuig voor
de emotie, hij minacht haar ook, als een niet-authentieke attitude. De
Beauvoir noemt daarentegen haar gevoelens ‘een volheid’ (De
druk der omstandigheden [1975], 701). Zij zijn voor haar een “direct
contact met de wereld” (691). In haar verhandelingen over ethiek
keert hetzelfde thema terug. Ook daar komt de emotionele dimensie naar
voren als de plaats van ontmoeting met de medemens. Het essay Pyrrhus
et Cinéas (1944) opent als volgt:
“Ik heb een kind gekend dat huilde omdat het zoontje van de conciërge
was gestorven. Zijn ouders lieten hem huilen, maar raakten vervolgens
geërgerd. ‘Het is toch je broertje niet’. Het kind heeft
zijn tranen gedroogd” (241). Deze ouders hebben ongelijk, zo vervolgt
de Beauvoir. Het is waar dat de kleine jongen mijn broertje niet is, maar
als ik om hem huil, is hij niet langer een vreemde. Wie mijn naaste is
kan niet op voorhand worden bepaald: “mijn tranen zijn beslissend”.
Emotie lost de scheiding tussen mij en de ander op. In Pour une morale
de l’ambiguïté (1947) stelt de Beauvoir dat de wereld
zich alleen aan ons onthult “door de weigering, het verlangen, de
haat, de liefde” (Een moraal der dubbelzinnigheid, 1966, 77). Alleen
in deze emotionele dimensie ontmoeten wij andere mensen. Voor Sartre is
dit een illusie. Ook het ondergaan van emotie is volgens hem een keuze
van het bewustzijn. Onze status als lucide en geïsoleerd bewustzijn
is daarmee onontkoombaar. In laatste instantie is de medemens zo nooit
iemand met wie iets gedeeld kan worden, maar slechts een uiterlijk verschijnsel
dat zich voordoet aan mijn bewustzijn. Sartre neemt hiermee een solipsistisch
standpunt in dat de Beauvoir niet wil of kan volgen.
De Beauvoir beklaagt in haar essay Faut-il brûler Sade? (1952) de
markies De Sade om zijn onvermogen zichzelf als bewustzijn te vergeten
en zij brengt de emotie naar voren als de kunst om in contact met de ander
te treden. Haar essay Faut-il brûler Sade? kan mijns inziens worden
beschouwd als haar - indirecte - antwoord op Sartres solipsisme. Zowel
Sartre als De Sade beschouwen de liefde als iets onmogelijks en beiden
benadrukken de strijd, de vijandschap en de gescheidenheid tussen de mensen.
Het lijkt er veel op dat we De Sades naam kunnen vervangen door die van
Sartre, en dat we de vraagstelling uit haar artikel kunnen vertalen als:
Faut-il brûler Sartre?
De Beauvoirs positie in haar essay over de markies De Sade wordt in de
bundel Pour une morale de l’ambiguïté theoretisch onderbouwd.
Dit werk bevat een verzoening van Sartres denkbeelden over de zogenaamde
(ontologische) vrijheid van de mens met een (fenomenologische) visie op
de mens als gesitueerd wezen. In L’être et le néant
(1943) had Sartre vooral nadruk gelegd op het bestaan van de mens als
puur bewustzijn - absolute vrijheid in zijn termen - en hij had de menselijke
bestaanswijze scherp onderscheiden van de wereld van de dingen (of de
zijnden). Hij verdedigt daar het bestaan als puur bewustzijn als de enig
authentieke zijnswijze voor de mens. In Een moraal der dubbelzinnigheid
ontwikkelt de Beauvoir de omgekeerde zienswijze: juist een gesitueerd
bestaan als mens van vlees en bloed doet uiteindelijk recht aan de menselijke
conditie.
De menselijke bestaanswijze is volgens haar ambigu of ‘dubbelzinnig’.
