Over Sferen van Peter Sloterdijk.
SLAA, 17 april


Een van de mooiste fragmenten uit Sloterdijks Sferen, en dat zijn er overigens heel wat, staat wat mij betreft meteen helemaal vooraan in het boek. Dus mocht u niet veel tijd hebben, lees dan toch vooral de eerste bladzijden. Hier, in Sloterdijk zo typerende flamboyante, barokke en zelfs enigszins wellustige stijl, beschrijft hij een voor ieder van ons vertrouwde scene; een kind dat bellen blaast. In heel zijn schilderachtige eenvoud verwoordt deze scene de intentie van dit even omvangrijke als indrukwekkende filosofische werk. Vandaar dat ik u er graag een paar regels uit voor wil lezen:

Het kind kijkt de zeepbellen na die het uit het pijpje waarmee het zojuist bedacht is de hemel in worden geblazen. Trillend en vol leven maakt zich een grote ovale ballon van het pijpje los, die door de bries wordt meegevoerd en wegzweeft over de straat. Hij wordt gevolgd door de hoop van het betoverde kind, dat zelf met zijn wonderbel de ruimte in zweeft, als was zijn lot voor een paar sekonden lang met dat van het nerveuze voortbrengsel verbonden. Wanneer de bel na zijn bevende vlucht ten slotte uiteenspat, slaakt de zeepbelkunstenaar op het balkon een kreet die tegelijk teleurstelling en vreugde uitdrukt. Zolang de bel leefde was de bellenblazer buiten zichzelf geweest, als hing het voortbestaan van de bol af van het feit dat hij gehuld bleef in een meezwevende aandacht. Op de plek waar de bel uiteenspat, blijft de uit haar lichaam getreden ziel van de bellenblazer een ogenblik alleen achter, als had ze zich op een gezamenlijke expeditie begeven en halverwege haar partner verloren. Maar dan gaat het spel weer onvermoeibaar verder. En ook een volgende bel is voor de maker het instrument van een verrassende zielsexpansie. Omnerkbaar wordt het spelende kind een inzicht geopenbaard dat het later op school weer zal verleren: dat de geest op zijn manier zelf in de ruimte is’

Dat zijn de vragen die Sloterdijk zullen begeleiden bij het schrijven van het eerste deel van zijn Magnus Opus, eenvoudigweg Bellen geheten. Want de mens leeft in bellen, door Sloterdijk ook wel sferen genoemd, we hebben het vanavond al eerder gehoord, in `ruimtescheppingen, die als immuunsysteem werken en waarin een hechte band gesmeed wordt tussen mensen en hun bezielingsmotieven.' (p.25). Niet langer staat de vraag naar het wat of het wie van de mens centraal, maar de vraag waar we zijn als we in de wereld zijn. Sloterdijks voorlopige antwoord is dat we in een buiten zijn, dat binnenwerelden draagt, en waarom heen we onze eigen bellen, onze eigen sferen blazen. De bel is een intieme, ontsloten, gedeelde ruimte die mensen bewonen, `voor zover het hen lukt mens te worden', een opmerkelijke toevoeging, waar ik later nog op terug zal komen, want blijkbaar is het ook mogelijk om daarin te mislukken, de bel is kortom een plek `die mensen scheppen om te kunnen zijn die ze zijn'(22), nadat de Grote Eerste Bel waarin we de daarvoor eeuwenang gelukzalig en genotsvol hingen uiteengespat is.
