Scheppingsverhalen
Lezing SLAA, Amsterdam


Laat ik maar meteen beginnen met u te zeggen dat het onderwerp van deze lezing, namelijk het verhaal over en achter mijn boeken, het verhaal over mij zelf, mijn schrijversschap, me de afgelopen dagen nogal wat hoofdbrekens heeft gekost. Had de SLAA mij gevraagd een verhaal te houden over de geheime briefwisselingen van een weemoedig smachtende dame in een torenkamer of een lezing over de vele spoken en zeepbellen in de westerse filosofie of over de masochistische zelfkwellingen van een middeleeuwse mystica, ik had mijn hand er niet voor om gedraaid, ik had me met graagte op het onderwerp gestort en er echt iets moois voor u gemaakt. Maar nu? Een beschouwend verhaal over mezelf? Buiten mijn boeken om. Ik zit met de handen in het haar. Wat moet ik antwoorden op de vraag welk gereedschap ik als schrijver gebruik, geen verf, plastic of klei, zoveel moge duidelijk zijn, maar met welke instumenten ga ik het verhaal dan wel te lijf? Lastige kwestie. Of op de vraag hoe ik tegenover de kritiek op mijn werk sta? Moet ik u misschien gaan vertellen dat er meestal stukken verschijnen waarvan ik de indruk heb dat ze over heel andere boeken gaan dan degene die ik geschreven heb, en dat het maar heel soms gebeurt dat er een recensie verschijnt die het boek in zijn intensiteit en complexiteit wel dicht weet te benaderen en dat er zich dan even een gevoel van euforie van me meester maakt, het is gezien, het is begrepen, het is niet onopgemerkt gebleven, maar dat ook dat gevoel helaas weer heel snel verdwijnt, want gek genoeg blijft de ervaring van neerslachtigheid die slechte stukken je bezorgen je veel langer bij dan de vreugde om mooie stukken, alsof goed nieuws toch altijd veel minder lang in ons wil beklijven dan slecht nieuws. Maar goed, dat weet u zelf toch allemaal al lang. Maar wat moet ik dan? Misschien moet ik eerst maar eens een kort fragment voorlezen, uit mijn debuutroman Het dameoffer, en kijken of we dan iets verder komen met de vraag naar mijn schrijversschap.

De laatste zinnen die NRC criticus Elsbeth Etty destijds, in 1998, aan Het dameoffer wijdt, hebben met name betrekking op deze passage. Ze verwijzen naar een thematiek die in mijn verdere werk een rol zal blijven spelen, namelijk de verhouding tussen literatuur en filosofie, tussen kunst en wetenschap, tussen het ene en het andere schrijven. Etty schrijft: `De wetenschapster is in conflict gekomen met de schrijfster. Enerzijds is ze bang dat ze ooit als bedriegster, die voornamelijk boekenkasten leegroofde, ontmaskerd zal worden, tegelijkertijd wil ze echter zelf moedwillig haar val bespoedigen door in het geheim een ander schrijven uit te proberen. Dat andere schrijven beschouwt ze als een poging werkelijkheid te maken. Fictie, want om zulk schrijven is het het hoofdpersoange te doen, wordt hier opgevat als het maken van nieuwe werkelijkheid en niet als realisme, want, zegt ze, realisten en wetenschappers gaan ervan uit dat de werkelijkheid om hen heen al bestaat, en beschrijven deze vervolgens zo nauwkeurig mogelijk. Dat betekent voor haar echter zoveel als een goede kopie maken van een slecht origineel. Het verhaal van Det van Vliet en haar moeder Hannah is in wezen het verhaal van de geleerde vrouw die haar overtollige, wetenschappelijke ballast probeert kwijt te raken om nieuwe werkelijkheden te kunnen creeeren. Om schrijfster te worden, kortom.'
Het lag natuurlijk wel een beetje voor de hand om mijn persoonlijke biografie, die van de destijds nog aan de universiteit werkende filosofe en literatuurwetenschapster die zelf het schrijven maar niet kan laten, rechtstreeks over die van de personages uit mijn debuutroman te leggen, maar goed, ik moet toegeven, Det van Vliet is inderdaad een personage die nogal wat met mij van doen heeft, ook in mijn nieuwste roman De profielschets een belangrijke rol speelt en dat ongetwijfeld ook nog in toekomende werken zal blijven doen. Maar waar het me hier voor vanavond om gaat, is toch iets anders. Namelijk de vraag of er inderdaad verschillende manieren van schrijven bestaan, of de filosoof, de academicus, de wetenschapper, andere talige instrumenten hanteert dan de schrijver. Die vraag is misschien nog vrij eenvoudig met `ja' te beantwoorden, maar het wordt meteen al een stuk lastiger als deze onherroepelijk gevolgd wordt door die andere vraag: waarin zit dat verschil dan precies?