Als altijd al (in tijd en plaats) gesitueerd wezen is de mens een psychofysiologische
eenheid. Maar zijn ontologische vrijheid, zijn status als puur en geïsoleerd
bewustzijn, vormt een factor op de achtergrond van zijn bestaan. Steeds
moet deze factor geïncarneerd worden. Steeds moeten we onze bestaanswijze
als puur en vrij bewustzijn omzetten - door een morele ‘conversion’-
in een relatie van lichamelijke betrokkenheid op de wereld en de medemens:
een bestaan als mens van vlees en bloed, te midden van de anderen. Alleen
wanneer we op zo’n actieve manier onszelf ontwerpen, door emotionele
betrekkingen met de wereld en de medemens aan te gaan, nemen we een juiste,
ethische houding aan volgens de Beauvoir.
We zijn dan trouw aan onze status als bewustzijn dat zich steeds op de
wereld moet betrekken wil het bestaan: we nemen deze status als bewustzijn,
onze (ontologische) vrijheid, op ons - ofte wel ‘we willen onszelf
vrij’. Op die manier zijn we niet alleen trouw aan onze eigen bestaanswijze,
maar bovendien zijn we daarmee ook gericht op de vrijheid van onze medemensen.
Het ‘willen van de vrijheid’ houdt namelijk in dat wij de
menselijke vrijheid als zodanig onderschrijven, waarmee wij verantwoordelijkheid
aanvaarden voor de kwaliteit van het menselijk leven, niet alleen van
onszelf maar ook van onze medemensen. De Beauvoirs ethiek houdt dus in
dat we onze vrijheid moeten omzetten in positieve betrokkenheid op anderen.
Ofte wel: we moeten onszelf ontwerpen in een gerichtheid op de vrijheid
van anderen.
Concrete ethische beslissingen moeten vanuit deze grondhouding van het
‘zich vrij willen’ (‘se vouloir libre’) steeds
concreet worden bepaald. Daarvoor zijn geen algemene regels of maximen
op te stellen, aldus de Beauvoir. We hebben hier eerder te maken met een
creatief proces, vergelijkbaar met dat van de kunstenaar die een kunstwerk
schept. (In haar roman De mandarijnen [oorspr.1954] wordt dit type ethiek
aangeduid als ‘art de vivre’ – kunst / kunde van leven’.)
De ontologische basis van deze ethiek der ambiguïteit is onze ambiguë
conditie als mens, dat wil zeggen ons bestaan als én vrijheid én
gesitueerdheid, oftewel als én subject én object (onze lichamelijke
dimensie is onze eindige, objectieve dimensie). We kunnen nauw verbonden
zijn met anderen maar we zullen nooit in hen opgaan. We zijn én
individueel bewustzijn én lichamelijkheid, én gescheiden
én verbonden met anderen. Het is die fundamentele dubbelzinnigheid
die ons steeds opnieuw confronteert met de ethische opdracht om onszelf
actief te situeren in engagement met onze medemens.
Aan het slot van Sartres L’être et le néant treffen
we de frase aan dat een ethiek zou moeten worden ontwikkeld op basis van
de in dit werk geleverde ontologie. Sartre heeft daartoe zelf pogingen
ondernomen in zijn - pas onlangs gepubliceerde - Cahiers pour une morale
(oorspr.1947). Maar zijn tekst vertoont alle sporen van een worsteling
om zijn ontologie met een ethisch gezichtspunt te verzoenen. Wanneer de
vrijheid van de een de dood van de vrijheid van de ander betekent, hoe
kan er dan sprake zijn van een verzoening van vrijheden ofte wel van een
samenleven met de medemens? Sartre beschouwde het hele project van de
Cahiers als een mislukking en liet het liggen om zich aan iets anders
te wijden. We kunnen vaststellen dat de Beauvoir een fundamentele stap
zette om de dimensie van de normativiteit te verzoenen met de existentiefilosofie:
zij doorbrak Sartres solipsisme op het punt van de emotie. Deze verschijnt
bij haar als psychofysiologische positiviteit, in plaats van als néantiserende
bewustzijns-act, en dit maakt de ontmoeting met de medemens pas voorstelbaar.
De Beauvoirs filosofie van de zelf-ander relatie verschilt totaal van
het oorspronkelijke existentialisme van Sartre dat extreem individualistisch
is en uitmondt in een solipsisme.
De
Zelf-Ander relatie in De tweede sekse
Nu we de Beauvoirs denken over de zelf-ander relatie hebben verkend kunnen
we ons nader verdiepen in de filosofische pointe van haar studie over
de sekseverhoudingen.