Tot aan het einde van de middeleeuwen hingen we tevreden in de bel die God om ons heen geblazen had, veilig omringd door Zijn adem die het kille niets uit het universum wegblies en bezielde met zichzelf. De menselijke wereld als een door God geschapen zeepbel, zo'n beetje hangend aan de kin van God, of aan zijn baard, als je Hildegard von Bingens teksten en afbeeldingen uit de Scivias moet geloven, waarvan Sloterdijk er ook een heeft opgenomen. Daarbinnen leefde de mens als kosmisch middelpunt, troostrijk omringd door sferische gewelven en omhuld door warme hemelse mantels. Deze goddelijke bel wordt door Hildegard von Bingen als het ware verdubbeld met de baarmoederlijke bel, als zij in de Scivias een paralel trekt tussen de door God bezielde binnenruimte en de bipolaire innigheidsfeer van de foetus in de baarmoeder. Er is, met andere woorden, sprake van twee, bipolaire sferen, die van mens en god en die van moeder en kin, waarmee ze voglens Slopterdijk een `een weergaloos sublieme binnenbaarmoederlijke-thelogische gemeenschap beschrijft.' De navelstreng die het kind aan de placenta verbindt trekt von Bingen letterlijk door tot in de hemel, zoals op de afbeelding in Sferen te zien is, waar het kind door deze engelenkabel of hypernavelstreng zijn ziel door God krijgt ingefluisterd. De mens heeft van meet af aan ook een ADSL lijntje open naar God. En Sloterdijk schrijft: `Het bezielende vis a vis van het kind in de moederschoot lijkt rechtstreeks opgetild naar de magische viering in de hemelse ruimte; door de excentrische navelstreng is de foetus op plastische wijze met de goddelijke spiritualiteit verbonden. Twee bellen om je heen, wat wil je nog meer. Het moet, dames en heren, ongeveer zo gevoeld hebben, want von Bignen schreef en schilderde niet alleen, zij componeerde ook de muziek waarin zij deze dubbele intimiteit bezingt:

Maar het is voorbij. Gods almachtige, iriserende Bel die tot aan het einde van de middeleeuwen beschermend om ons heen hing is op de muur van wetenschap, kennis en rationaliteit uit elkaar gespat. De navelsteng, die de mens op vanzelfsprenekede wijze van goddelijk voedsel voorzag, is voorgoed doorgeknipt. Sinds die tijd, sinds onegveer het begin van de 16e eeuw, meent Sloterdijk, leven we niet meer in een bol, maar alleen nog maar op een bol, reden waarom er vanaf die tijd ineens met zoveel fanatisme Globes en wereldbollen worden gebouwd; de Duitse filosoof-dichter deinst er immers zelden voor terug ergens een onverwacht of opmerkelijk verband mee te leggen. In deze nieuwe tijd leven, betekent de prijs betalen voor schaalloosheid, schrijft hij, waarmee hij de vergelijking van Hildegard von Bingen dat we in Gods ei wonen, en dat wij het eigeel zijn, min of meer overneemt. We zijn het kwetsbare kuiken wat uit de schaal gekropen is en verbaasd om zich heen kijkt: wat moeten we hier? Waarom is het hier zo koud? Wie is er nog in staat de aan de kosmische kou van het grote oneindige Niets blootgestelde mensen van omhulsels te voorzien? Gods horizon hebben we uitgeveegd, schrijft Nietzsche, maar wat hebben we daarmee precies over ons afgeroepen?
Welke adem kan ons leven nog begeleiden? Met welke bellen moeten we ons nu nog omhullen? Ten eerste moeten we de intimiteitsbel die we nog niet verloren hebben, die van het ongeboren en pas geboren kind, aan een nader onderzoek onderwerpen. Vervolgens moeten we onze eigen bellenblazers worden, zoals ook Nietzsche al voor goen stond, toen hij schreef: `Wie het goddelijke niet meer om zich heen vindt, moet het zelf maar scheppen.' Maar hoe kunnen we dat? En waar halen we daarvoor de juiste instrumenten vandaan?

Sloterdijk gaat ons voor op deze fenomenologische expeditie door de verschillende vormenreeks van wat hij `bipolaire nabijheids- en innigheidssferen' noemt. Daartoe neemt hij meteen aan het begin van zijn queeste, van zijn hoogst persoonlijke zoektocht naar de graal, want zo mogen we dit werk wel noemen, precies de omgekeerde richting als het merendeel van de vertegenwoordigers van de klassiek westerse filosfische traditie. Dat wil zeggen, Sloterdijk besluit, en dat is meteen al een verrassend en verfrissend aspect van dit boek, niet vooruit te gaan, niet de ene voet voor de andere te zetten, niet te wandelen in de richting van een eindpunt, van een finishlijn, hij gaat niet op een of ander mogelijk einde af, van de tijd, de kunst, de geschiedenis of de mens, maar kuiert doodleuk de andere kant op. Dat wil zeggen, hij durft het aan het steeds smaller, duisterder en moeilijker te onderscheiden pad naar een eerste beginnen en zelfs nog daarvoor, de lange weg van het geboren worden en zelfs nog daaraan voorbij, hij wandelt, dames en heren, ons volwassen geworden leven terug, als iemand die de regels van het ganzenborden nog steeds niet onder de knie heeft en bij het eindpunt begint en dan terugtelt tot start, ja, hij loopt met zijn ganzeveer als pion in de hand terug tot aan het meest verscholen, meest verduisterde, meest teruggetrokken beginpunt van de in ons verzonken binnenwereld, ons eigen Atlantis, gebouwd op de allereerste pre-verbale, zintuigelijke ervaringen van ons leven. Het is me wat. Het is een gigantische onderneming. Het is een ongehoorde prestatie. Want wat kun je er over zeggen?
