| Lezing over het werk van Mark Rothko Een gesprek over de wereld Wat zie je als je onverwacht voor een doek van Mark Rothko komt te staan? Wat gebeurt er als je voor het eerst die twee of drie kleurvlakken ziet, die elkaar op een bijna behoedzame manier proberen te benaderen? Je loopt niet door, want je blik lijkt zich aan het canvas vast te zuigen. Beter gezegd, je blik wordt door het doek zelf naar binnen gezogen, en verliest zich daar, uitwaaierend over het canvas om ten slotte te verzinken in het spanningsveld tussen de kleurvlakken, een even ongewisse als onpeilbare diepte tegemoet. Om je heen verstomt het rumoer van de wereld, stemmen vervagen, verkeersgeluiden worden gedempt, het is net alsof iemand op dat moment de volumeknop van de wereld iets zachter zet of zelfs helemaal uitdraait, en er een stilte neerdaalt, die door geen natuurkundige wet te verklaren is. Want natuurlijk wordt er nog net zo hard geschreeuwd en geroepen en getoeterd als daarvoor, alleen hoor je dat niet meer zo goed, omdat je als het ware uit de herrie wordt weggetrokken. Temidden van het rumoer van de wereld, de hyper activiteit, het consumptisme en materialisme, schreef Rothko, ‘zijn er velen die snakken naar een handvol stilte, waarin we kunnen wortelen en groeien.’ Die stilte is voor hem noodzakelijk om een ‘tijdloos’ moment te scheppen, een soort intermezzo in de tijd, om van daaruit tot bezinning, tot nadenken te komen en een gesprek mogelijk te maken over datgene wat ‘tijdloos en tragisch is’. Rothko meende dat kunst ‘een gesprek over de wereld’ op gang moest brengen, zoals hij in 1958 schreef. Sterker nog, alleen als het werk zo’n communicatie over de wereld tot standbrengt, verkrijgt het volgens hem pas zijn waarde. En ‘als men zich door deze nieuwe communicatie heeft laten overtuigen, verandert de wereld ook’, vervolgt hij. ‘De wereld was nooit meer hetzelfde na Picasso, na Miro. Hun nieuwe kijk op de wereld, veranderde ook onze visie.’ Stilte dus, het leegscheppen van rumoer en ruis, om opnieuw te kunnen nadenken en spreken. Dat, en niets anders was de inzet van Rothko’s werk, hoe vaak hij ook door zijn tegenstanders als een wereldvreemde mysticus is weggezet. Maar wie zou dat laatste eigenlijk ooit serieus hebben kunnen nemen? Rothko, die als een geemigreerde Joodse intellectueel zich intensief verhield tot de politieke en filosofische discussies van zijn tijd, en de catastrofe van de Holocaust in zijn werk niet wilde verdonkermanen, maar er juist een uitdrukking voor zocht. Hij moest tot de conclusie komen, dat hoezeer hij ook van de menselijke figuur in de schilderkunst had gehouden, er na de oorlog een tijd aangebroken was ‘dat niemand van ons nog die figuur kon gebruiken zonder deze te verminken’. Daarom besloot hij eind jaren veertig de emoties en ervaringen van deze menselijke figuur tot kleurvlakken te verheffen. De gigantische ontwikkeling, die zijn werk de jaren na de oorlog doormaakt, van menselijke en mythologische figuren naar abstracte vlakken, heeft naar mijn idee ook met een politieke visie op de wereld, op de werkelijkheid te maken. De onmenselijke geweldplegingen van de oorlog, die elk menselijk verstand te boven gingen, brachten hem ertoe een laatste zoektocht naar de kern van menselijkheid te ondernemen. Of, zoals het zelf verwoordde: ‘Ik wil mensen daarheen brengen waar ze hun menselijkheid weer kunnen ervaren.’ En dat kan een werk, of dit nu een schilderij, een boek of een muziekstuk is, alleen voor elkaar krijgen, als het de geijkte patronen verlaat, de bestaande beelden en identificaties doorbreekt, en een ander perspectief kiest, waardoor er een nieuw gesprek over of een nieuwe interpretatie van de wereld, en van de mensen die haar bewonen, op gang gebracht kan worden. Het is opmerkelijk in hoeverre Rothko’s uitspraken hierover die van de Joodse filosofe Hannah Arendt, die in 1941 in New York neerstreek, op de vlucht voor het nazi-geweld, weerspiegelen. In ‘Over menselijkheid in donkere tijden’ (1959) benadrukt Arendt, evenals Rothko, het belang van het voeren van een dergelijk gesprek. ‘Want menselijk is de wereld niet omdat ze door mensen vervaardigd is, maar ze wordt pas menselijk als ze voorwerp van gesprek is. Pas als we erover spreken, vermenselijken wij zowel wat zich in de wereld als wat zich in ons zelf afspeelt, en door dit spreken leren we menselijk te zijn.’ De transgressieve elementen in Rothko’s werk zijn niet op een vage religieuze belofte gericht, maar op een ontmanteling van het bekende, het clichematige en een doorbreking van alles wat voor de mens vaststaat, inclusief zijn eigen identiteit, zoals we nog zullen gaan zien. Dat is het politieke of morele aspect van zijn werk, in de zin die Hannah Arendt daaraan gegeven heeft: het gebeuren van het nieuwe, oftewel de verwoording van een nieuwe visie op de wereld. Rothko verwoordde het als volgt: ‘Ik denk dat ik met een bepaalde zekerheid kan zeggen dat in mijn schilderijen mijn fascinaties vooral moreel zijn, en zij bevatten niets wat ook maar doet denken aan esthetica of technologie. Niets stimuleert mij daartoe meer dan het vinden van een manier om de werkelijke natuur van mijn betrokkenheid met het leven en het denken aan te wijzen, een betrokkenheid die naar mijn mening heel intensief en menselijk is.’ Het werk van Rothko terugbrengen tot formalistische aspecten, zoals onder meer de Amerikaanse criticus Greenberg deed, geeft geen rekenschap van deze ‘betrokkenheid met het leven’. Zijn doeken zijn niet tot louter esthetische of academisch kunsthistorische interpretaties te reduceren, maar roepen vragen op over de mens en de wereld en zijn alleen om die reden tevens politiek van aard. Hiermee bedoel ik nadrukkelijk niet dat Rothko politieke schilderijen maakte, of zich door een politiek programma liet leiden, zoals zijn collega’s in zijn moederland Rusland op dat moment gedwongen waren te doen. In tegendeel. Dergelijke ideologische kunst is tot mislukken gedoemd, juist omdat zij een van te voren verwoord dogma niet verder onderzoekt en het eigen werk in dienst moet stellen van de partij. Ik bedoel, dat je niet over de intentie en de motivatie van Rothko noch over de inlvoed en werking van zijn doeken kunt spreken, zonder de vraag naar de menselijke conditie, die hij zelf telkens opnieuw benadrukte, eveneens in ogenschouw te nemen. In een stuk in de Volkskrant over de expositie van Rothko die nu in London te zien is, stelt Michael Zeeman dat Rothko ‘een streng formalisme paarde aan een mystieke opvatting’. Hij slaat hiermee volgens mij de plank twee maal mis. Rothko’s werk is noch formalistisch noch iets mystieks. Het is werk dat vanuit een transcendentie van de klassieke vormen en identificaties, een morele zeggingskracht verkrijgt. Daar is niets zweverigs aan. In tegendeel. Het was, voor Rothko, evenals voor andere Joodse intellectuelen als Hannah Arendt, pure noodzaak. Maar
laten we niet te snel van stapel lopen. Ik had het over de ervaring van
stilte, of tenminste over het dimmen van het rumoer als je naar een werk
van Rothko kijkt. De vraag is waardoor deze wordt opgeroepen en vooral
ook: welke functie deze heeft. Maar voordat we die vraag kunnen beantwoorden,
moet meteen gezegd dat niet iedereen die ervaring heeft, zo blijkt wel
