We
all live in a yellow submarine. Oftewel: Neem de tijd
Door
Joke J. Hermsen
Dames en
Heren,
De
afgelopen weken heb ik met meer dan de gebruikelijke belangstelling
mijn brievenbus in de gaten gehouden. Als de oude Mulisch een
brief van onze Minister president ontvangt, met de smeekbede dat
kunstenaars, wetenschappers en andere intellectuelen hun `angstwekkende
stilte’ doorbreken, om, ik citeer, `boeiende, splijtende,
controversiele en politiserende vergezichten’ te gaan schetsen,
waarom zou ik, in alle bescheidenheid, dan ook niet op een epistel
van de premier mogen hopen? Maar helaas, de post bracht veel alledaagse
rompslomp, maar geen envelop met poststempel Den Haag. Niettemin
permitteer ik mij vanavond de geworpen handschoen op te pakken,
overigens zonder veel hoop te koesteren dat er iets van het intellectuele
gekrakeel in de Balie tot de bastions van de `bureaucratische
beslommeringen’, zoals de premier zijn eigen werkplek beschrijft,
zal doordingen. Dat is immers ook niet gebeurd met de talloze
kritische geluiden van wetenschap-pers en filosofen als Achterhuis,
Oosterling, |
|
| |
|
Pels, Februari,
Pressers, Verbrugge, Elian, Plaskerk om er maar enkele te noemen, noch
met die van kunstenaars en schrijvers als Terstall, Benali, Heijne,
Noordervliet, de Winter, van Gogh, Grunberg, Laroui, Zeeman en van Brederode.
Tot dusverre is het torentje van Balkenende een ivoren toren gebleken.
Het probleem lijkt mij daarom eerder omgekeerd. Niet de `intellectuelen’,
maar de politieke bestuurders geven keer op keer niet thuis, gaan niet
op kritische stukken in en tonen zich bij elk debat opnieuw, of dit
nu de deelname aan de oorlogen in Irak en Afghanistan, de Europese grondwet,
de onderwijsafbraak of de vergaande afluisterpraktijken en inbreuken
op de privacy betreft, Oost-indisch doof. Dit laatste mag dan een mogelijk
effect zijn van de door de premier zo geroemde VOC mentaliteit, het
rechtvaardigt nog niet het schrijven van zo’n onzinnige brief
aan de in zijn ogen laatste intellectueel van Nederland. Maar goed,
het kan natuurlijk dat de premier het te druk heeft, dat hij geen tijd
heeft die kritsiche stukken waar hij zo om smeekt, ook eens te lezen.
Nou, dat treft dan, want laat dat nijpende gebrek aan tijd nu uitgerekend
het onderwerp van deze avond zijn! Het is namelijk niet iets waar alleen
onze premier last van heeft, het is karakteristiek voor de huidige tijdgeest,
getuige de vele rapporten en onderzoeken die daarover verschijnen. Het
sociaal-cultureel planbureau meldt dat we ook dit jaar weer veel meer
tijd kwijt zijn aan werk en verplichtingen en veel minder aan bijvoorbeeld
vriendschappen. In Amerika, ons trendsettende voorland, heeft de gemiddelde
man zijn vriendenaantal vanwege tijdsgebrek in nog geen 20 jaar met
de helft zien slinken, van een kleine vier naar amper twee. Veel jonge
mannen hebben geen enkele echte vriend meer, alleen nog digitale, al
dan niet anonieme kennissen. De premier zij dus gewaarschuwd. Het `grote
en vlammende debat’ dat hij zo vurig wenst, zou daarom over deze
tijdschaarste moeten gaan. Alhoewel ik me afvraag of de premier daar
ook werkelijk op zit te wachten. Want wat schreeuwt hij van alle daken:
Nederland werkt! En hoe!
Een glunderende premier en dito koningin konden hun grote vreugde hierover
op prinsjesdag nauwelijks verhullen. Nederland werkt, werd er in koor
gejubeld, alsof daarmee het paradijs op aarde eindelijk verwezenlijkt
is en aan elk onrecht een einde is gekomen. Wij, u en ik, we zijn allemaal
aan het werk, we krijgen het steeds drukker, we werken harder dan ooit
daarvoor en we zullen, als het een beetje meezit, de komende jaren nog
harder en vooral nog langer gaan werken. Het welzijn van u, van mij,
van Nederland, lijkt alleen nog van de hoeveelheid werk die er verzet
en de hoeveelheid geld die daarmee verdiend wordt af te hangen. Dat
de overgrote meerderheid dit werk voor nog geen fractie van het salaris
van een handjevol steeds extreem rijker wordende managers en aandeelhouders
moet doen, is een detail waarover we niet moeten zeuren. Dat de winst
die al dat werken de westerse wereld oplevert voor een aanzienlijk deel
over de rug van de rest van de wereldbevolking gemaakt wordt, is nu
zo’n prikkelend, `controversieel en politiserend’ vergezicht,
waarvoor men in Den Haag de ogen en oren liever sluit. Zelfs een alleszins
redelijk verzoek een vergoeding te geven aan de slachtoffers van een
door ons veroorzaakte milieuramp in de Ivoorkust wordt door onze regering
terstond van tafel geveegd. Dat werken weleens niet zaligmakend zou
kunnen zijn, dat er ook nog gezorgd, gehoopt, gedroomd, gedacht, gekritisiseerd,
geschapen, gestreden, geanalyseerd, getwijfeld, gerust en gelanterfant
moet worden, is een gedachte waaraan onze premier, met zijn voortdurend
aanprijzen van het calvinistische arbeidsethos, gemakshalve voorbij
lijkt te gaan. Alsof je pas echt mens bent, als je werkt.
