Geen talent voor geluk?

Onlangs werd mij gevraagd een lezing over schrijversgeluk te houden, en mocht dat niet mogelijk zijn, dan in ieder geval iets over gelukkige boeken. Een dergelijke uitdaging grijp ik graag met beide handen aan en ik ging terstond in mijn boekenkast op zoek naar een boek waar het geluk werkelijk van af zou druipen, een boek dat alleen al door het vast te pakken je duizelig van vreugde zou maken. Waarom niet eindelijk eens afrekenen met het idee dat er geen gelukkige boeken of schrijvers zouden bestaan, dat boeken over geluk saai zijn, dat geluk kortom niets te vertellen zou hebben? Plank na plank tastte ik af: mislukte liefdes, onmogelijke, verwoeste en voorbije liefdes, kleine en grote oorlogen, moorden, jeugdtrauma’s ziektes, enfin, op een enkele grappenmaker na, heel erg veel Weltschmerz en andere treurnissen op die boekenplanken van mij, maar uiteindelijk vond ik toch iets, met de veelbelovende titel Gelukkig met Ivan. Het is het eerste deel van de zogenaamde, imaginaire autobiografie Malina van de naoorlogse, Oostenrijkse schrijfster en filosofe Ingeborg Bachmann. Vol goede moed begon ik te lezen.

Gelukkig met Ivan vertelt het verhaal van de liefde van de naamloze vrouwelijke Ik figuur voor Ivan, die zij voor een bloemenwinkel met rode, Turkse lelies heeft ontmoet. Vanaf het eerste moment dat zij hem ziet, weet ze dat ze hem moet volgen. ‘Er was geen enkele twijfel mogelijk dat ik met hem mee moest gaan en

 

meteen naar zijn huis, dat tot mijn verbazing maar een paar huizen van mij vandaan was. De grenzen waren snel getrokken, er hoefde maar een klein landje gesticht te worden, zonder territoriale aanspraken en zonder grondwet, een dronken land, waar alleen maar twee huizen staan die je ook in het donker kunt vinden.’

Dat begon goed! Ik voelde het grote, aanstondse geluk al om de woorden en de zinnen zoemen, als een bij die nog aarzelt op welk honingzoet klankgroepje hij neer zal strijken. Dankzij de ontmoeting met Ivan behoren de alledaagse kwellingen van de vrouwelijke Ik, die schrijfster is, de wanhoop en vertwijfeling, het zoeken en zuchten nu ook eindelijk tot het verleden. ‘Nu is deze wereld waarin ik tot nu toe geleefd heb – ik altijd in paniek, met droge mond, met toegeknepen keel – tot haar onbeduidende betekenis teruggebracht, omdat een andere kracht deze wereld tegenstand biedt, ook al bestaat die kracht, zoals vandaag, slechts uit wachten op Ivan en roken, om er niets van verloren te laten gaan.’ Het leven van de Ik wordt dankzij haar nieuwe liefde een Ivanleven, waar alles van het merk Ivan is, dat de dingen om haar heen zachter, stiller en mooier maakt: ‘Ook de deuren van de auto’s vallen niet meer met een klap dicht onder mijn raam en zelfs de natuur moet onverwacht onder de hoede van Ivan zijn gekomen, want de vogels zingen `s morgens zachter en stellen me zelfs in staat tot een tweede, korte slaap.’ Omdat er ook veel minder hoofdpijnaan­val­len voorkomen, vraagt de Ik zich af of het niet haar plicht is "de medische wetenschap over dit eenvoudige middel te informe­ren, zodat het onderzoek een grote sprong voorwaarts zou kunnen maken" Als dank voor al dat geluk wil de ik aan Ivan ‘de hoogste onderscheidingen’ verlenen, want dankzij hem kan ze ontdekken hoe ze ‘eenmaal was’, stuit ze op haar ‘oudste lagen’ en kunnen haar spieren zich eindelijk losmaken uit een ‘permanente kramptoestand’.