Vanaf 1946 werkt de Beauvoir, onderbroken door een verblijf van vier maanden
in Amerika en het schrijven van het reisverslag L’Amérique
au jour le jour (1948), aan Le deuxième sexe (1949), in het Nederlands
vertaald als De tweede sekse. Deze achthonderd pagina’s tellende
studie over de situatie van de vrouw zou haar meest controversiële
en beroemdste werk worden en haar, met verkoopcijfers van tussen de drie
en vier miljoen exemplaren, financieel bemiddeld maken.
De tweede sekse is als fenomenologische studie opgezet, in de lijn van
het denken van de filosoof Husserl, die de filosofie de taak toeschreef
de fenomenen, vanuit een onmiddellijke ervaring, in hun geheel in kaart
te brengen - als tegenwicht tegen de verklarende, en daarmee reductionistische
benadering van de vakwetenschappen. Precies op die manier wil De tweede
sekse de gehele situatie van de vrouw - als fenomeen - in kaart brengen,
zonder die wetenschappelijk te verklaren of te reduceren tot één
factor (zoals bijvoorbeeld biologie of seksualiteit of economie). Dit
verklaart het uitputtende karakter van het werk en maakt het als zodanig
onovertroffen.
Dit werk moet echter in de context worden geplaatst van de Beauvoirs ethische
theorie om de strekking ervan goed te kunnen begrijpen. Veelal wordt alleen
acht geslagen op de Sartriaanse begrippen die in dit werk een rol spelen,
zonder dat de Beauvoirs eigen existentialistische ethiek erbij wordt betrokken.
Zij wordt er dan van beschuldigd een Cartesiaans, ‘mannelijk’
denken op vrouwen te hebben toegepast omdat zij het bewustzijn primair
zou stellen en zich zou afzetten tegen het lichaam, en met name tegen
het vrouwelijk lichaam. Zoals we hebben gezien was de pointe van haar
ethiek van ambiguïteit echter een geheel andere. En wanneer we De
tweede sekse nader beschouwen, blijkt die pointe ook daarin centraal te
staan. De Beauvoir zet zich in haar studie af tegen praktijken en instituties
die vrouwen vrijwel volledig willen reduceren tot lichamen. Zij benadrukt
daartegenover dat de mens c.q. de vrouw altijd een ambigu wezen is, oftewel
én een lichamelijke dimensie en een bewustzijns-dimensie kent,
en zij eist dat vrouwen in staat worden gesteld hun ontologische vrijheid
die met de laatste dimensie gegeven is ook daadwerkelijk uit te oefenen.
In De tweede sekse wordt de traditionele situatie van de vrouw getypeerd
als die van de Ander in de cultuur. De man heeft zich in de geschiedenis
altijd de positie van het Zelf, het subject weten te verschaffen, van
degene die handelt en beslist. Ieder bewustzijn streeft er naar zijn soevereiniteit
aan de ander op te leggen, zo stelt de Beauvoir in navolging van Hegel.
De man nu is er de hele geschiedenis door in geslaagd dit ten aanzien
van de vrouw te realiseren, op zo’n manier dat zij hem kon bevestigen
als bewustzijn. De man heeft de vrouw gereduceerd tot een lichaam met
net zó veel bewustzijn dat zij als spiegel van de man kon functioneren.
De Beauvoir refereert in De tweede sekse meerdere malen expliciet aan
Hegels meester-slaaf theorie. We zien dat zij die ook toepast omdat zij
stelt dat de vrouw degene was die de man voortdurend als subject kon bevestigen.
( In Sartres Zelf-Ander theorie was zo’n bevestiging onmogelijk
omdat het onderworpen bewustzijn ophield als bewustzijn te functioneren.)
Gebruikt de Beauvoir voor haar typering van de machtsverhouding tussen
de seksen dus Hegels meester-slaaf theorie, haar zienswijze op de omvorming
van die machtsverhouding wijkt af van Hegels model. Zij stelt namelijk
dat de vrouw zich alleen in een van de man afgeleide identiteit heeft
kunnen ontwikkelen. Omdat de vrouw ook subjectief tot de Ander is geworden,
vormde zij geen bedreiging als alternerende vrijheid: zij kon nooit op
haar beurt als vrijheid verschijnen en zich bevestigen zoals de slaaf
in de Hegeliaanse meester-slaaf verhouding dit wél kan, waarna
een wederzijdse (h)erkenning als mens zou kunnen plaatsvinden.