Nu is het heus niet zo dat onze premier deze heiligverklaring van arbeid
en geld op een verloren namiddag zelf in elkaar heeft getimmerd. We
kunnen gerust stellen dat hij ook op dit punt aan de leiband van Amerika
loopt, het land dat zonder enige overdrijving als de voornaamste exporteur
van het neo-conservatieve kapitalistische gedachtengoed beschouwd kan
worden. Prinsjesdag liet maar weer eens zien wat voor een loyale al
te loyale bondgenoot Nederland is geworden. De gedachte echter dat er
ooit iets anders achter bijvoorbeeld de Amerikaanse invasie in Irak
heeft gestoken dan economisch gewin en behoud van economische macht
is inmiddels door menig gezaghebbend politiek filosoof, denk aan Slavoy
Zizek, Alain Badiou of Giorgio Agamben, overtuigend weerlegd.
Het is eigenlijk nog altijd zoals de Amerikaanse politicus George Kennan,
een van de belangrijkste ontwerpers van de koude oorlog, het in de jaren
vijftig al zonder een spoor van schaamte of zelfs maar ironie zei: `Wij,
de VS, bezitten 50% van de rijkdom van de wereld, maar slechts 6% van
haar bevolking. In deze situatie bestaat onze werkelijk opgave erin
deze situatie te handhaven. Hiertoe moeten we alle gevoeligheden terzijde
leggen, we moeten ophouden na te denken over mensenrechten, het verhogen
van levensstandaards en democratisering.’ Een verbijsterend openhartige
uitstpraak, en waarschijnlijk daarom onlangs nog geciteerd door Slavoy
Zizek in zijn boek Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’,
waarin hij nog maar eens wijst op de economische, geopolitieke belangen
van de VS: namelijk het koste wat het kost op peil houden van de olievoorraden
en dat het liefst zo profijtelijk mogelijk, dus zonder al te veel democratische
rompslomp met de landen waarmee ze handel drijven. Sinds Georg Kennan
is de kloof tussen de rijke Westerse wereld en die van de overige wereldbevolking
er alleen maar groter opgeworden. Je kunt de VS veel verwijten, maar
niet dat ze niet consequent zijn geweest in hun economische en buitenlandse
beleid.
Ik wil vanavond echter niet een zoveelste aanval doen op het kapitalisme
als zijnde een vorm van economisch imperialisme, daarvoor kunt u beter
bij de reeds genoemde auteurs te rade gaan, of anders wel bij politieke
thriller schrijver John Le Carré, die vorige week in een interview
met VPRO TV een opmerkelijk heldere en overtuigende analyse van de nefaste
invloed hiervan op de wereld gaf. Waar het mij om gaat is te laten zien
dat de deze ideologie niet alleen de derde wereldlanden weinig goeds
en verheffends heeft gebracht, maar ook onze eigen samenleving bedreigt.
Dat we door de vrije markt worden opgezweept tot een ongebreideld consumentisme’
en een `schaamteloos economisch egotisme’, waar filosofen als
Ad Verbrugge en Slavoy Zizek van spreken, zijn slechst enkele van de
symptomen. We willen steeds meer, en we willen dit alles steeds nieuwer
en steeds sneller. We worden sinds de 2e helft van de 20e eeuw op welhaast
neurotische wijze door onrust en door een permanente roep tot aanschaf
van steeds nieuwere produkten gedreven, meent ook de socioloog Anton
Zijderveld, die hieraan de naam staccatocultuur heeft gegeven. Innovatie,
zowel op bestuurlijk, ambtelijk als cultureel niveau, wordt als de motor
van vooruitgang gezien, maar vergeten wordt dat deze tyrannie van de
vooruitgang wel eens om zou kunnen slaan in een vooruitgang van de tyrannie,
zoals de filosoof Albert Salomon onomwonden stelt. Dat de westerse mens
al een eind op weg is een consumerend dier te worden dat door de wetten
van de economie en technologie een aanzienlijk deel van zijn persoonlijke
vrijheid is kwijtgeraakt en nog nauwelijks gemeenschapszin meer kan
opbrengen, en voornamelijk leeft om van de ene sensatie in de andere
behoeftenbevrediging te rollen, heb ik zelf reeds elders, in de essaybundel
Heimwee naar de mens betoogd. Mijn stelling van vanavond is eigenlijk
een heel eenvoudige, namelijk dat onze ervaring van de tijd als belangrijk
structurerend psychologisch, sociaal en existentieel prinicpe in steeds
grotere mate beinvloed wordt door economische wetten. De economie kortom
regeert de tijd en, belangrijker nog, ook ieders persoonlijke tijdservaring.