Heb ik u iets teveel gezegd? Is dit geen gelukkig boek? Tevreden en, ik geef toe, ook een beetje ingenomen met mezelf dat ik dan toch dit schitterend om niet te zeggen gelukzalig kleinood op mijn boekenplank had weten te ontdekken, las ik verder. De Ik is zo dankbaar voor Ivans wonderbaarlijke talenten dat ze het hem zo veel mogelijk naar de zin probeert te maken. Zo doet ze onder meer verwoede pogingen om zijn nimmer aflatende optimisme, daadkracht en vrolijkheid te imiteren. Want Ivan houdt niet van treurige of verdrietige zaken en daarom doet de Ik haar uiterste best zo opgewekt mogelijk te zijn. Ivan wil niet alleen dat ze ophoudt om over nare en ellendige zaken na te denken, maar ook dat ze ophoudt erover te schrijven. ’Ga eindelijk slapen’, zegt hij tegen haar, ’wees gewoon gelukkig’, en de ik doet haar uiterste best. Als hij echter bij haar thuis de aantekeningen vindt voor een nieuwe roman, met ‘Drie moordenaars’ als titel op het schutblad, kan hem dit niet bekoren. ‘Dat zint me niets’, zegt Ivan. ‘Ik had al zoiets gedacht, en al die boeken die hier om je heen staan in je grafkelder, die wil toch niemand, waarom zijn er eigenlijk zulke boeken, er moeten ook andere boeken zijn die klinken als Exultate Jubilate? Boeken die je doen barsten van blijdschap, jij barst toch ook vaak van blijdschap, waarom schrijf je dan niet zo? Al die ellende op de markt brengen, de ellende op de wereld nog vergroten, dat is toch walgelijk, al die boeken zijn weerzinwekkend. Wat is dat toch voor een obsessie met duisternis, alles is alleen maar droevig en in die boeken maken ze het nog droeviger.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen bij deze passage, zag het prille geluk al op rasse schreden zich van het liefdespaar verwijderen, maar gelukkig, de vrouwelijke Ik neemt zich dapper voor een boek te gaan schrijven, speciaal voor Ivan, een boek waarmee men zich van blijdschap ter aarde zal storten, alleen omdat men er een enkele bladzijde van gelezen heeft. Terwijl ze het probeert te schrijven, sluipen er echter ongemerkt nog meer wrijvingen tussen de prille geliefdes. Zo blijkt Ivan bijvoorbeeld over dramatisch weinig tijd te beschikken. Bovendien lukt het de vrouwelijke ik maar niet ‘om ook maar iets over mezelf te vertellen.’ Verder baart het haar zorgen dat er bepaalde groepen zinnen bij hen ontbreken. ‘We hebben talrijke zinnen, telefoonzinnen, schaakzinnen, scheldzinnen, een specialisme van Ivan, en zinnen over het leven. We hebben ook vele vermoeidheidszinnen, maar over gevoelens hebben we bijvoorbeeld nog geen enkele zin, omdat Ivan er geen uitspreekt en ik de eerste zin van die soort niet durf te maken.’

Op dit punt aanbeland, begin ik me iets meer zorgen te maken. Het zou toch niet zo zijn dat we hier als lezers beetgenomen werden en er helemaal geen sprake van een ’Gelukkig met Ivan’ met was! Maar nee, de vrouwelijke Ik vat moed, trekt op een dag de stoute schoenen aan en begint welgeteld op bladzij vijftig over gevoelens te spreken. Ik haalde opgelucht adem. Er was nog hoop. Vooralsnog hoefde ik dit boek niet op de plank terug te zetten. Na enig aarzelen komt zijn antwoord. ‘Je zult het toch wel begrepen hebben,’ zegt Ivan. ‘Ik houd van niemand. Van mijn kinderen natuurlijk, maar verder van niemand. Ik knik, hoewel ik het niet wist, en Ivan vindt het vanzelfsprekend dat ook ik het vanzelfsprekend vind. Jubilate. Boven een afgrond hangend schiet me dan toch nog te binnen hoe het boek beginnen moest: Excultate!’

Dat gebeurt op bladzij vijfenvijftig en dan hebben we er nog ruim driehonderd te gaan. Die vertellen op indringende wijze over grote en kleine oorlogen, over zegbaar en onzegbaar verdriet, over verlies en geweld, over macht en onmacht. De laatste zin van het boek luidt: ‘Het was moord.’ En toen zette ik het maar weer terug, naast de andere, onheilsbrengende, ongelukkige soortgenoten, trok mijn jas aan en fietste naar de UB. Ik had thuis welliswaar een aardig representatieve verzameling literatuur staan, maar wellicht had ik iets over het hoofd gezien, was er al die jaren iets buitengewoon gelukzaligs aan mijn aandacht ontsnapt.