Dat juist de vrouw tot de Ander is gemaakt heeft volgens de Beauvoir te
maken met de historisch grotere bepaaldheid van de vrouw door haar lichamelijkheid.
Haar biologische kenmerken, met name haar voortplantingsfuncties, maakten
dat haar dienstbaarheid aan de soort groter was dan die van de man. Was
de vrouw vooral doende het leven te herhalen, de man kon zichzelf verheffen
boven het dier: hij stelde zijn leven in de waagschaal om de natuur te
bedwingen, de wereld te modelleren en de toekomst te smeden, . “Omdat
de mensheid ook vragen stelt over het eigen zijn, dat wil zeggen de redenen
om te leven belangrijker acht dan het leven zelf, kon de man, geconfronteerd
met de vrouw, zichzelf opwerpen als meester”. (We zien hier heel
duidelijk de invloed van Hegel: het bewust trotseren van de dood - bv.
in de jacht - geldt als daad van ultieme vrijheid, oftewel als bevestiging
mens te zijn.)
Zo kwam de man naar voren als heerschappij van de geest over het leven,
van de transcendentie over de immanentie. En zo zijn vrouwen tot de natuur
bestempeld, tot het lichaam, tot de seks en de sekse. Zo heeft zij alle
ambivalente gevoelens op zich geprojecteerd gekregen die de natuur bij
de man oproept: het goede en mooie enerzijds (de natuur die de man het
leven geeft), maar ook het kwade en bedreigende anderzijds (de natuur
die de man zijn leven ontneemt).
Maar, zo stelt de Beauvoir, de biologische kenmerken zijn geenszins in
staat op zichzelf het lot van de vrouw te bepalen. Zij krijgen pas in
sociaal en economisch verband hun betekenis. De lichamelijkheid van de
vrouw is aangegrepen door mannen om haar in een bepaalde situatie te plaatsen.
De biologie kan op zich nooit volstaan om de vrouw te definiëren.
Het is de cultuur, en niet de natuur, die mannen en vrouwen verschillend
maakt: "Je wordt niet als vrouw geboren, je wordt vrouw gemaakt",
zoals de beroemde zin luidt waarmee het tweede deel van De tweede sekse
opent.
In het eerste deel, ‘Feiten en mythen’, wordt een aantal theorieën
over het lot van de vrouw, uit biologische, psychoanalytische en marxistische
hoek onderzocht en in het licht van de existentialistische benadering
inadequaat bevonden. Vervolgens schetst de Beauvoir in grote lijnen de
onderdrukking van de vrouw door de geschiedenis heen, en tenslotte worden
de (denk)beelden die mannen van de vrouw en de vrouwelijkheid hebben ontworpen
als mythen ontkracht. De mythe van de vrouwelijkheid is slechts een projectie
en product van de man. De leefwijze en ervaringen die vrouwen in naam
van de vrouwelijkheid zijn opgelegd, dienen slechts zijn behoeften.
In het tweede deel, ‘Geleefde werkelijkheid’ analyseert de
Beauvoir de situatie van de vrouw in de maatschappij, en de mogelijkheden
die de cultuur aan vrouwen heeft geboden en onthouden. Zij schetst het
vrouw-zijn in de verschillende levensfasen, vanaf de vroegste jeugd tot
aan de ouderdom, en een aantal rollen die de cultuur gangbaar voor vrouwen
in petto heeft, zoals de minnares,de moeder, de prostituee, de onafhankelijke
vrouw, de lesbienne en de mystieke vrouw.
Het laatste hoofdstuk draagt de titel “Op weg naar de bevrijding’.
Maatschappijhervorming en mentaliteitsverandering zijn nodig opdat de
existentie van vrouwen niet langer ondergeschikt wordt gemaakt aan die
van mannen.
8.