De vraag vervolgens is welke ervaring er door deze tendens wordt uitgevlakt
en wat dat met ons, als individuen en als leden van een samenleving,
doet. Tenslotte zal ik proberen aan te geven of er geen andere tijd
of tijdservaring aan de horizon gloort die tegen deze louter economische
tijd verzet zou kunnen bieden.
Hoe ervaren
we de tijd? Een eerste meteen in het oog springende vaststelling is
dat we de tijd steeds meer als een schaarsteprodukt zijn gaan ervaren.
En dat is al met al opmerkelijk. Want hoe meer tijdsbesparende machines
er de afgelopen honderd jaar ook bij zijn gekomen, hoe minder tijd we
niettemin lijken te hebben. Hoe sneller we ons ook van A naar B kunnen
verplaatsen, hoe minder tijd we hebben eens rustig een poosje in B.
te blijven. Snellere vervoersmiddelen hebben niet tot minder reizen,
maar tot het afleggen van langere afstanden geleid. Bovendien moeten
we alles, vanwege de door de economie opgezweepte werkdruk, steeds sneller
en efficienter doen. Onze huizen staan vol met spullen, de mogelijkheden
van nog meer kopen, nog meer doen, nog meer reizen zijn onbegrensd,
maar ons ontbreekt structureel de tijd om er ook werkelijk te genieten.
In plaats van dat de consumenten soeverein zijn, spreken economen als
Galbraith over pruducentensoevereiniteit – tot uitdrukking komend
in het maar blijven stimuleren, mangelen en aankweken van consumentenverlangens
met als enig oogmerk het realiseren van de targets die gesteld zijn
aan de eigen winst en omzet.
Hoe meer tijd we kortom met alle mogelijke technologische uitvindingen
hebben gewonnen, hoe meer tijd we verloren hebben. De tijd zelf lijkt
onderhand onze grootste vijand te zijn geworden. Tijd is iets dat ten
volle benut moet worden; elke dag, elk uur, elke minuut moet worden
ingevuld met activiteit, met nut, met doelmatigheid; elk verloren uurtje
geldt als een aanslag op onze identiteit. Ledigheid is meer dan ooit
des duivels oorkussen. Zelfs de vrije tijd wordt in toenemende mate
met activiteit, vermaak, amusement, winkelboulevards, braderieen en
andere recreatieve handelingen ingevuld, zie hiervoor de documentaire
Pretpark Nederland. Het is letterlijk tijdsverdrijf geworden, het verdrijven
van de lege uren van de vrije tijd. Alsof de tijd ons angst inboezemt.
Alsof lege tijd ons uitlevert aan onszelf, ons plotseling met ons zelf
alleen laat zijn, een situatie die we blijkbaar liever mijden. Alsof
we de tijd niet langer aan onszelf hebben, maar deze aan iets buiten
ons hebben overgedragen. Freek Broekman spreekt in zijn onlangs verschenen
boek Alle waar is naar zijn tijd in die zin over gezagsgebonden tijd,
waarbij iedere vorm van zeggenschap over de eigen tijd ontbreekt.’
Hij geeft voorbeelden van slavernij en het moeten werken voor een hongerloontje,
van onderdrukte bevolkingen onder totalitaire regimes en strenge tijdregimes
in gevangenissen en ziekenhuizen. Maar het is langzamerhand de vraag
aan het worden of de westerse mens in zijn algemeenheid niet onder het
regime van een gezagsgebonden tijd staat en of die tijd niet in de handen
van onze huidige Big Brother, namelijk die van Wall Street ligt. De
eisen van prestatie en nut, de race tegen de klok en de overvolle agenda's
zorgen er voor dat de aandacht voor de gemeenschappelijke wereld verslapt,
dat er sowieso nauwelijks meer langdurige aandacht voor iets lijkt te
kunnen worden opgebracht. Als er maar een moment van verveling, van
langdradigheid dreigt, zappen we als neuroten naar een ander opwindingsmoment.
We willen
wel onthaasten, rust vinden, consuminderen en vertragen, maar het lijkt
ons maar niet te lukken. En toch wordt rust en niets doen van oudsher
als een van de belangrijkste voorwaarden voor reflectie, creativiteit
en cultuur, kortom als de grondslag van beschaving gezien, zoals de
Duitse filosoof Josef Pieper in zijn gelijknamige boek stelt. Niet voor
niets stamt het woord school af van het Griekse woord schole, dat rust
betekent. Pas in rusttoestand, in de interval tussen twee handelingen,
kunnen we tot bezinning komen, opent zich als het ware de ruimte van
het denken, die zich door geen vooropgesteld doel of nut, geen economisch
principe laat sturen of opjagen. Sinds Plato en Aristoteles, schrijft
Timo Slootweg in zijn inleiding op de onlangs verschenen essaybundel
Bij tijd en wijle, geldt daarom juist de rust als de belangrijkste ontologische
bestaansvoorwaarde van cultuur. De belangrijkste taak van een democratisch
staatsman bestaat er dan ook in juist die rust te bevorderen. Daar tegenover
staat de tiran die zijn totalitaire macht wil vergroten door het volk
continu bezig en onledig, dat wil zeggen rusteloos en niet nadenkend,
te houden. Niet in de Vita activa, het actief ingespannen werkzame leven,
maar in de rust, de vita contemplativa, ligt het fundament voor cultuur.
