Over 'De Toverberg' van Thomas Mann Schrijven is altijd een verhouding zoeken tot de tijd, want schrijven is luisteren naar de cadans van de zinnen en naar de dynamiek tussen de scènes, die soms moet worden versneld en dan weer eindeloos moet worden vertraagd, teneinde het vreemde en zelden regelmatig kloppende ritme van het leven na te bootsen. Schrijven is daarom alleen al de spot drijven met de formele logica van de klok, zoals de dichter W.H. Auden dat noemde: ‘All our intuitions mock/ the formal logic of the clock.’ Dit spotten met de klok heeft zeker zijn neerslag gevonden in Thomas Manns meesterwerk, de roman De Toverberg (1924), die dit jaar door de Arbeiderspers in een nieuw jasje werd gehuld. Mann laat bijna duizend pagina’s in een kuuroord afspelen, waar deze kloktijd al lang niet meer tot de ‘begrippen’ van haar gasten behoort. De bewoners van het kuuroord leven in een heel andere tijd, die met geen lineair stelsel, geen meetkundig principe, geen vroeger of later te meten valt. Die tijd is dan ook het hoofdonderwerp van deze even schitterende als indrukwekkende roman, waarbij Mann zo’n beetje alle mogelijke filosofische en religieuze posities met betrekking tot de tijd de revue heeft laat passeren. De Toverberg is een tijdroman, zo schrijft de auteur zelf, die niet alleen de tijdgeest van het begin van de 20e eeuw probeerde te vatten, maar ook de tijd zelf, hoe ongrijpbaar ook, en dan met name het verschil tussen kloktijd en andere, meer innerlijk beleefde tijd. ‘Wat is de tijd?’, schrijft Mann op p. 444. ‘Een geheim – irreeël en almachtig. Een voorwaarde van de zintuiglijk waarneembare wereld (Kant), een beweging (Aristoteles). Maar als er nu eens geen beweging was, zou er dan ook geen tijd zijn? Vraagt u maar! Is de tijd een functie van de ruimte? (Newton) Of omgekeerd? Of zijn deze twee identiek? Vragen staat vrij!’. Teneinde deze vragen te onderzoeken dompelt Mann zijn ‘eenvoudige doch innemende’ personage Hans Castorp onder in een oceaan van lege tijd, als hij een kort bezoek aan zijn neef in het zwitserse kuuroord laat uitmonden in een verblijf van maar liefst zeven jaar. Wat doet deze eindeloze, oningevulde tijd met een mens, heeft Mann zich in zijn roman willen afvragen. Wat gebeurt er als iemand zo ver uit het zicht van de klok komt te leven? Hij gaat zich bijvoorbeeld dergelijke vragen over de tijd stellen, want Castorp legt in het kuuroord een bijzonder hardnekkige ‘neiging aan de dag voor zulke haarkloverijen’ Maar dat is niet alles. Castorp wordt vooral ook met zichzelf geconfronteerd en met de grote levensvragen die hij voordien angstvallig uit de weg was gegaan. Je zou kunnen zeggen dat voor hem al dat luieren en niets doen op bepaalde manier louterend heeft gewerkt, want tijdens die zeven jaren leert hij niet alleen voor zichzelf te denken en te spreken, maar wint hij ook aan zelfbewustzijn. De Toverberg is dan ook een typische Bildungsroman, zoals Mann ze graag schreef, letterlijk een roman die de Bildung, de opvoeding en geestelijke ontwikkeling van het personage ook op de lezer wenste over te dragen. Die opvoeding is een van de geliefde gespreksonderwerpen tussen de twee andere protagonisten in de roman, de verlichte humanist Settimbrini en de metafyische marxist Naphta, die in hun gesprekken lijnrecht tegenover elkaar staan. Castorp wordt door hun uiteenlopende standpunten aangemoedigd een eigen oordeel te vormen, voor zichzelf te leren nadenken, iets waarvoor hij tijdens zijn drukke bezigheden in het laagland nooit de tijd heeft gehad. Mann suggereert op meerdere plekken in de roman dat rust en niets doen voorwaarden voor het denken zijn, een inzicht dat overigens reeds tijdens de Oudheid door tal van Griekse en Romeinse denkers werd verkondigd. Niet voor niets stamt ons woord ´school´ van het Griekse ´schole´ af, dat onder meer rust betekent. Pas in rusttoestand opent zich de ruimte van het denken en van de creativiteit en kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Nooit is de mens actiever dan wanneer hij niets doet, schreef Cato bijvoorbeeld, omdat juist vanuit die ledigheid nieuwe inzichten kunnen ontstaan. En dat is precies wat we met Hans Castorp zien gebeuren. ‘De ligstoel heeft mij meer gebracht dan de molen in het laagland.’ Waar de tijd van het laagland tot arbeid en activiteit aanspoort en de burgers in een strak klokregime houdt, worden de bewoners van het kuuroord als het ware aan die kloktijd ontworteld, en komen zij in een andere, meer innerlijke tijddimensie terecht, die zoals Mann schrijft, ‘immuun wordt voor einddoel, segment of markering’(p.705). In deze zich eindeloos uitstrekkende tijd van het kuuroord, in deze ‘ijlende wijle’ (861), zoals het later zo fraai heet, valt de ene dag, de ene maand, niet meer van de ander te onderscheiden. Het nu versmelt tot een ‘altijd’, gisteren en morgen worden inwisselbaar, de toekomst laat zich niet meer van een verleden onderscheiden. ‘Je loopt en loopt… je zult van een dergelijke tocht nooit op tijd thuis komen, want je bent verloren voor de tijd en hij voor jou.(p.707). ’ Hoewel Castorp juist door de ervaring van dit kloktijdloze tot grote inzichten komt, verwoordt Mann tegelijkertijd het waarschijnlijk ook door veel lezers gedeelde standpunt dat hij toch onmogelijk altijd kan blijven lanterfanten. Dat is zeker ook de mening van Settimbrini, die Castorp van meet af aan wil terugsturen naar het laagland, omdat de tijd daarboven maar gevaarlijk voor hem zou zijn; het zou hem namelijk op metafysische gedachten kunnen brengen, iets wat de humanist ten diepste verafschuwt en die hij ‘met pedagogische gedecideerdheid als het boze bestempelde.’ Settembrini vertegenwoordigt de vermogens van de rede, het geloof in de vooruitgang, in de wereld en in de mens en is in die zin de ambassadeur van het laagland. Daar tegenover staat Leo Naphta, de Jezuiet, die het ongeluk van de mens juist aan zijn vooruitgangsdrift, hebzucht en materialistische wetenschappelijke geest wijdt, en een lans breekt voor een ideale godsstaat, als zijnde de ambassadeur voor de metafysische hoogvlakten. Beiden verklaren hun ‘land’ tot absolute heilstaat, en wijzen radicaal de inzichten van de ander af. Zo wil Settembrini niets weten van welke bovenzinnelijke of niet empirisch aantoonbare zielsdimensie dan ook, en beschouwt Naphta juist de wetten van tijd, ruimte en causaliteit waarop de natuurwetenschappelijke modellen berusten als de leugenachtige dogma’s van een pseudoreligie. Want deze ziet de kosmos zelf als oneindig, waarmee elk geloof aan het bovenzinnelijke wordt afgezworen, of liever gezegd wordt ingelijfd in de wereld. De mens heeft zich met andere woorden volgens Naphta zelf tot god verklaard. Halverwege de roman wordt de kern van de twist in slechts enkele regels als volgt samengevat. ‘Mag ik een weinig logica voorstellen?’, repliceerde Naphta. ‘Of Ptolemaeus en de scholastiek hebben toch gelijk gehad, en de wereld is eindig in tijd en ruimte. Dan is de godheid transcendent, de tegenstelling tussen God en wereld blijft gehandhaafd, en ook de mens is een dualistisch wezen; het probleem van zijn ziel bestaat in de strijd tussen het zinnelijke en het bovenzinnelijke, en het maatschappelijke is in alle opzichten van de tweede orde. Of anders hebben die renaissance-astronomen van u de waarheid gesproken, en is de kosmos zelf oneindig. Dan is er geen bovenzinnelijke wereld, geen dualisme, het hiernamaals is ingelijfd in het hier en nu, (…) en omdat in dit geval de menselijke persoonlijkheid geen strijdtoneel meer is van twee vijandige principes, maar een harmonische eenheid vormt, berust het binnenmenselijke conflict op dat tussen individuele en gemaanschapsbelangen, en de doeleinden van de staat worden wetgevend voor wat zedelijk genoemd kan worden. Het is het een of het ander. (513)’ De kern van hun