Op de fiets kwamen er twee vragen op me af. De eerste: wat is geluk? De tweede: zouden er echt geen gelukkige boeken bestaan? En als dat zo was, hoe kwam dat dan? Zouden er soms geen gelukkige schrijvers bestaan? Ik herinnerde me dat de schrijfster en criticus Marja Pruis in de zomerspecial over Geluk van De Groene geschreven had dat schrijvers per definitie ongelukkig zijn, om de doodeenvoudige reden dat ze anders niet zouden schrijven. Want schrijven is nu niet bepaald iets lolligs, iets wat je voor je plezier erbij doet, nee, schrijven is lijden en wie zou er nu, barstend van geluk, vrijwillig voor deze lijdensweg kiezen? Pruis somt nogal wat schrijversdagboeken op, waarin al dat lijden en ongeluk onverbloemd naar voren komt. Virginia Woolf bijvoorbeeld noemde schrijven een ‘langgerekt pijnljk proces waarvan men alleen maar onbeschrijflijk graag wil dat het achter de rug zal zijn.’ Gerard Reve kon zonder de meest verschrikkelijke dreigementen jegens zichzelf nooit aan het werk komen. En Thomas Rosenboom krijgt naar eigen zeggen al pijn in zijn schouders als hij zijn bureau alleen maar ziet staan. Geluk bleek kortom niet de gemoedstoestand noch de drijfveer van de schrijver te zijn. Maar misschien had Marja Pruis, net als ik, ook wel iets over het hoofd gezien, en dus nam ik plaats achter de grote catalogus van de UB, typte stomweg ‘geluk’ in en kijk: het resultaat was maar liefst 465 items!

Hoopvol begon ik de titels aan een nader onderzoek te onderwerpen. Waar het mij om ging was gelukkige literatuur, en dus vielen eerst alle verhandelingen voor jongetrouwde vrouwen, aanstaande echtgenotes, blozende deernes en frisse maagden, ter voorbereiding op het ‘ware huwelijksche geluk’, af. Dat zijn er nogal wat, kan ik u zeggen. Van 1790 tot 1950 heeft menig geletterde heer zich het lot van de aanstonds getrouwde vrouw buitengewoon ter harte genomen. De tweede categorie die afviel waren de politieke traktaten en partijprogramma’s die de kiezers, behalve welvaart, kinderbijslag en de aow ook een grote mate van geluk beloofde. Ook de 19e eeuwse verhandeling, getiteld: ‘Over de invloed van de naarstigheid, ter beantwoording van de vraag: welke invloed heeft de naarstigheid, zo op den voorspoed en het ware geluk van iedere mens in `t bijzonder, als op het welzijn der maatschappij in het algemeen’, van ene Bernardus Jelgersma, schrapte ik van de lijst, al prikkelde de vraag welke naarstigheid deze auteur bedoelde, me wel.

Wat overbleef viel grofweg in twee groepen uiteen. Aan de ene kant een handje vol literaire auteurs, aan de andere kant de dapper en onvermoeibaar vanuit de provincie producerende streekromanschrijfsters. Nou, die laatste groep lustte er wel pap van. Het geluk straalde je gewoonweg tegemoet! Kruiwagens vol geluk, schreef bijvoorbeeld de west-friese Annelies de Greeuwe. De weg naar geluk, Op zoek naar geluk, Het geluk komt terug!, Het geluk van Aaltje, van Mies, van Nina, het hield niet op, het geluk was overal, ook al sloeg zelfs bij deze groep de twijfel ook een enkele keer toe. Waar woont het geluk dan toch?, luidt bijvoorbeeld de titel van het boek van Margareta Antonia en ook Dwaaltocht naar het geluk van Annie Oosterbroek Dutschen deed niet het beste vermoeden. Maar goed, deze bescheiden twijfel was echt niets vergeleken met het stelletje ongelukkige, literaire miesgassers dat ik toen nog op mijn scherm over had.

Zodra het woord geluk in de titel viel, moest er een negatieve term bij. Van Wreed geluk van Hugo Claus, of Vreselijk geluk van Lars Noren tot Onmogelijk geluk van Jean Pierre Rawie en Geluk is gevaarlijk van Rutger Kopland, het wilde maar niet op iets echts dolgelukkigs lijken. Ook Het geluk weet niets van mij, van Hans Mirck of Het achterwerk van het geluk, van de dichter Guido de Bruyn of Geluk is ook niet alles van Paul Watzlawick deden me niet hoopvoller stemmen. Kortom, Geen talent voor geluk, zoals het boek van Max Nord heet, vatte de groep literaire schrijvers die nog op mijn scherm stonden eigenlijk heel adequaat samen. Of anders wel de verhalenbundel van Frans Pointl. Ongeluk is ook een soort geluk. Ja, zo kan ik het ook! Uiteindelijk bleven er drie titels over op mijn scherm, waarover later meer.