Maar hoe ver zijn we inmiddels niet van deze gedachte verwijderd geraakt?
Druk bezig zijn, een volle agenda hebben, veel gevraagd en gebeld worden
is synoniem met een succesvol bestaan. Als er op een ochtend nauwelijks
mails of andere berichten binnenkomen, slaat de vertwijfeling bij de
moderne mens reeds toe. Leegte, rust en ledigheid zijn de angstaanjagende
voorbodes van een tot mislukking gedoemd bestaan in de marges van de
maatschappij. We laten ons liever door de hijgerige adem van de economische
tijd opdrijven dan rust te nemen. Wie realiseert zich bij dit alles
nog dat tijd simpelweg een afspraak is, of, om het met de schrijver
Sebald te zeggen, dat `tijd van alle uitvindingen verreweg de meest
kunstmatige is’ of dat het huidige, strak geuniformeerde tijdsregime
pas van heel recente oorsprong is? Het is nog niet eens zo heel erg
lang geleden dat de in het uurwerk gekanaliseerde tijd als bedreiging
van het menselijke welzijn werd gezien. Waar de klok, of het meten van
de tijd aan het eind van de Middeleeuwen nog bejubeld werd als Gods
eigen uitvinding, werd deze in de loop van de 19e eeuw steeds vaker
als symbool voor rigiditeit, kunstmatigheid en tirannie gezien, aldus
Douwe Draaisma in zijn boek over de tijd. Hij noemt laat 19e eeuwse
schrijvers die de tijd, zoals Baudelaire, als een duivel, als een dieu
sinistre zagen. Ook Jules Verne's Reis om de wereld in 80 dagen, is
daar een voorbeeld van, alhoewel het satirische aspect in de meeste
verfilmingen is weggevallen. Want de hoofdpersoon wint welliswaar zijn
weddenschap om in 80 dagen de wereld rond te reizen, maar heeft van
die wereld niets behalve de klokken en de borden met aankomst en vertrektijden
gezien. Ook schrijvers als Poe benadrukten het dwingende, overheersende
regime van de tijd, met dodelijke gevolgen voor de mens, zoals in Pit
and the pendulum, waar het uurwerk een kolossale slinger is die steeds
dichter tegen het hoofd van de gevangene, de door de kloktijd gevangen
genomene, zwaait. Hier wordt de tijd tot een demon, aan wiens macht
diabolische krachten worden toegekend. Of denk aan Charlie Chaplin’s
film Modern Times, waarin de mens in een gigantisch gevecht met de tijd
is verwikkeld.
Maar deze kritische geluiden lijken inmiddels zo goed als verstomd.
En dat, terwijl de tijd, als een steeds meer van het persoonlijke leven
geabstraheerd en door de wetten van het geld geregeerd regime, ons steeds
meer op de hielen is gaan zitten. Wat kunnen wij ons nu nog voorstellen
bij de filosofische bespiegeling over de tijd van Augustinus, die schreef
dat `de ware tijdmaat in ons zelf zit, als een uitbreiding van de eigen
ziel.' Wie kan er nog navoelen, als we ons haastig van de ene naar de
andere afspraak spoeden, dat we in ons zelf, in onze eigen geest, de
tijd meten. `U meet ik, wannneer ik de tijd meet. Mijn me-bevinden zelf
(de vertaling is van Heidegger, waarvoor excuses) meet ik wanneer ik
de tijd meet.'. We meten ongetwijfeld van alles, en met name de tijd
die ons nog rest, als een soort continue schaarsteobjekt, maar niemand
die het nog in zijn hoofd haalt te denken dat hij met het meten van
de tijd het `me-bevinden' zelf of kortom de diepte van zijn eigen ziel
meet. Wat we met Augustinus echter niet moeten vergeten, is dat de manier
waarop de tijd ervaren wordt maatgevend is voor de manier waarop we
ons zelf ervaren. Als we deze gedachte koppelen aan de eerder geponeerde
stelling dat alleen ledige tijd ons stelt voor ons zelf, ons dwingt
een verhouding aan te gaan met ons zelf en tegelijk geconstateerd hebben
dat het eigenlijk gedaan is met deze ledigheid, lijkt de analyse gerechtvaardigd
dat we, onder de druk van de economische tijd, inmiddels zijn overgeleverd
aan zielloosheid en zelfloosheid.
Als de tijd alleen nog een universeel en in economische termen uitgedrukt
principe is, dan vervalt niet alleen de mogelijkheid van een eigen,
subjectieve verhouding tot de tijd, en daarmee tot de wereld, maar ook
de mogelijkheid van de rust als een gelaten-ontvankelijke toestand van
de ziel, die ten grondslag ligt aan reflectie, bezinning en creativiteit.