`Het kijken in het enige donker wat ons treft', schrijft Sloterdijk in hoofdstuk 5 van het eerste deel, De oerbegeleider, `kunnen we immers niet in een ander donker oefenen. Wie de confrontatie met het eigen monochrone zwart aandurft, beseft algauw dat het leven veel dieper is dan de eigen autobiografie. Het geschreven woord dringt nooit ver genoeg door in het eigen zwart.' We kunnen niet opschrijven wat we oorspronkelijk zijn, luidt dan zijn conclusie.
Nee, maar we kunnen er wel een serieuze en oprechte poging toe wagen, en wellicht zal er dan, als dank voor al ons ploeteren, uiteindelijk een glimp van de weerspiegeling van dat zwart in ons werk doorklinken, of dit nu de Sferen van Sloterdijk, of enig ander filosofisch of artistiek werk is. Maar waarom is al die aandacht voor dat beginnen eigenlijk nodig? Waarom moeten we ons richten op een tijd die we ons niet of nauwelijks meer kunnen herinneren? Waarom niet liever vooruit in plaats van achterom kijken?
Dat is een vraag die min of meer impliciet in het werk van Sloterdijk besloten ligt, en waar de lezer het beste zelf mee aan de gang moet gaan. Zou het ermee te maken kunnen hebben, zo vraag ik me af, dat we, om zelf bellen om ons heen te kunnen blazen, waarin we kunnen worden die we zijn, dat we ons daarvoor moeten realiseren dat we altijd meer zijn dan de `ik met een autobiografie' die we letterlijk kunnen beschrijven? En dat Sloterdijks queeste naar het donkere, verzonken continent erop uit is niet zozeer dit meer te benoemen of te beschrijven, maar het belnag ervan op de filosofische kaart te zetten? Het op indirekte wijze te evoceren, zodat er een diep besef tot ons doordringt dat we altijd ook een surplus aan ervaring, aan zijn, met ons meedragen en dat het juist dat surplus is dat een beetje de rek in onze identiteit weet te houden. Opdat deze niet stolt of verstart of immobiel wordt. Opdat er een beetje beweging in ons blijft. Die beweging kan alleen in gang gezet worden als we een zekere afstand tot ons zelf kunnen scheppen. Afstand die de mogelijkheid van interpretatie voor ons vrijmaakt. Zodat we ons over ons zelf heen kunnen buigen, en er ruimte van zelf-reflectie onstaat, en er zo weer kans op worden, op veranderen, op in beweging blijven, is.
Ruim honderd jaar voor Sloterdijk, kwam de van oorsporng Russische filosofe en schrijfster, Lou Andreas Salomé, tot een zelfde overweging. Zij meent dat dit donkere pre-verbale en pre-subjectieve surplus als de vernieuwende motor achter het menselijk bestaan begrepen kan worden. Tijdens de eerste levensfasen van het kind, ervaart het zich nog niet als een afgescheiden entiteit t.o.v. zijn omgeving. His majesty the Baby, zoals Freud ironisch opmerkte, kent geen ego-grenzen, waardoor de hele wereld zich voordoet als een met hemzelf. De beperkingen en opdelingen van de symbolische orde hebben zich met andere woorden nog niet op dit zelf ingeschreven. In deze presubjectieve fase wordt het kind nog niet door o.a. de subject/object of welek andere oppositie dan ook bepaald. Het kind is kortom een polyseksueel en ongedeeld zelf.
Vanaf het moment dat het kind gaat spreken en zich wel als ik ervaart, komt het echter als subject tegenover de objecten te staan, verliest het zijn almachtsgevoel en onmiddelijke verbondenheid met de anderen. Onze eerste, bewuste ervaring, schrijft Salomé in haar autobiografie Levensterugblik, is opmerkelijk genoeg die van een verdwijning. Een moment daarvoor waren wij nog alles en al het Zijn was onlosmakelijk met ons verbonden.". Deze ervaring geschiedt overigens niet van de ene op de andere dag, heeft niet het karakter van een radicale breuk zoals bij Freud, maar verloopt volgens Salomé tijdens de hele kindertijd. Deze geleidelijke overgang van de eerste kindertijd naar de volwassen orde brengt nogal wat teweeg. Salomé noemt het een tweede geboorte. Het is echter wel een geboorte die gepaard gaat met het verlies van de absolute volheid: "Wij zijn in de buitenwereld gevallen als in een - aanvankelijk alleen maar destructieve - leegte" (idem).