Maar waarom? Waarom is geluk iets verdachts en zeker geen drijfveer voor schrijvers?, bedacht ik mij terugfietsend naar huis. Daarvoor moest ik de vraag ‘Wat is geluk?’ toch eindelijk gaan beantwoorden. Eenmaal thuisgekomen, waagde ik me aan een eerste, voorzichtige definitie. Gelukkig zijn diegene die niets aan hun huidige toestand willen veranderen, typte ik op goed geluk in. De gelukkigen onder ons dromen immers niet van een elders, zijn niet naarstig – ha, daar hadden we de 18e eeuwse verhandeling over de schadelijke gevolgen van naarstigheid voor geluk weer terug! - zijn niet naarstig op zoek naar een andere toestand, ze streven geen veranderingen na, want ze willen alles liever houden zoals het nu is: namelijk hun geluk. En is dat dan ook de reden waarom er zo weinig gelukige boeken zijn, vroeg ik mij af, omdat geluk op zich geen drijfveer kan zijn, want geluk spoort immers tot niets aan, het inspireert niet tot iets, want het is bij uitstek die gemoedstoestand die zich kenmerkt door het ontbreken van ambitie de huidige situatie te willen veranderen? Geluk is stilstand, met andere woorden, en daarmee kon moeilijk een heel boek gevuld worden, hoewel het me zeker nog altijd wel een uitdaging leek.

We kunnen het geluk van de gelukkigen ernstig benijden, maar tot onze verbeelding spreken ze niet. Ze zijn ook meestal snel uitgesproken. Het is net alsof zij geen verhaal hebben, de gelukkigen, omdat er geen vragen gesteld, geen obstakels geslecht hoeven te worden, omdat er geen voor- en geen nadelen over mogelijke nieuwe situaties tegen elkaar afgewogen hoeven te worden, omdat er geen moorden of scheidingen hoeven te worden gepleegd, want er hoeft juist helmaal niets. Behalve alles zo laten als het al is. Daarom zien we hen ook zo zelden op het toneel, in romans of muziekstukken verschijnen. In tegenstelling tot de ongelukkigen die massaal de podia opeisen. Want zij zijn het, die door rusteloosheid, onvrede en knellende hartstochten geplaagd worden en zich daarom voortdurend over de vorm, waarin ze hun leven, hun verhaal willen gieten, het hoofd breken. De ongelukkigen zijn met andere woorden altijd op zoek. Ze vragen zich af of ze misschien geen ander huis moeten betrekken, of ze toch niet liever in de provincie of juist in de stad willen wonen, het zijn degene die dagelijks op www.funda.nl te vinden zijn. Maar dat is niet alles. Ze twijfelen ook of ze geen ander beroep moeten kiezen, zich voor de zoveelste keer moeten laten omscholen, of wellicht een andere partner of echtgenoot moeten zoeken! Literatuur is meestal het verslag van zo’n zoektocht, zo’n queeste van de ongelukkige, die meent dat het geluk altijd elders op hem ligt te wachten.

Hoe krijgen we hen nu ook gelukkig? Die vraag is lastiger te beantwoorden. Ook in de 18e eeuw was dit een favoriet gespreksonderwerp. Toevallig lag er nu net zo’n tekstje op mijn bureau, Discours sur le bonheur geheten, van de Franse schrijfster, wetenschapster en filosofe Madame de Chatelet. Zij stelt dat het volgen van onze hartstochten het belangrijkste is waar het in dit leven om draait, al vermeldt ze er meteen ook bij dat dit op zich nog geen garantie voor een gelukkig leven is. Dat was jammer, natuurlijk. Maar je kunt zelfs vanuit de 18e eeuw geen kant en klaar recept voor geluk verwachten, dus las ik verder. Mme de Chatelet vervolgt met te zeggen dat een leven, gedreven door hartstocht, hoe dan ook interessanter en daarom meer nastrevingswaardig is. De belangrijkste voorwaarde voor geluk, schrijft ze vervolgens, is goed te weten wie we zijn en wat we willen doen. Ja, dat zal best zo zijn, dacht ik, achterover hangend in mijn bureaustoel, maar is dat nu net niet het probleem! Kon ik maar heel precies zeggen wie ik was en wat ik wilde! Dan was er waarschijnlijk geen vuiltje aan de lucht en kon ik me voorgoed gelukzalig onderdompelen in een diepe, roze roes. Maar ik kan geen heldere definitie van mijzelf geven. Ik weet zo vaak niet wat te doen, wat te kiezen en zou minstens een dozijn zelfportretten over mezelf moeten maken om de waarheid omtrent mijzelf ook maar enigszins te achterhalen. Ken u zelf! Voorwaar, de moeilijkste opdracht in een mensenleven.