Vrouwen moeten worden erkend als bewustzijn en vrijheid en actief een
bestaan als subject op zich nemen. Voor de eerste keer in de geschiedenis,
zo stelt de Beauvoir in 1949, hebben vrouwen door de beschikbaarheid van
anticonceptiemiddelen en de toegang tot betaald werk, de kans om zich
eveneens als een ‘Zelf’ te ontwikkelen. De tweede sekse vormt
een hartstochtelijke oproep aan vrouwen die kans te grijpen en aan mannen
om vrouwen niet langer als ‘de Ander’ aan zich te onderwerpen.
Wanneer mannen en vrouwen beiden de ambiguïteit van hun bestaan durven
te beleven zal echte liefde mogelijk zijn, zo luidt de Beauvoirs ethische
boodschap.
Op grond van onze eerdere kennismaking met haar ethische theorie is nu
inzichtelijk hoe dit kan. Het op ons nemen van onze eigen vrijheid houdt
in dat we zowel onze vrijheid als onze lichamelijke gesitueerdheid aanvaarden
en realiseren. Wanneer zowel mannen als vrouwen deze dubbelzinnigheid
van hun conditie durven ervaren dan hebben zij het niet nodig om dat deel
op elkaar te projecteren dat zij van zichzelf afwijzen. Mannen moeten
kortom hun lichamelijke dimensie oftewel hun ‘object-zijn’
durven accepteren (naast hun subject-zijn), vrouwen hun subject-zijn (naast
hun object-zijn), oftewel hun vrijheid. Pas dan kunnen zij elkaar als
gelijken erkennen en ontmoeten, en zal liefde mogelijk zijn. “De
dimensie ander blijft bestaan. Maar het is wel een feit dat dit anders-zijn
geen vijandelijk karakter meer heeft” (TS, 459).
Mannen en vrouwen moeten volgens de Beauvoir dus ophouden de andere sekse
te gebruiken om de ambiguïteit van hun eigen bestaan te ontkennen.
Toch zal er steeds strijd zijn, uiteraard van het zijns-tekort van de
mens, ofte wel uiteraard van zijn ‘tekort’ aan zijn als bewustzijn,
en de neiging anderen aan zich te onderwerpen om dat tekort te verhelpen
door hem als bewustzijn te spiegelen. Liefde en vriendschap zullen steeds
- en steeds opnieuw - op deze neiging veroverd moeten worden, in elke
menselijke relatie.
Zoals we zagen wordt in De tweede sekse diverse malen verwezen naar Hegels
theorie over de verhouding van meester en slaaf (zie o.a. TS 91 en 103).
Daarnaast gebruikt de Beauvoir Sartres opvatting van de Zelf-Ander verhouding
(vooral waar zij wijst op de voortdurende strijd die er zal zijn uiteraard
van het zijnstekort van de mens). Beide theorieën benut zij om macht
te analyseren buiten het politieke domein in strikte zin, oftewel om macht
aan te wijzen op het gebied van de sekseverhoudingen en de sfeer van het
zogenaamd private of persoonlijke terrein: de familie, het gezin, de seksualiteit,
de opvoeding.
Volgens Hegel zou de meester-slaaf relatie tenslotte worden omgekeerd,
omdat de slaaf in de arbeid zichzelf als vrij subject zou ervaren en zo
de meester op zijn beurt naar de kroon zou steken. De Beauvoir stelde
dat voor vrouwen een dergelijke ommekeer van de verhouding tot de man
niet mogelijk was, omdat zij in de geschiedenis tot absolute Ander waren
gemaakt, en zichzelf dus niet als vrij subject konden ervaren. Bij Hegel
lag de emancipatie van de slaaf als een noodzakelijke ontwikkeling in
de geschiedenis besloten, een ontwikkeling die op haar beurt zou worden
gevolgd door een werkelijke emancipatie van de gehele mensheid, omdat
ieder individu zich tenslotte in de menselijke gemeenschap zou invoegen.
