‘Het dik maken van tijd’

Over 'De sneeuwslaper', (2009) van Marlene van Niekerk
Recensie in de Volkskrant, december 2009.

Is het mogelijk verhalen te schrijven op dezelfde manier als Escher zijn Möbius- of mierenband tekende? Dankzij het optische bedrog van deze tekening lijkt het of het achtvormige lint waarop de mieren lopen niet twee verschillende zijden heeft, maar slechts één, waardoor de mieren oneindig lang door kunnen lopen. Escher probeerde hiermee de vierde dimensie van de ruimtetijd te verbeelden; ruimte en tijd zijn met elkaar verbonden en stromen in elkaar over, als in een oneindig continuüm. Kun je een dergelijke illusie van oneindigheid ook in literatuur scheppen? Is het mogelijk een verhalenbundel te schrijven die nooit ophoudt, omdat de verhalen onderling zo sterk met elkaar verwoven zijn en de verschillende personages steeds opnieuw opduiken en in elkaars staart bijten, dat het niet duidelijk is wie er aan het woord is noch wat het begin of einde van het boek is? Ja, dat is mogelijk, want de Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene van Niekerk heeft in haar nieuwste verhalenbundel De sneeuwslaper bewezen dat het kan. Hiermee introduceert zij niet alleen een vorm van ‘oneindig’ lezen, maar tovert zij ons ook een fascinerend spel met focus, perspectief en tijd voor ogen.

De afgelopen maand kreeg Marlene van Niekerk een eredoctoraat van de Universiteit Tilburg voor haar gehele literaire werk uitgereikt. Dat werk bestaat inmiddels uit enkele dicht- en verhalenbundels en de drie grote romans, Triomf (1994), Agaath (2004) en Memorandum (2006), waarin de sociaal-politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika, de trauma’s van de apartheidsperiode en de complexe verhoudingen tussen de witte en zwarte bevolkingsgroepen geschetst worden. De recente verhalenbundel De sneeuwslaper werd in opdracht van de Universiteit Utrecht geschreven. Men maakte zich in Utrecht zorgen over de terloorgang van het literatuuronderwijs in Nederland en vroeg de schrijfster om raad. Wat kan de roman in deze materialistische tijden nog betekenen? In plaats van een doorwrocht academisch betoog, schreef Van Niekerk De Sneeuwslaper, waarin zij haar eigen poetica ontvouwt. Literatuur moet spannend, kritisch en vooral ook: niet te gemakkelijk zijn. Literatuur moet de lezers uitdagen en hun hersens aan het werk zetten, zelfs tot aan het punt waarop deze, net als bij het bekijken van Eschers tekeningen, dreigen te ontsporen. Dat laatste woord is dan ook een kernbegrip van Van Niekerks poetica. Ontsporing blijkt een voorwaarde te zijn om kritisch naar de samenleving en de heersende status quo te kunnen kijken.Vandaar ook dat er zoveel daklozen, zwervers, marginalen en overige ontheemden optreden in haar werk. Zo ook in deze verhalenbundel. Vanuit hun ontspoorde positie brengen zij de vele oneffenheden van de rails waarover de trein van de samenleving dendert in zicht.

Dat de verhalen van De Sneeuwslaper een merkwaardig soort loop vormen, omdat ze op fascinerende wijze worden teruggekoppeld in zichzelf is overigens niet alleen een vernunftig literair trukje van de schrijfster, maar vooral een poging om ook de lezers te laten ontsporen, zodat zij hun vaste denkpatronen verlaten en met andere ogen naar de werkelijkheid kijken. Niet alleen naar de sociale misstanden van de westerse maatschappij, maar ook naar de meer fundamentele principes van tijd en ruimte die onze levens structureren. Het scherpst komt dit naar voren in het tweede verhaal van de bundel, ‘De slagwerker’, dat een grafrede is van de antiquair en klokkenrestaurateur Jacob Kippelstein voor zijn overleden vriend, de schrijver Willem Oldemarkt. Waar de klokkenmaker zich geen literaire knollen voor citroenen wil laten verkopen en er een nogal mechanistisch wereldbeeld op na houdt, probeert de schrijver zijn vriend toch telkens opnieuw tot de kracht en rijkdom van de fictie en de verbeelding te verleiden. De beide oude mannen zijn als ‘Kronos en Kairos’, schrijft Van Niekerk, volgens de Griekse filosofie de twee gezichten van de tijd, waarbij de eerste voor de meetbare en kwantitatieve kloktijd staat, en de tweede voor de kwalitatieve, innerlijke tijd. Hoewel ze elkaars tegenstrevers en tegenpolen zijn, kunnen ze niet zonder elkaar: ‘Ik, de klokkenmaker, was de onverstoorbare einder waartegen hij kon schaduwboksen’. Pas als ze de vooroordelen die ze over elkaar koesteren laten varen, en zich in elkaars gezelschap uitleveren aan de ander, vormen ze ‘een paar dat in dit ondermaanse troost en steun bij elkaar kon vinden’.

De apotheose van hun vriendschap wordt tijdens een uitzinnige jamsessie van keukeninstrumenten gevierd, waarbij de tijd ‘dik gemaakt wordt’ en zij de ‘kaasmakers worden in de wei van seconden.’ Nog nooit heeft Jacob, de ‘specialist in tijd’, zich zo nabij zijn vriend, ‘de specialist in fictie’, gevoeld. Voor de ‘allereerste keer in zijn leven’ was hij ook niet langer bang ‘voor de nabijheid van een ander mens.’ Wat daar gevierd wordt, is behalve de angstloze nabijheid van de vriendschap, hun wederzijdse ‘weerloosheid’ en ‘onmacht bij het overrompelende zozijn van de dingen.’ De schrijver draagt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor dit mysterieuze zozijn van de dingen, dat hij echter niet zonder de medewerking van zijn vriend de klokkenmaker op papier kan krijgen. En zo staat dit curieuze vriendenpaar voor de verhouding tussen tijdgebonden werkelijkheid en tijdloze verbeelding, die, hoe haaks ze ook op elkaar staan, niet zonder elkaars gezelschap kunnen, willen zij beiden levensvatbaar blijven. Of de dood van de schrijver in dit verhaal tevens de bittere voorspelling inhoudt dat deze vriendschap onder de druk van de ‘tijd is geld’ moraal en de ‘kapitalistische waanzin’ tot het verleden kan gaan behoren, laat zich raden. Voordat wij ons echter bij de rouwstoet moeten aansluiten, kunnen we nog Van Niekerks overrompelende verhalenbundel lezen, die meer troost biedt dan menig academisch vertoog over de verhouding tussen literatuur en werkelijkheid.

Joke J. Hermsen