uit de kritieken die Rothko ten deel zijn gevallen. Zoals wel meer grote
kunstenaars voor hem, zo lijkt ook Rothko zijn publiek in tweeen te delen;
je wordt door de ervaring geraakt of niet. Als je bijvoorbeeld intens
van zijn werk houdt, zul je dat niet ook van bijvoorbeeld het nogal formele
werk van tijdgenoot Frank Stella doen. Het is moeilijk hier precies de
vinger op te leggen, maar als je gedwongen zou worden dit toch te doen,
zou je misschien kunnen zeggen dat het de laatste vooral om de vorm en
de eerste vooral om de inhoud te doen is. Rothko zegt dit zelf overigens
ook. Samen met Adolph Gottlieb en Barnett Newman pleitte hij voor ‘een
kunst met inhoud, met een dramatische kracht en met een tijdloze en universele
strekking’. Goed, de ervaring Rothko dus, of de gebeurtenis, zoals hij het zelf liever noemde. Behalve dat het rumoer afneemt en je blik dreigt te verzinken, vindt er ook nog iets anders merkwaardigs plaats. Je wordt als toeschouwer door het doek opgeeist. Je aanwezigheid, je blik, je fysieke bestaan lijkt op wonderlijke wijze te worden opgeeist door een groot stuk canvas met wat verf erop. Voor even lijkt het alsof je je niet langer tegenover dit doek bevindt, maar er zelf midden in terecht bent gekomen. Rothko wilde ook dat de doeken laag hingen en dat de toeschouwers er op slechts 40 cm vanaf gingen staan. De afstand tot het doek wordt met andere woorden tot bijna nul gereduceerd, ik zeg nadrukkelijk bijna, want als deze helemaal weg zou zijn, zou er ook geen ruimte meer voor een ervaring zijn. Niettemin overheerst de indruk dat het tegenover zijn, niet alleen tegenover dit doek, maar daarmee ook tegenover de wereld, lijkt te worden opgeheven. En hierin zit hem naar mijn idee de crux. Hier zit de verbinding tussen de transgressief meditatieve ervaring die Rothko’s werk teweegbrengt enerzijds, en zijn politieke of morele intentie een nieuw gesprek over de wereld op gang te brengen anderzijds. Ik zal proberen deze complexe verhouding nader uit te leggen. Laten we eerst Rothko zelf aan het woord laten. ‘Ik schilder grote schilderijen omdat ik een toestand van intimiteit wil scheppen. Een groot schilderij neemt je mee een schilderij in. Ik realiseer me dat grote schilderijen vaak iets pompeus hebben. Maar de reden waarom ik ze toch scjilder, is juist dat ik erg intiem en menselijk wil zijn. Als je een klein schilderij maakt, plaats je jezelf buiten je eigen ervaring. Als je echter een groot schilderij maakt, zit je er midden in. Het is niet langer iets wat alleen jij kan bepalen.’ Intimiteit,
menselijkheid en een zekere overgave, namelijk door het schilderij opgenomen
worden, een beweging die het ik als het ware te boven gaat: ‘het
is niet langer iets wat alleen jij kan bepalen.’ Waarom is dit eigenlijk
nodig? Om een nieuw gesprek over de mens, over de wereld op gang te kunnen
brengen, is de eerste vereiste dat men afstand doet van de idee fixes
en vaste overtuigingen waarmee men tot dan toe de wereld interpreteerde
en indeelde, en bereid is deze te herzien. Hoe noodzakelijker dit gesprek
is, hoe meer er op het spel staat, hoe drastischer men zich van die oude
huid moet ontdoen. Dit is geen aangenaam of comfortabel proces, maar een
proces dat ook pijn doet en weerzin oproept. Of, zoals Rothko het zelf
verwoordt: ‘Mijn schilderijen bieden geen ontspanning, ze zijn geen
massage, maar het tegendeel van rustgevend. Ze roepen de diepste gevoelens
van geweld, offerschap, extase en verdoemenis op. We schilderen niet voor
design studenten of kunsthistorici, maar voor mensen. En hun diep menselijke