Deze eerste `subjectieve' ervaring is daarom tegelijkertijd een hevige schok en "een teleurstelling door het verlies van wat er nu niet meer is" (LR,9). Het kind kan niet langer vast blijven houden aan zijn aanvankelijke gevoel op te gaan en één te zijn met de omringende wereld. Het spreken dwingt het ertoe onderscheid te maken tussen zichzelf en de dingen en de anderen, en eist van het kind om `ik' te zeggen, om `ik' te zijn. Het bewustzijn dat het kind hiermee verwerft, betekent tevens de ontdekking van de eenzaamheid. Het ik staat alleen en heeft de wereld tegenover zich. Deze scheiding is constituerend voor zijn verdere bestaan en zal alleen via intense ervaringen als liefde, erotiek, kunst, religie en concentratie voor kortere of langere tijd ongedaan gemaakt kunnen worden. Salomé verhaalt van deze overgang tot subject als zij zich de spiegels in haar ouderlijk huis voor de geest haalt: "Als ik daarin moest kijken, werd ik in zekere zin uit het veld geslagen, omdat ik duidelijk zag dat ik alleen maar dat was, begrensd en omlijnd, gedwongen zelfs al bij het onmiddellijk aangrenzende eenvoudig weg op te houden. (LR,12)"
Het kind komt, zoals Rilke dat noemde, voorgoed tegenover de dingen te staan. In zijn Duineser Elegien noemt hij dit met recht een noodlot: "Dieses heisst Schicksal: gegenüber sein / und nichts als das und immer gegenüber." (1986:643). Het kind en later de volwassene zal volgens Salomé steeds trachten het gevoel van `tegenover-zijn' op te heffen en het verloren paradijs van het infans, van de kinderlijke volheid proberen terug te vinden. Enerzijds poogt het prille ik van het kind zich een houding aan te meten tegenover de buitenwereld, anderzijds is in hem volgens Salomé het verlangen nog levend naar de verloren gegane eenheid en voelt het de "zekerheid dat dit nog ergens zou moeten bestaan". De mens is kortom, vanaf het moment dat hij het narcistische stadium verlaten heeft, een homo melancholicus, een verstotene die voortdurend de mogelijkheden aftast om zijn ik weer te verzoenen met zijn zelf en weer thuis te raken in wat Salomé de sfeer van het `al' noemt: "Het is voor de mens het moeilijkst om vat te krijgen op het eigen middelpunt. In de meeste uren van ons leven zijn wij buiten ons" (DD,33).
Deze belangrijke stelling uit Salomés Stibbebuch geeft in het kort weer hoe de mens na het verlaten van de narcistische fase verbrokkeld, gescheiden en `buiten' zichzelf raakt. De vraag hoe de verloren gegane Kindheit wieder zu leisten, hoe de relatie met de wereld te herstellen, is de drijfveer van het menselijk bestaan. Zoals ik in mijn boek Heiwmee naar de mens uitvoeriger heb laten zien, zijn de liefde en de kunst volgens Salomé bij uitstek de ervaringen die daarbij behulpzaam kunnen zijn; ze proberen iets van het vroegere, `narcistische' zelf te laten oplichten in het volwassen sociaal-symbolische ik.
Ook volgens Sloterdijk begint `Het sferologische ontwikkelingsdrama van het kind op het moment `dat individuen ophouden polen te zijn in een veld van twee-eenheid en zich begeven in de multi-polaire werelden van de volwassenen.' (p.42). Hij noemt het onvermijdelijk dat ze, `zodra de eerste bel uiteenspat, een soort psychische emigratieshock te verwerken krijgen', zelfs een `existentieele ontworteling.' Ze treden uit de eenheid die ze met hun moeder vormden en worden de bewoners van een veel uitgebreidere sfeer. Het is het moment waarop de geboorte van de buitenwereld zich voor het kind voltrekt. Deze gaat gepaard met de ontdekking dat veel dingen daarbuiten niet meebezield zijn, geen innerlijk hebben, niet bij hen horen, maar `dode en uiterlijke dingen' zijn, dingen die volkomen buiten hen zijn, geen eenheid met hen vormen. Dat is het moment waarop de bel uit elkaar spat. Het inzicht dat de rest van de wereld buiten ons is. Dat inzicht zelf schept de buitenwereld. Een moment daarvoor dacht het kind nog dat alles onlosmakelijk met het verbonden was, zou Lou Andreas-Salomé zeggen.