onoverbrugbare geschil draait dus om een bepaalde opvatting over tijd. Is de kosmos eindig of oneindig? Is de tijd van de empirische wereld de enige tijd, of is er nog een andere, eeuwige tijd? Tegen het einde van de roman komt Naphta, vlak voor de dramatische ontknoping, nog eenmaal op dit verschil tussen een monistisch en een dualistisch wereldbeeld terug. Achter de zogenaamd neutrale waarden en harde feiten van de wetenschap liggen aannames besloten, die volgens hem volstrekt onlogisch zijn. Als de kosmos zelf als oneindig wordt beschouwd, dan is dit namelijk in logische tegenspraak met het feit dat er helemaal geen natuurwetenschappelijke grootheid als de ruimte in het oneindige kan bestaan, evenmin als er een natuurwetenschappelijke ‘tijd’ kan bestaan in de eeuwigheid. ‘Wat een lasterlijke onzin de afstand van de een of andere ster tot de aarde in triljoenen kilometers of zelfs lichtjaren te berekenen, en zich dan te verbeelden dat men door middel van dergelijk cijfergegoochel de menselijke geest inzage verschaft in het wezen van oneindigheid en eeuwigheid, terwijl toch oneindigheid met grootheid en eeuwigheid met tijdsdistantie niets maar dan ook niets te maken hebben.’ (900) Een kleine duizend pagina’s redetwisten hebben beide heren geen spat dichter bij elkaar gebracht. Ze beschuldigen elkaar er wederzijds van de jeugd te misleiden en van haar zedelijke kracht te beroven. Op gegeven moment wordt het Settembrini te machtig en verwijt hij Naptha dat ‘zijn manier van doen een infamie is, die met woorden niet streng genoeg te tuchtigen is’. Deze belediging wordt door Naphta dan met de uitnodiging voor een duel beantwoord. Bij dit duel weigert Settembrini zijn tegenstander dood te schieten, waarna deze de kogel door de eigen kop jaagt. Strijd onbeslist. Maar wat is Hans Castorp, voorwerp van de pedagogische bekeringsdrift beider heren, hier nu wijzer van geworden? Wat hebben die zeven jaren, dit ‘mythisch-schilderachtige brok tijd’, hem nu eigenlijk opgeleverd? Je zou kunnen zeggen dat Mann zijn personage dan zover heeft gekneed dat hij ten langen leste het inzicht verkrijgt dat zijn opvoeders een denkfout hebben gemaakt, of liever, dat zij beiden hun standpunt te radicaal en te absoluut tegenover de ander kenbaar hebben gemaakt. Tussen fanatiek monisme dat de staat en politiek tot nieuwe afgoden maakt en fundamenteel dualisme dat ons naar een middeleeuws geloof wil terugvoeren, bestaat er nog een derde weg, lijkt Mann te suggereren, en wel een soort transgressieve beweging die door de mens zelf op gang dient te worden gebracht. We zouden hiervoor de term ‘humanistisch dualisme’, of zo u wilt, ‘dualistisch humanisme’ kunnen introduceren. Want waar Settembrini het politieke te innig omhelst en geen oog heeft voor kunst cultuur, en Naptha de transgressieve beweging richting het tijdloze slechts in een religie wil funderen, lijkt Mann een soort verbinding tussen beide standpunten in de mens zelf te verdedigen. Thomas Mann suggereert in zijn roman immers dat er nog een andere tijdservaring is dan de kloktijd van Settembrini of de sacrale tijd van Naphta. Die tijd dus ‘was op zijn sluipende, met het blote oog niet waarneembare, geheime en toch bedrijvige manier voortgegaan veranderingen te bewerkstelligen’, zoals we op blz. 920 lezen. Het is niet de tijd van de klok van het laagland, en ook niet de tijd van zijn zakhorloge noch van agenda’s of kalenders; want dat alles had Castorp al lang opgegeven, staat er dan, ‘omwille van de vrijheid, het stilstaande altijd- en eeuwig, deze hermetische tover, waarvoor de ontstegene vatbaar gebleken was, en die het fundamentele avontuur van zijn ziel geweest was.’ (922) Niet de wereldtijd van Settembrini, noch de goddelijke tijd van Naptha, maar een nunc stans, een eeuwig durend ogenblik, dat Mann hier wellicht van Schopenhauer heeft geleend, en dat door het ‘stil vallen’ van de tijd, door het luieren en niets doen en de daaruit voortkomende bezinning en reflectie door Castorp zelf tot stand wordt gebracht. Ook in die zin ‘tovert’ de berg, het weet zijn bewoners voor deze andere tijdervaring ontvankelijk te maken, waardoor Castorp zich kon bilden, zich kon ontwikkelen, zonder zich daarvoor bij een politieke partij of kerk te hoeven aansluiten. En dan valt de donderslag, die hem inpepert dat hij lang genoeg heeft nagedacht. Die donderslag is het uitbreken van de eerste wereldoorlog en de ‘zevenslaper kwam langzaam overeind in het gras, om zich daarna zittend de ogen uit te wrijven.’ Op de laatste bladzijden van de roman is Castorp een van de velen geworden, die strijdend in de velden en de loopgraven, temidden van ontploffende granaten, een gewisse dood tegemoet treedt. Is zijn bildung dan helemaal voor niets geweest, zoals sommige lezers wel eens met veel ironische graagte hebben beweerd? Ik denk het niet, want Mann houdt het einde bewust open, zonder zich echter ‘al teveel zorgen te maken.’Want de intellektuele reis die Castorp heeft afgelegd heeft zijn ‘eenvoud tot een hoger plan verheven’ en zal ‘hem in de geest laten overleven’. Inderdaad, een waardig einde van een Bildungsroman! We moeten God noch de maatschappij tot absolute grootheid maken, lijkt Mann te zeggen, de enige hoop die de mens geboden wordt, is die van de spankracht van zijn eigen geest. Die geest is erbij gebaat als we bij tijd en wijle naar een imaginaire Toverberg durven af te reizen en de ambities en aansporingen van het laagland even durven te laten voor wat ze zijn. Dan raken we wellicht op het spoor van die derde weg, die niet zozeer door een strijd tussen mens en maatschappij of tussen mens en god gekenmerkt wordt, maar eerder een soort innerlijke dialoog in ons op gang brengt, tussen een empirisch ik dat weet en kent en leert en politiek bewust is, en een dieper gelegen zelf, zoals de filosoof Henri Bergson dat ongeveer tegelijk met Mann verwoordde, dat niet handelt of functioneert in de wereld, maar als het ware een ander, onheuglijk weten herbergt en ook een andere tijddimensie kent. Bij Proust wordt die derde weg bijvoorbeeld via de mémoire involontaire opgeroepen, die een ‘tijdonafhankelijk moment’ vrijlegt, en de verteller daarom zoveel genot bezorgt, het zou met het ‘eeuwig durend ogenblik’ van Mann vergeleken kunnen worden. Virginia Woolf spreekt over moments of being, als zij die kloktijdloze ervaring onder woorden tracht te brengen, die haar pas dichter bij de waarheid over zichzelf én de wereld kan brengen. Bij al deze interbellum schrijvers is de gedachte aanwezig, zoals ik ook in mijn nieuwe boek Stil de tijd laat zien, dat de tijd zich als het ware ook in ons zelf opsplitst; aan de ene kant zijn we bewoners van het laagland die zich noodzakelijkerwijze aan de klok moeten houden, maar aan de andere kant zijn we ook bewoners van een Toverberg, die soms een andere tijd dan de klok ervaren. Manns boek kan nog altijd als een oproep gelezen worden om die andere tijdervaring, die gaandeweg de 20e eeuw steeds meer door de economie en de snelle technologische onwtikkelingen verdrongen werd, weer beter in het vizier te krijgen, en is in die zin zeker nog actueel te noemen. Of er dan ook ‘uit dit wereldfeest des doods’, zoals de allerlaatste zin van de roman luidt, ‘ook uit deze vreselijke koortsgloed, waarin overal in het rond de regenachtige avondhemel is ontstoken, eens de liefde zich zal verheffen,’ is uiteraard nog maar de vraag, maar iets evenwichtiger, creatiever en minder gestresst zullen we er waarschijnlijk wel van worden. Pathetisch einde of niet, dit was wel waar het Thomas Mann bij het schrijven van deze roman om te doen was. En dat mag nog altijd een verfrissende boodschap heten, in deze niet alleen postmoderne en uitermate sceptische, maar ook steeds materialistisch wordende tijden, waarin iedereen het drukker heeft dan ooit. Joke J. Hermsen |