Bij de Beauvoir vinden we geen noodzakelijke ontwikkelingen, maar een
politiek-ethische oproep tot een betere verhouding tussen de seksen, en
tot een daarop toegesneden omvorming van de maatschappij. Evenmin vinden
we bij haar de idee van een algemene verzoening van de individuen door
middel van een wederzijdse herkenning. Een ethische instelling is steeds
opnieuw vereist, omdat de mens per definitie vijandigheid jegens de ander
kent, uiteraard van zijn zijns-tekort als bewustzijn. Een sociale omwenteling
kan dit tekort van de mens nooit verhelpen. De idee van een toekomst als
totale ommekeer van de geschiedenis is onzinnig, volgens de Beauvoir.
Een definitieve verzoening tussen de seksen kan dan ook niet plaatsvinden.
De ander zal ook altijd de Ander blijven. Maar het is door permanente
inspanning mogelijk om ons steeds opnieuw tot die ander te verhouden zónder
vijandschap, wanneer wij ons zijns-tekort accepteren en de ander als werkelijke
ander ( in plaats van Ander) benaderen.
Zo heeft de Beauvoir iets origineels gedaan in De tweede sekse. Ze heeft
het denken van Hegel en dat van de vroege Sartre als het ware omgekeerd.
9.
Waar voor Hegel en Sartre het primaat lag bij het bewustzijn: we moeten
allemaal leven als subject, brengt de Beauvoir naar voren dat we daarbij
ook moeten durven leven als object, dat wil zeggen dat we onze lichamelijke
dimensie onder ogen moeten zien. Met haar theorie over de ambigue conditie
van de mens heeft zij een verzoening tot stand gebracht van de filosofie
met de lichamelijke dimensie van de mens, een dimensie die maar al te
vaak in het westerse denken is veronachtzaamd.
Tegen de achtergrond van de Beauvoirs eigen ethische theorie is zichtbaar
dat zij zich in De tweede sekse niet afzet tegen het vrouwelijk lichaam
maar tegen traditionele instituties en praktijken die vrouwen trachten
op te sluiten in hun lichaam en het hen onmogelijk maken er zelf over
te beschikken. Zij eist dat vrouwen hun lichamelijke functies in vrijheid
kunnen beleven. Haar pointe is dus geenszins dat vrouwen bijvoorbeeld
het moederschap zouden moeten weigeren of afwijzen maar wel dat zij er
in vrijheid voor moeten kunnen kiezen. Haar appèl aan vrouwen om
zich tot een zelf te ontwikkelen houdt geen pleidooi in voor een puur
rationeel - onlichamelijk en geïsoleerd - Zelf. Zij wil dat vrouwen
én mannen een gesitueerd en geïncarneerd zelf ontwikkelen,
een zelf dus met emotionele betrekkingen tot de ander en de wereld.
Wanneer de maatschappelijke gelijkheid tussen mannen en vrouwen gerealiseerd
is en ook vrouwen in staat zijn gesteld om een leven op te bouwen als
vrij en zelfstandig individu, dan zullen er ook nieuwe culturele identiteiten
ontstaan, zo stelt de Beauvoir tot slot.
“Er zullen tussen de geslachten nieuwe lichamelijke en affectieve
relaties ontstaan waarvan wij geen idee hebben. “Tussen mannen en
vrouwen zijn al vriendschappen, rivaliteiten, medeplichtigheden en kameraadschappen
ontstaan, zowel van seksuele als kuise aard die men in voorbije eeuwen
niet heeft ontdekt”, zo stelt zij aan het eind van haar werk (TS,
827). Verschillen tussen mannen en vrouwen zullen volgens haar blijven
bestaan.
“In de eerste plaats zullen er tussen man en vrouw altijd bepaalde
verschillen blijven bestaan; de erotiek, dus de seksuele wereld van de
vrouw heeft nu eenmaal een bijzondere vorm en dat zal ongetwijfeld met
zich mee brengen dat er in haar een eigengeaarde sensualiteit en gevoeligheid
ontstaat. De verhouding tot haar lichaam, tot het lichaam van de man en
het kind zullen nooit dezelfde zijn als de verhouding waarin de man staat
tot zijn lichaam, tot het lichaam van de vrouw en het kind. Zij die zoveel
praten over “gelijkheid in verscheidenheid” zal het moeilijk
vallen toe te geven dat er verscheidenheid in gelijkheid kan bestaan”(TS,
827).