Als het niet of niet genoeg hebben van tijd en het verdrijven van ledige
tijd onze grootste dwanggedachte is, dan heeft dit gevolgen voor zowel
het openbare als het persoonlijke leven. Als de tijd, of liever de idee
fixe van het ontbreken van tijd, het excuus wordt om niet te lang bij
de dingen stil te staan, om beslissingen niet zorgvuldig te overwegen,
om maar voort te gaan louter en alleen omwille van de voortgang zelf,
uit angst om de boot te missen, zonder zich af te vragen waarheen die
boot zeilt, dan zal de mens zich meer en meer als een uniform wezen,
een kuddedier gaan ontwikkelen, waarbij de belangrijkste voorwaarde
voor een democratisch bestel, namelijk de pluraliteit, het onderling
kunnen en mogen verschillen van mensen, zoals Hannah Arendt niet ophield
te benadrukken, in gevaar komen. Want de mens als louter consumptiedier
leeft niet in afstand tot zichzelf en heeft daarmee de reflectieruimte
opgeheven die nodig is om een eigen standpunt te ontwikkelen en zich
te kunnen en durven onderscheiden van anderen.
Daarom is het nu tijd, de hoogste tijd, de mogelijkheid van een andere
tijdsdimensie dan de strikt economische te verkennen. In zijn boek L'évolution
créatrice (1907) stelt de Franse filosoof Bergson dat de samenleving
en wetenschap de werkelijkheid niet als een dynamisch en continue geheel
beschouwen, maar slechts als een serie `snapshots'; van de werkelijkheid
geabstraheerde momentopnamen. Deze lineaire tijd negeert de onderlinge
verhoudingen, en kan de werkelijkheid slechts in kwantitatieve, ruimtelijk
verbanden vatten, waarbij de kwalitatieve en in tijd verankerde kenmerken
komen te vervallen. Bergson onderscheidt deze lineair meetbare tijd
van de tijd als duur, die niet meetbaar is, maar wel wordt ervaren in
het innerlijk, of liever gezegd, die de ruimte van de innerlijke ervaring
pas opent. De tijd als `duur' (durée) is heterogeen; een ondeelbaar
vervlieden en voortdurend worden. Hij omschrijft deze tijd als duur
als volgt: `De zuivere duur is de vorm die de opeenvolging van onze
bewustzijnstoestanden aanneemt, wanneer ons ik zijn leven op zijn beloop
laat, oftwel in het frans, quand notre moi se laisse vivre, als ons
zelf zich laat leven.’ Het is de tijd die we in rusttoestand ervaren.
De tijd als duur is voor Bergson niet een door taal of ratio bemiddelde
voorstelling, maar een onmiddellijke ervaring. Er zijn volgens hem dus
twee vormen van tijd en twee vormen van ervaring. De eerste doet zich
aan ons voor in de vorm van meetbare, elkaar opvolgende feiten, de tweede
getuigt van een wederzijds in elkaar doordringen, van een organisch
geheel, vijandig aan wet en maat, `zoals we ons soms de noten van een
melodie als het ware samengesmolten herinneren.’ Iedere noot op
zich is niets, pas in z’n verloop is het muziek. Bergson, het
moge duidelijk zijn, gaat het om deze tweede ervaring, dit tweede tijdsbegrip
van de tijd als duur, dat de meest wezenlijke ervaring voor de mens
zou bevatten. Bergsons tijd als duur is de élan vital het wezenlijke
kenmerk van het leven. De economie en de wetenschap moeten echter, om
te kunnen functioneren, bijna noodzakelijkerwijs deze tijd de rug toekeren
en de tijd in kleine, meetbare deeltjes onderbrengen, waardoor het beeld
van een lineaire tijd ontstaat.
Het verschil tussen lineaire tijd en tijd als duur betrekt Bergson op
het onderscheid tussen een `ik' dat handelt volgens de principes van
het verstand en een zelf - le moi profond - dat met het dynamische en
pluriforme élan vital verbonden is. Bergsons typering van de
mens als enerzijds een homogeen, rechtlijnig en rationeel `ik' en anderzijds
een heterogeen, diep en onherleidbaar `zelf' zal overigens in telkens
andere gedaantes, van het denkende ik van Hannah Arendt tot het schizo-subject
van Deleuze, in het werk van 20 eeuwse denkers terugkeren. Vooralsnog
beperk ik me hier tot Bergson. Meestentijds zijn we volgens hem dat
handelende ik, een bewust `automaton', die verstandelijk reageert op
prikkels uit de omgeving. Soms echter breekt door deze `korst van mechanische
handelingen' de ervaring van de tijd als duur heen. Dat is wat ons in
de liefde overkomt, of in de bezinning, de reflectie, de kunst, of in
andere intense ervaringen met een verhoogde concentratie, waarbij je
het gevoel voor het verstrijken van tijd als het ware verliest.