Gelukkig betreden ze deze hen letterlijke vreemde en daarom ook zo bedreigende wereld niet zonder de `bruidschat van herinneringen aan het symbiotische veld', zoals Sloterdijk dat zo mooi noemt.
Wat Sloterdijk in de eerste vierhonderd bladzijden van Sferen doet, is feitelijk niet meer en niet minder dan deze bruidschat voor ons proberen op te roepen, om iets van die eerste voor ons van zo'n wezenlijk belang zijnde bel te evoceren. Een bijzonder lastige en gewaagde ondernemening, aangezien een belangrijk deel van deze bruidschat, die iedereen meekrijgt op zijn weg naar de volwassenheid, uit onze vroegste, pre-talige kindertijd stamt, waar hij, noch als bekwaam sferoloog, noch als fijnzinnig evocateur, met het enige instrumentarium wat hij tot zijn beschikking heeft, de taal, bij kan komen. Sloterdijk, dames en heren, staat met andere woorden van meet af aan met lege handen. Vandaar dat hij zoveel bladzijden nodig heeft. Vandaar dat hij allereerst talloze contouren van de `bel' zal schetsen, en de samenhang van deze eerste bel met vele andere zal proberen aan te geven. Vandaar dat hij stiekum zoveel beeld in zijn boek stopt, prachtige beelden van Jeroen Bosch, da Vinci, Piero della Francesca, Grunewaldt, Magritte, Hildegard von Bingen, omdat hij het niet kan zeggen.
En toch ook wel. Het is zoektocht die, zoals hij het zelf zegt, `per definitie de vorm van een onmogelijke opgave heeft, die we noch tot een goed einde kunnen brengen, noch negeren.' (p.49). Het is een bewonderenswaardig moedige poging om het epos te gaan vertellen van de plek die onachterhaalbaar ver in ons meestentijds louter zinnelijke geheugen ligt opgelsagen, het epos van de twee-eenheden die voor de volwassen intelligentie altijd al verloren zijn gegaan, schrijft hij zelf, `maar toch nooit spoorloos verdelgd zijn.' Een verdewenen gescheidenis wil hij schrijven, de filosoof die zich zijn eigen intieme Atlantis tot doel heeft gesteld, het continent in de matriarchale zee, die wij allen in onze pre-historie bewoond hebben, dat wil zeggen, in de tijd die vooraf ging aan onze intrede in de door socale en talige strukturen gedragen gescheidenis. Sloterdijk wil niets meer en niets minder dan dat verzonken continent voor ons aanschouwelijk maken. Maar hoe moet hij daarbij te werk gaan? Hij zal `toegeeflijker moeten zijn, zegt hij zelf, dan in systematische verhandelingen', hij zal louter niet invasieve invasies moeten plegen, geen doelgerichte denkbewegingen moeten maken, niet van a naar b naar c willen komen, en dan rustig verder bouwen, maar indirekte, omcirkelende bewegingen moeten maken, veel omwegen en verdachte zijpaden in moeten slaan, veel cirkels erom heen trekken, dat ook, de taal van de logica even laten voor wat die is. Een opborrelen is het, van gedachtes, van beelden, van taal. Een opborrelen ook van de talloze bellen, waarachter we ons Atlantis, ons verloren continent, onze temps perdu kunnen vermoeden, zonder het ooit volkomen scherp in het vizier te kunenn krijgen.
Het is Sloterdijk wel toevertrouwd. Wat dacht u bijvoorbeeld hiervan: `Op onze tocht doot de ontwijkende onderwereld van de binnenwereld ontvouwt zich, gelijk een akoestische landkaart, het schimmige beeld van een vlottend en auratisch universum - geheel geweven uit resonanties en zwevende stoffen.' Het zijn die resonanties die hij zo klinkend mogelijk op papier probeert te krijgen en waar hij soms wonderwel in slaagt.