Actualiteit
Wanneer we de balans opmaken van de actualiteit van de Beauvoirs feministische
ideeën in mondiaal perspectief blijken haar ideeën van een opmerkelijk
actueel gehalte. Vaak wordt voorondersteld dat het feminisme een westers
denken is omdat het zich zou baseren op een concept van vrijheid als autonomie.
Gedurende het laatste decennium hebben vrouwen uit de derde wereld het
feminisme beschuldigd van kolonialisme omdat het westerse aannamen zou
willen opleggen aan vrouwen uit alle culturen. Maar wanneer we in dit
verband de balans opmaken van de actualiteit van De tweede sekse dan kunnen
we constateren dat dit werk, anders dan vaak gesteld is, noch een Cartesianisme
noch een sterk individualisme bepleit. Het stereotiepe westerse ideaal
van een leven als autonoom, gesepareerd individu wordt door de Beauvoir
juist bekritiseerd en aangevuld. Ten eerste is er een plaats voor de lichamelijke
dimensie en ten tweede voor een verbondenheid met anderen, vanuit en in
die lichamelijke dimensie. Het ethisch perspectief dat zij naar voren
brengt is dat van een sensitief subject: een eenheid van hoofd, hart en
ziel, die als zodanig nauw verbonden is met anderen. Waar liberalisme
en communitarisme strijden over de vraag of de mens als individu of als
groepswezen existeert en veelal doorslaan naar respectievelijk kil individualisme
óf een verstikkend gemeenschapsdenken waarin het individu totaal
wordt ondergesneeuwd, tracht de Beauvoir een evenwicht te vinden tussen
vrijheid en verbondenheid. Zij pleit voor gekozen emotie en gekozen verbindingen,
en dus voor een vrijheid in verbondenheid. Hiermee heeft zij mijns inziens
een ethisch perspectief ontwikkeld dat mondiaal relevant is en dat ook
een kritiek behelst op bepaalde narcistische tendensen in westerse culturen.
De Beauvoir wil dat iedereen de sociale vrijheid heeft om zijn eigen levenstraject
te kiezen, maar zij benadrukt daarbij de dimensie van ethische geïnvolveerdheid
met anderen, van emotionaliteit en van ons lichamelijk, contingent bestaan.
Haar werk bevat daarmee een ethisch perspectief dat niet strikt westers
te noemen valt en dat mijns inziens een waardevol normatief perspectief
biedt, ook voor een mondiaal feminisme. De Beauvoir verbleef vaak in de
Verenigde Staten. Haar vriendschap met de zwarte schrijver en activist
Richard Wright bracht haar daar in contact met andere Anderen van de westerse
cultuur en ook dit beïnvloedde haar denken.
10.
Haar perspectief staat haaks op een westers Verlichtingsdenken dat vooruitgang
via de rede bepleit en van ieder mens een rationeel autonoom subject wil
maken. We kunnen dan ook de nodige vraagtekens zetten bij de manier waarop
de Beauvoir wordt ingezet in discussies in Europa door liberale denkers
en politici die zich afkeurend uitspreken over de positie van Moslimvrouwen
en –meisjes en over de status van de hoofddoek. In Nederland verwees
de politica Ayaan Hirsi Ali in deze discussies maar af en toe naar Simone
de Beauvoir, maar heel nadrukkelijk gebeurt dit in Frankrijk in het debat
over de hoofddoek, bijvoorbeeld in het boek Fausse Route (‘Verkeerde
weg’) van Elisabeth Badinter. Volgens deze in Frankrijk zeer bekende
feministische filosofe moet de westerse Verlichting verdedigd worden tegen
een oprukkend islamisme, waarvan de hoofddoek het voorteken is. Ik citeer
uit de Groene Amsterdammer, van enige tijd terug: “Kijk naar Engeland.
Dat is een land waar geen enkele hindernis is gelegd tegen de geringste
hoofddoek, tegen niets. Maar zie wat voor vreselijks dat oplevert. . .
. Daar komen die jongens van al-Qaeda naar toe voor hun opleiding.”
En voor haar visie beroept zij zich vervolgens uitdrukkelijk op wat zij
noemt haar ‘spirituele moeder’ Simone de Beauvoir.
11.