De liefde is zo'n tijdsrebel, omdat het de greep van de alsmaar lineair
voorthollende tijd doet verslappen. Ineens wordt er niet meer zo vaak
op horloges en in agenda's gekeken, liggen we zomaar overdag urenlang
in bed, terwijl dit, althans voor de meesten van ons, toch geen cent
oplevert. Merkwaardige verkwisting van tijd! Verspilling en nutteloosheid
kenmerken de verliefden, die als het ware in een intermezzo op de tijd
leven. Alsof er zich plotseling door de horizontale as van de economische
tijd een andere, verticale tijd heen heeft geboord, waarlangs ze veilig
de diepte in kunnen kruipen en voor enkele ogenblikken dit wegvallen
van tijd kunnen genieten. Dan worden afspraken vergeten, wordt er op
het werk verzuimd, wordt ledigheid een goddelijk oorkussen en lijken
geld, status en macht ineens volstrekt onbelangrijke zaken te zijn.
Maar ook in het denken en in de kunst krijgt de tijd als duur een kans.
Juist omdat de schrijver, de kunstenaar een brug slaat naar het zelf
en een poging doet te putten uit nog onbekende bronnen, uit een heel
eigen en particulier reservoir aan herinneringen en ervaringen, ontwikkelt
hij deze intuitie voor de tijd als duur, die Bergson `het voorgaande
leven van een geheugen dat het verleden voortzet in het heden’
noemt. Of zoals Joseph Brodsky het verwoordde: ik haal herinneringen
op, omdat omzien meer voldoening schenkt dan vooruitzien. Want van het
verleden gaat niet zo'n enorme eentonigheid uit als van de toekomst.'
Brodsky gaat zelfs zo ver dat hij een onderscheid maakt tussen twee
typen mensen, de omziende mensen, die hij menselijker en rijker noemt
en de vooruitblikkende, plannende, op de toekomst gerichte mensen, de
ondernemers die nooit ergens stil bij wensen te staan, niet bij het
heden en zeker niet bij het verlden, en die liever hun jeugdherinneringen
verwerpen, ware het alleen maar omdat ze er volgens Brodsky een grondige
hekel aan hebben zich de tijd te herinneren dat ze zelf rondgecommandeerd
werden. Voor hem is de herinnering echter de stem van de ander in het
ik, we kunnen hierbij denken aan le moi profond van Bergson, die ongrijpbare
schim, die hem telkens tot schrijven aanzet.
Dat brengt
me op het volgende punt. Om te kunnen omzien, om te kunnen herinneren,
zijn rust en afstand nodig en we kunnen ons afvragen of de moderne westerse
mens in zijn volgepropte en opgejaagde heden daar nog wel aan toekomt.
Ons leven wordt beheerst door een hectische bedrijvigheid en bovendien
worden we ook nog eens door de expansieve groei van de media bedolven
onder elkaar in ras tempo opvolgende beelden, impressies en indrukken,
die de primaire menselijke behoefte aan omzien in verwondering steeds
meer naar de achtergrond drukt. Ook dat laat de ervaring van de meer
subjectieve en als het ware onderhuidse tijd als duur uit het zicht
verdwijnen.
Maar waarom is dat nu zo erg? En moeten we, als echte postmodernen,
dit niet juist toejuichen in plaats van weer eens de cultuurpessimist
uit te hangen?
Bovengenoemde ervaringen van de liefde, de kunst, de aandacht en concentratie
op het verleden bevrijden ons niet alleen van de greep van de lineaire,
economische, opdrijvende tijd, maar maken ons er ook van bewust dat
we meer dan verstandelijke, producerende en consumerende wezens alleen
zijn, meer dan willekeurige en inwisselbare schakels in een wereldwijde
produktieketen. Ze herinneren ons eraan dat er een welliswaar moeilijk
benoembare, maar daarom niet minder belangwekkende tijdsdimensie en
het daaraan gekoppelde ervaringsbereik in ons zelf ligt opgeslagen,
die volstrekt uniek en niet inwisselbaar is. Er is ons met andere woorden
ook een tijd in onderpand gegeven, een tijd die als een onderzeeboot
onder onze bewuste identiteit vaart, en die ons de mogelijkheid biedt
afstand te nemen, een interval in te bouwen, tot reflectie te komen
en zowel van ons ìk’ als van de ander te verschillen. Een
tijd die het unieke in ons een kans geeft, waardoor we ons tegen het
steeds dwingerder regime van uniformiteit in, kunnen verzetten.
Maar hoezo: onderzeeboot, hoezo onderpand, hoezo onderhuids?
Laat me dit, tenslotte, met een wat mysterieus literair personage verduidelijken,
want zodra we het over de tijd als duur hebben, schiet de wetenschappelijke
taal tekort en moeten we onze toevlucht tot de literatuur nemen. Undine
is een mythologisch Noord-Europees onderwaterwezen, ook wel Melusine
of Ondine geheten, die de hoofdpersoon is in een verhaal van de Oostenrijkse
schrijfster en filosofe Ingeborg Bachmann in haar verhalenbundel Het
dertigste jaar. Undine kan alleen uit haar onderwaterwereld verrijzen
als de mens haar roept, en zij aan het verlangen om boven de beperkingen
van zijn identiteit, van zijn rationele ik, uit te stijgen, mag beantwoorden.