Maar wat dan? Wat is geluk? Misschien had die madame de Chatelet ergens toch gelijk. Misschien woont het geluk daar – Waar woont het geluk dan toch?, nou daar, beste Margareta Antonia, waar we zo goed als maar enigszins mogelijk is kunnen luisteren naar wat er boven die poort van Dephi geschreven stond en die opdracht serieus nemen. Ken u zelf, en dus voorbij gaan aan de verwachtingen van de wereld, van status en sociale dwang, voorbij de gekte van de dag zien te komen, en opgedrongen ambities en idealen en modellen afleggen, om vervolgens de vele lagen af te pellen die onder dat zelf verborgen liggen. Schrijven is voor mij eigenlijk de bezigheid die daaraan het meest beantwoordt. Het is een aftasten van wat er zich onder de vanzelfsprekende inzichten, de clichés en de vooringenomen waarheden bevindt. Het is een zoektocht naar de verscholen achterkant van de dingen, een grijpen achter het eigen spiegelbeeld, en proberen te luisteren en te kijken naar wat er (nog) niet gehoord, gezien of gezegd is. Dat is op zich geen prettige, gelukkige bezigheid, want het is er een die een zeker geweld in zich draagt van het moeten doorstoten, moeten doorprikken, moeten ontdoen van de eigen zekerheden en de meningen en betekenissen die over de wereld en ons zelf zijn heengelegd. Maar als het dan soms lukt om datgene op de staart te trappen wat daar al zo lang net onder de oppervlakte lag te sluimeren, ja, dan kun je daar soms 'gelukkig' van worden. Dan is het net alsof het leven iets minder willekeurig door je vingers glipt en ook, belangrijker nog, alsof je een bepaald inzicht krijgt geopenbaard, waardoor je iets ruimer in je vel komt te zitten en als het ware beter en dieper kunt ademhalen. Dat is wat je schrijversgeluk kunt noemen. Een ander geluk is de liefde natuurlijk, maar dat is weer een heel ander verhaal. In het eerste geval pel je zelf, in het tweede geval word je afgepeld. En misschien is schrijven over de liefde dan wel het summum, of liever gezegd de weg die, voor de per definitie ongelukkige schrijver, dan uiteindelijk toch het dichtst tot een van die verre, nevelige toppen van geluk voert. Ondanks het feit dat de liefde zelf dan meestal alweer aan het vervagen is, want waarom anders erover schrijven?

Ten slotte nog iets over de drie titels, die als laatsten op het computerscherm van de UB waren achtergebleven. De eerste titel luidt Een soort geluk, van Pierre Dubois, en ik geef toe, het is nog een wat aarzelende, weifelende titel. Dubois gaat er nog niet echt voor, maar het is in ieder geval een begin. Het tweede boek klinkt al stukken overtuigender, het gaat over de liefde en heet simpelweg Extase. Een boek over geluk, en het is van Louis Couperus. Het derde boek ten slotte lijkt me zowel een aanrader als een echte uitsmijter. Verover het geluk, heet het onomwonden, en is van de engelse filosoof Bertand Russell die precies die innerlijke zoektocht van het ‘Ken u zelf’ beschrijft. Als we nu die drie boeken eens aan alle schrijvers cadeau doen, wellicht kan er dan al op korte termijn een avond barstens vol gelukkige boeken belegd worden. Het zou me wat zijn. De zaal zou wellicht tot de grond toe worden afgebroken, of mischien geeuwen, gapen en ten slotte in slaap vallen. Ik vermoed eerlijk gezegd het laatste, omdat men toch eigenlijk van boeken verwacht wat Kafka daar ooit over heeft geschreven, en sindsdien door menig schrijver is geciteerd. Namelijk dat een boek de bijl moet zijn voor het bevroren meer in ons. En wie heeft er nu ooit een gelukkige bijl gezien?

Joke J. Hermsen