Badinter, Hirsi Ali en vele andere feministen menen dat het feminisme,
inclusief dat van de Beauvoir, gebaseerd is op de westerse Verlichting
met het liberalisme als zijn erfgenaam. Maar zoals we hebben gezien benadrukt
de Beauvoirs feminisme hele andere aspecten dan de rede. De tweede sekse
is ten onrechte beschouwd als een uitwerking van Sartres definitie van
de mens als een rationeel bewustzijn. Dit werk bleek juist de Beauvoirs
eigen theorie over de menselijke bestaanswijze als ‘ambigu’
te bevatten. We zijn én bewustzijn, én een mens van vlees
en bloed, en we moeten die ambiguïteit op ons nemen, zo had ze gesteld
in het twee jaar eerder gepubliceerde Pour une morale de l’ambiguité
(1947).
In De tweede sekse bouwt ze hierop voort en stelt ze dat vrouwen én
mannen hun ambiguïteit moeten accepteren en niet langer op de andere
sekse dat deel moeten projecteren dat zij van zichzelf afwijzen. Mannen
moeten hun lichamelijke dimensie durven accepteren, en vrouwen hun bewustzijnsdimensie.
Dan kunnen zij elkaar als gelijken ontmoeten en zijn échte liefde
en vriendschap mogelijk. Haar appèl aan vrouwen om zich tot een
zelf te ontwikkelen houdt dus geen pleidooi in om het zelf te worden dat
mannen zijn geweest; het houdt geen pleidooi in voor een leven als rationeel
autonoom zelf, maar juist voor een zelf van vlees en bloed, met emotionele
en nauwe betrekkingen tot de ander en de wereld. Ook in de feministische
artikelen uit de jaren vijftig van de Beauvoir gaat het steeds over de
mogelijkheid van échte liefde en helemaal niet over het rationele
autonome zelf.
De Beauvoir stond kritisch tegenover de westerse Verlichting,: “deze
droom gedroomd door de rede”. Ze zou zeer kritisch hebben gestaan
tegenover de claim van het Westerse neoliberalisme dat het vrijheid en
rede brengt op wereldschaal. Ze was allergisch voor imperialisme en kolonialisme.
Ze behoorde tot de eerste Franse intellectuelen die zich verzetten tegen
de Franse oorlogen in Vietnam en Algerije. Ze zou veel achterdochtiger
zijn geweest jegens de toestand in Frankrijk en andere West Europese landen
over de hoofddoek van Moslimvrouwen en meisjes, dan geclaimd wordt door
haar zelfbenoemde erfgename Badinter. Ze zou zich hebben uitgesproken
voor het in cross-culturele coalities bestrijden van elk type fundamentalisme,
inclusief het westerse Verlichtings-fundamentalisme, ook in zijn hedendaagse
feministische variant, dat alle vooruitgang verwacht van de seculiere
rede.
We kunnen integendeel stellen dat haar existentialistische ethiek bepleit
dat ieder mens toegang krijgt tot een ethische zelfvorming, waarin naast
het denken ook lichaam, hart en ziel betrokken zijn.
12.
Een mondiaal feminisme dat de mogelijkheden voor ethische zelf-vorming
van vrouwen wil ondersteunen en uitbouwen is actueler dan ooit voorzover
die mogelijkheden nog op tal van manieren moeten worden bevochten en uitgebouwd,
ook voor ‘autochtone’ vrouwen in de westerse wereld. Gangbaar
wordt gesteld dat met de juridische gelijkheid van mannen en vrouwen de
emancipatie van de vrouw in westerse maatschappijen in principe is voltooid.
In De tweede sekse stelt de Beauvoir echter met nadruk dat steeds de totale
situatie van de vrouw moet worden beoordeeld: het morele, én het
sociaal-economische én het culturele niveau moeten daarbij in ogenschouw
worden genomen. Wat moet veranderen zijn les lois, les institutions, les
moeurs, l’opinion et tout le contexte social (de wetten, de instellingen,
de zeden, de opvattingen, het hele maatschappelijke bestel – TS,
821). Het is de vraag hoeveel er vanuit dit perspectief valt af te dingen
op de stelling dat de gelijkheid tussen de seksen in moderne westerse
maatschappijen is gerealiseerd.
|