Undine komt, omdat de mens `graag speelt met de gedachte aan fiasco,
vlucht en ondergang’ die hem verlossen kan van al het bestaande,
dat wil zeggen van het gereglementeerde bestaan dat hij leidt. Want
`heimelijk is de mens het nooit met zichzelf eens, niet met zijn huis,
zijn werk, zijn leven, niet met alles wat vastligt.’ Undine luistert
naar deze roep om verlossing, deze roep om een vlucht uit zijn bestaan,
komt op natte voeten in de nacht, en even lijkt het erop dat ze met
open armen wordt ontvangen. `Omdat ik voor geen gebruik bestemd ben
en jullie je niet voor een gebruik bestemd wisten, en aan niets nuttigs
dachten en niets bruikbaars, was even alles goed tussen ons. We hielden
van elkaar. We waren van dezelfde geest.’ Als ze komt, dan spreekt
ze de ban uit over de tijd: `Sta stil, tijd!’ Want Undine heeft
geen plannen voor de toekomst, geen carrierepad, wil geen nest bouwen,
geen lijfrente of verzekeringspolis, ze wil niet kopen of zich laten
kopen, Undine wil nergens zijn en nergens blijven, ze wil duiken en
rusten, zich zonder krachtsinspanning bewegen. Ze is een typische vagabond,
een outlaw en outcast, een rebel without a cause, een subversief personage
dat klaagt over de principes van nut en winst die onze westerse wereld
in de greep houden, en over het gebrek aan liefde. Maar elke keer als
ze geroepen wordt, en als ze boven water komt, en getuigen wil van de
nachtlucht, de kustlucht, de grenslucht, om steeds weer adem te kunnen
halen voor nieuwe woorden, voor een onafgebroken bekentenis, dan komt
de mens `nog net op tijd tot inkeer’ en dringt haar weer terug
naar haar onderwaterwereld.
Maar daarmee is ze nog niet verdwenen. Ze trekt zich slechts terug in
haar verzonken land, haar Atlantis, dat als het ware als een permanente
onderstroom onder ons handelende ik verscholen ligt. Is het het land
van onze vroegste kindertijd, waarvan we ons in taal niets bewust kunnen
herinneren, omdat we toen nog niet konden spreken en nog geen onderscheid
konden maken tussen ik en de anderen, maar alles als een samenhangend
geheel ervaarden? Zijn het de onbewuste, verdrongen ervaringen van ons
leven, is het de tijd als duur? Het maakt niet zoveel uit wat het is,
zo lang deze andere subjectiviteit, en deze andere tijdservaring maar
niet ontkend wordt. Want in ieder van ons huist een Undine. Zij, hoe
onzichtbaar en onbenoembaar ook, maakt het pas mogelijk dat we onze
stem kunnen verheffen, dat we als het ware afstand tot ons rationele,
arbeidzame ik kunnen innemen en, met een been, of een teen, in haar
onderwaterwereld, tot uitdrukking van onze singulariteit kunnen komen.
Kortom, en vandaar de wat curieuze titel van deze lezing, we all live
in her yellow submarine, of leiver, in all of us lives a yellow submarine.
|
|
We
zijn kortom altijd en op z’n minst met zijn tweeen. Aan
de ene kant zijn we onze geschiedenis, met alle feiteleijke gegevendheden
die daarbij horen, klasse, sekse, ras, leeftijd, beroep, kortom
de som van eigenschappen die we kunnen beschrijven. De tijd die
bij dit factisch of historisch zijn hoort, is de lineaire tijd,
de van minuut tot minuut voortlopende tijd. Aan de andere kant
zit een veel lastiger te benoemen zelf, le moi profond, dat ons
in staat stelt een zekere afstand tot onze feitelijke bepaaldheden
in te nemen, zodat we daar niet volledig mee samenvallen, er niet
door gedetermineerd worden, maar deze kunnen interpreteren, zodat
we tot een zekere omgang met de sociale en culturele feiten die
ons leven bepalen kunnen komen. Dit zelf kent een andere tijdsdimensie,
die van de duur, en lijkt op een onachterhaalbaar ver verleden
dat niettemin doorsijpelt in het heden, en ons overkomt, als het
ik, zoals Bergson zo mooi zegt, zijn leven op zijn beloop laat,
se laisse vivre. |
|
|
Als we
iets van die ander willen weten, is het noodzakelijk uit de economische
tredmolen te stappen, een pas op de plaats te maken en in rust en ledigheid
de confrontatie ermee aan te gaan. Als we onze intuitie voor die ander
willen ontwikkelen, is het zaak ons naar de kunst, naar de literatuur
te richten, waar zij, op steeds andere wijze van zich doet spreken.