Reflectie op taal, op onze evenzo moedige als wanhopige pogingen de wereld in woorden en zinnen te benaderen, te analyseren, te interpreteren en te herscheppen, een streven dat door wetenschappers en schrijvers welliswaar gedeeld wordt maar zo verschillend in praktijk wordt gebracht, is voor veel schrijvers als het ware de horizon waartegen hun werk langzaam gestalte krijgt. Taal wordt door hen niet als iets formeels, iets vanzelfsprekends of iets neutraals gezien. In Het dameoffer gaat het onder meer om de offers die je als academicus, of als wie dan ook, bereid moet zijn te brengen om uberhaupt te kunnen beginnen met schrijven. Het moeten opgeven van tal van zekerheden, verworven diploma's, van vaststaande meningen en uitdrukkingen, van vergaarde kennis, ook betreffende jezelf, en vooral van het opgeven van de illusie dat taal een neutrale aangelegenheid zou zijn. In die zin zou je kunnen zeggen dat het schrijven van literatuur vanwege die offerbereidheid zeker ook een gewelddadige kant kent. Zodra ik een wereld wil beschrijven, dreigt het specifieke van die wereld voor mijn ogen te verdwijnen. Dat is de wrede wet van de taal, en toch heb ik als schrijver alleen die taal tot mijn beschikking. Ik zal dus in die taal de open plekken moeten opsporen, breekijzers moeten gebruiken om de geringe marges op te rekken, heel goed mijn oor bij mijzelf te luisteren moeten leggen, om juist aan iets dat door anderen herkend en gedeeld kan worden te kunnen raken. In het dagelijkse leven wordt taal als een bijzonder praktisch middel gezien om de wereld te organiseren; en dat is ook zo. Doorgaans wordt er dan ook weinig getreurd over het al dan niet verloren gaan van juist het singuliere en bijzondere van ervaringen. Maar zodra schrijvers hun woorden aan het papier toevertrouwen, worden ze geconfronteerd met de ervaring dat de `taal identiteiten construeert, waar eigenlijk sprake is van veranderlijke dingen en ongrijpbare gebeurtenissen', zoals de Franse schrijver Maurice Blanchot ooit opmerkte.
Als ik schrijf, wil ik dit ombrengen van het specifieke en unieke van een wereld, van een ervaring, niet ontkennen of negeren, maar juist serieus nemen, misschien zelfs wel als uitgangspunt kiezen, probeer ik het veranderlijke, wispelturige en grillige karakter ervan te benaderen door een imaginaire wereld in te richten die niet alleen gebaseerd is op de wetten van de logica of geheel terug te brengen tot een keten van oorzaak en gevolg. Om dat voor elkaar te krijgen zal ik geen genoegen met de zogenaamde feiten en daarbij behorende zegswijzen kunnen nemen en zal ik me ook op iets anders moeten richten, en dan wordt het heel moeilijk en diffuus en vaag, namelijk op iets dat buiten de orde en conventionele taal gelegen is, op iets dat we, bij gebrek aan beter, misschien het onzegbare of het nog niet gezegde zouden kunnen noemen, op iets dat op de rand van het zwijgen lijkt te liggen en waar de `woorden worden teruggenomen in een onbestemd gemurmel', zoals Blanchot dat beschrijft, of verwijzen naar een onachterhaalbaar ver verleden. Maar al moet ik me dan tot dat betekenisloos gemurmel bekennen, uiteindelijk ben ik gedwongen betekenissen en afgrenzingen te produceren, want het is natuurlijk wel de bedoeling dat er iets op papier komt. Misschien kan ik het daarom het beste zo formuleren: schrijvers tasten, in tegenstelling tot wetenschappers, ook altijd met hun éne oor die ongearticuleerde dimensie van het onzegbare, het buiten, af, maar luisteren met het andere oor naar de mogelijkheden die de taal biedt om dit toch in een verhaal, en dan voor mij het liefst in een leesbaar en aansprekend, of moet ik zeggen: aanlezend, verhaal, te articuleren. Ze werken als het ware altijd binnen een zekere spanningsverhouding, tussen het mogelijke en onmogelijke, het zegbare en onzegbare, tussen buiten en binnen, het algemene en meest partikuliere, voortdurend heen en weer schommelend tussen die twee polen, zodat we bijna zouden kunnen zeggen dat wat er uiteindelijk op papier komt, de literaire tekst, niet meer en niet minder dan een beeld of weergave van dat geschommel is.