We hoeven maar een boek op te pakken of we kunnen de tijd als duur door
de woorden heen zien stromen. Sommige schrijvers als Ingeborg Bachmann
of Virginia Woolf of Samuel Beckett in zijn Malone trilogie hebben de
euvele moed gehad die ander tot hoofdpersoon te maken, anderen pakken
het bescheidener aan. Een voorbeeld van pure onbescheidenheid, mag ik
wel zeggen, is een dichter van nederlandse bodem die van die ander het
titelpersoange van zijn 3e bundel heeft gemaakt, de Aantochtster geheten,
en ik kan er dus, ondanks de verdachte nabijheid van deze dichter in
mijn leven, eigenlijk niet om heen die bundel hier te noemen. De Aantochster
krijgt van Henk van der Waal nog vele andere namen, de aanzegster bijvoorbeeld
die `zich aanschurkt tegen het onbestemd bestaande’ en `ver uitkijkt
boven het keurig geknipte hekje van je menselijkheid’, want zij
is , `heel anders dan je denkt’ . Zij gaat `prat op jouw dwaasheden’,
en `wentelt zich om jouw as’ , `zij bespoedigt zich niet in het
afgekloven ideaal van medemenselijkheid of in werken van welke aard
ook; wel is ze op komst zodra je je gezocht weet of misschien wel getroost
vanwege het neerslaan van schoonheid’, zij lijkt kortom nogal
op Undine, deze `berijdster van lucht, `die ons houdt op de drempel
van haar wereld, waar een mug geen mug is, en een olifant een roos’;
deze afwezigheidswekster `die zwarte stemmen laat wellen uit de hemel’,
zij is, en dat is veelzeggend, een verklonteraarster van hersenweefsel
en een `toekomstweefster die jaarringen haakt om de geschiedenis,’
`zij strijkt haar handen in tegen de wijzers van de klok en legt een
knoop in je denken: niet als opmaat voor einde, maar als voorproefje
van aanvang, zij is kortom onze `4e persoon enkelvoud, die `halsbreekster
en bandeloze ja-knikster die het uiterste geeft en ten behoeve van de
terugdeinzers/ voor de dood met fluwelen hand / dominosteentjes uit
de rij tegen elkaar tikkende seconden tilt tot niets meer voor valt
en de tijdgevoeligen gehouden zijn in het nooit van wat wordt: pure
hoop.’
In ieder
van ons huist zo’n 4e persoon enkelvoud, die Henk van de Waal
als geen ander in het nederlands taalgebied heeft geprobeerd te benaderen
en te omcirkelen, omwille van die hoop, dat we meer zijn dan we denken,
dat er een ander is, die `de bewoonster is van onze rest’ en `poeder
maakt van de tijd’ en ons wegtrekt uit `het loeien van de bestaanbaarheid’,
en zo de spanningsverhouding of dialoog tussen ik en zelf mogelijk maakt,
die voorkomt dat we gelijke en inwisselbare personen worden. Maar om
tot deze dialoog tussen ik en zelf te komen, zoals Hannah Arendt overigens
de activiteit van het denken zelf karakteriseert, is een andere tijd
dan de strikt economische noodzakelijk`. Wat we niet mogen vergeten
in deze dagen van de zegetocht van het kapitalisme, is dat deze van
de mens een manipuleerbare verlangensmachine wil maken, die zich een
draai in de rondte werkt om maar af te kunnen nemen wat de producenten
produceren. De economie is niet geinteresseerd in dubbelhied van tijd
en subjectiviteit, heeft een broertje dood aan die 4e persoon enkelvoud,
die ons er maar toe aan zou zetten uit de ratrace te stappen en consumptie
te weigeren.
Daarom
dit pleidooi voor meer aandacht voor die andere tijd van Undine, van
de Aantochtster, die `kopje duikelt in de hand van de tijd’, voor
een tijd die zich niets aantrekt van verlies en winstrekeningen, voor
een tijd die ruimte geeft aan periodes van rust, van pure luiheid voor
mijn part, voor niets doen en niets willen. Daarom deze kanttekeningen
bij de grote vreugde van de premier dat we allemaal zo vreselijk hard
aan het werk zijn. Daarom dit `politiserende’vergezicht, in een
poging de dijken rondom ons calvinistische landje door te breken, en
de yellow submarine het ruime sop te geven, zodat het onderzees verzet
jegens de dominante tijdsgeest kan beginnen. Misschien is het zelfs
wel tijd om naast de bestaande politieke partijen, die bijna allemaal
tot een vorm van economisch liberalisme zijn vervallen, een partij van
de bij tijd en wijle arbeidslozen en nuttelozen op te richten. Ik nodig
u daarom bij deze allemaal van harte uit om na de pauze zoveel mogelijk
kritische en creatieve programmapunten daarvoor aan te dragen. Want
er moet toch in Den Haag nog een zeteltje te winnen zijn, waarop we,
zoals de dichter Hans Andreus schreef, `als mens kunnen gaan zitten.’
Maar als mens kun je gaan zitten / je hebt het druk genoeg/ en buiten
op je huid / staat al genoeg geschreven/ rimpelschrift: wartaal van
leven / maar als mens kun je gaan zitten / en praten met jezelf.
Het is
tijd, de tijd is op, mijn tijd zit erop, dank voor uw aandacht en uw,
zeker in deze tijden, bewonderingswaardig uithoudingsvermogen.