Maar er worden nog meer offers van schrijvers gevraagd. Ook mijn identiteit als persoon lijkt op bepaalde wijze geofferd te moeten worden, vandaar, onder andere, de titel van mijn debuutroman. Wie de gegeven inkaderingen van de omringende wereld laat vervloeien, kan er niet omheen ook die van zichzelf ter discussie te stellen. En dat valt natuurlijk niet mee, als je net zoveel moeite hebt gedaan, als kind, als student, als filosoof, als wetenschapper, de trap naar kennis en beheersing, naar diploma's en inzicht te beklimmen. Er zit echter als schrijver toch niets anders op dan die trap zoveel mogelijk weg te duwen. Al schrijvende voel ik me daarom soms verwant aan de hoofdpersoon uit Ingeborg Bachmanns verhaal Het dertigste jaar, waarvoor de filosoof Wittgenstein model stond, dit `tot zwijgen gebrachte ik van zwijgen' dat `alle dingen reeds ten einde had gedacht'. Op een schommel was hij steeds hoger en hoger gevlogen, tot hij voelde `dat hij tegen een plafond vloog waar hij doorheen moest stoten.' Met nog één volgende zwaai van de schommel zou hij tot die allerlaatste waarheid hebben kunnen doordringen. Maar `toen trof hem een slag, binnen in zijn hoofd; hij voelde een pijn die hem deed inhouden, hij vertraagde zijn denken, raakte in de war en sprong van de schommel af. Boven, in zijn hoofd, klikte er iets, en het klikte beangstigend en hield niet op, enkele seconden lang. De man had stiekem gehoopt `op de vernietiging van zijn persoon', maar wat er vernietigd werd, was juist datgene wat boven hem uit wilde stijgen'. De man vroeg zich af waarom hij niet denken kon wat hem werkelijk geraakt had, en waarom dat wat hij bedacht had, hem zo weinig verder hielp: `Hij had zich graag aan de andere kant opgesteld, over de grens heen gekeken en van daar terug naar zichzelf en de wereld en de taal en elke voorwaarde. Hij was graag met een nieuwe taal teruggekeerd die bij machte was geweest het ervaren geheim uit te drukken.'
Het is net alsof we Wittgenstein zelf lezen, die in het voorwoord van de Tractatus schrijft dat zijn oplossing van de problemen in feite niets opgelost heeft, en dat hij alleen een ieder kan aanraden de trap waarlangs hij zijn stellingen heeft beklommen, weg te smijten en die dan later in een brief aan Ludwig von Ficker verduidelijkt: `Mijn werk bestaat eigenlijk uit twee delen: uit dat wat hier voor mij ligt en uit dat wat ik niet geschreven heb. En precies dat tweede deel is het belangrijkste.' Daarom liet hij zich waarschijnlijk ook verleiden tot de uitspraak: `Philosophie sollte man eigentlich nur dichten.' Alsof alleen de literatuur hem toegang zou hebben kunnen verschaffen tot dat wat hem uit hoofde van zijn academische discipline werd ontzegd.
Want hoewel ze aan elkaar verwant zijn, de literatuur en de filosofie, en ze sinds de oude Grieken met graagte elkaars gezelschap op zoeken en kwistig strooien met citaten uit elkaars werk, elkaar besnuffelen en bespieden, soms met een felheid waar je van schrikt, maar ook met een bijna hartstochtelijk te noemen belangstelling, zijn ze ook zo verschillend en vervloeken ze elkaar net zo hard als dat ze elkaar aanbidden. De eerste roept: rechtlijnigheid, de tweede verweert zich verontwaardigd met de beschuldiging van warboel en willekeur. De filosoof als wetenschapper, ik doel dus op de academische filosoof, en zeker niet op wat ik literaire filosofen zou noemen, zoals Nietzsche, Sloterdijk of Deleuze, houdt nu eenmaal van helderheid en logica en rechte wegen, terwijl de schrijver juist verzot is op schemer, duisternis en kronkelige paden. De een is bedachtzaam en werkt geduldig en kalm, de ander onrustig en gejaagd. De een werkt van het hart naar het hoofd, de ander doet dat misschien wel net andersom. De een wil zijn denkbeelden onthullen, terwijl de ander zijn gedachten liever impliciet houdt, door ze in een verhaallijn, een karakter of de beschrijving van een landschap te verstoppen. De academische filosofie kan als een beweging naar buiten gezien worden, terwijl de literatuur, in al haar openbaarheid, toch eerder een beweging naar binnen zou maken. In doeken wikkelen in plaats van uit de doeken te doen, de duisternis van de verbeelding tegenover het licht van de rede, de zowel verleidelijke als ook weerbarstige literaire stijl naast de heldere, transparante en meestal zeer formele stijl van de filosofie.
Alleen de literatuur kan ons ook de fundamentele ambiguiteit van het leven zelf tonen. Dat is iets waarvan ik de afgelopen jaren steeds meer overtuigd ben geraakt. De werkelijke betekenis van een mensenleven geeft zich daarom juist in verhalen prijs. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ik zelf uiteindelijk, het kloeke pad van de filosofie, van de wetenschap, verruild heb voor de modderpaadjes van de literatuur en daar nu alweer een jaar of tien rondstrompel. Want het is en blijft een strijd die elke keer weer opnieuw op papier gevoerd moet voeren. Ballast kwijtraken, leegte scheppen, valkuilen vermijden, of juist graven, luisteren naar wat het buiten, dat zich opmerkelijk genoeg juist diep binnen in mij lijkt te verschuilen, me zo al niet in te fluisteren heeft. Een strijd waarvan ook af en toe letterlijk gewag wordt gemaakt in mijn boeken, zo ook weer in mijn nieuwste roman De profielschets, waar ook Det van Vliet weer opduikt, die dit maal de vakgroep wijsbegeerte voorgoed vaarwel heeft gezegd en mijmerend over wat ze nu toch in hemelsnaam verder met haar leven moet op straat loopt. Een paar zinnen ten slotte dan nog daaruit, ter afsluiting van dit zo onvoltooide verhaal.