reactie is het enige bevredigende voor een kunstenaar.’ Nietzsche,
de filosoof die Rothko naar eigen zeggen het meest nabij was, is de filosoof
die bij uitstek dit proces heeft beschreven. Hij noemt het ‘het
lijden aan nieuwe inzichten’, dat alleen dankzij het afstropen van
de oude huid kan gebeuren, en noodzakelijk is om tot verandering, tot
groei, tot ontwikkeling te komen, om kortom te kunnen ‘worden wie
je bent’, zoals de beroemde uitspraak van Nietzsche luidt. Dit worden
kan alleen geschieden, als je de vaste zekerheden van het ik verlaat en
voor een moment zonder houvast of aanknopingspunten komt te zitten. Het
is een ervaring die door Nietzsche ook wel extatisch wordt genoemd, omdat
het letterlijk een uitstaan naar is, ex-tase, een openstellen en overgave
aan het onbekende, zoals ons dat in bepaalde ervaringen van de kunst of
de liefde kan overkomen. Transcendentale ervaringen. Wat kan Rothko hier anders mee bedoelen dan een transgressie van de identiteit, die hij als voorwaarde ziet voor het scheppen van kunst? Het voert te ver hier uitvoerig op Nietzsche’s filosofie in te gaan, maar laat me er alleen dit nog over zeggen. Nietzsche heeft als geen ander de oneigenlijke identificaties van de taal en de ratio onderkend. ‘Wij geloven iets van de dingen zelf te weten als we van bomen, kleuren, sneeuw en bloemen spreken en toch bezitten we niets dan metaforen van de dingen, die met de oorspronkelijke wezens helemaal niet overeenstemmen’. De zogenaamde 'absolute waarheden' of 'eeuwige feiten' zijn talige conventies die aan de werkelijkheid dwingend worden opgelegd, maar waarvan het conventionele karakter (moedwillig) wordt vergeten. ‘In de hartstocht, de droom, de waanzin en de kunst daarentegen herontdekt de mens zijn voorgeschiedenis’, schrijft Nietzsche, dat wil zeggen datgene wat hij als kind nog was, ‘terwijl de geciviliseerde toestand het vergeten van deze ervaringen ontwikkelt’. De kunst kan ons naar dat duistere gebied terugvoeren dat verzonken ligt onder de taal en de rationaliteit, als de kunstenaar in staat is zich als het ware in een ‘buiten zich’ te begeven, letterlijk een ex-tase, dat wil zeggen in een gebied aan gene zijde van de identiteit, die hij aanvoelt als een terugkeer tot zijn vroegere, pre-identieke zelf. Om dat te kunnen schilderen, of te schrijven of te componeren, dient de kunstenaar zijn ‘ik’ te offeren. ‘Art’, schrijft Rothko, ‘is self-sacrifice’. Staande
tegenover een werk van Rothko, krijg je soms de indruk dat de toestand
van tegenover zijn wordt opgeheven. Dit tegenover zijn is iets wat de
Duitse dichter Rilke, onder invloed van Nietzsche en Lou Andreas-Salomé,
het Schicksahl, het lot van de volwassen mens heeft genoemd: ‘Nichts
als das und immer wieder: gegenuber sein.’ Dit tegenover zijn heeft
alles met taal, met identiteit en met het subject-object onderscheid te
maken, zonder welke wij niet zouden kunnen uitspreken. Op het moment dat
het kind leert ‘ik’ te zeggen en zich van de ander leert te
onderscheiden, maakt het niet langer deel uit van de omringende wereld,
maar komt het er als het ware tegenover te staan. Het onderscheidt zich
als ander van de ander en wordt daarmee als het ware opgesloten in zichzelf,
waardoor het de wereld daarbuiten nauwelijks meer kan bereiken. Als het
Rothko lukt om dit tegenover zijn in zijn doeken op te heffen, dan doet
hij niet anders dan onze afgezonderde en per definitie eenzame identiteit
voor een moment doorbreken, zodat we, bevrijd van dat harnas, een ervaring
kunnen hebben, die ons bewustzijn als het ware oprekt, of verruimt (enlarged
mentality) om nogmaals een term van Hannah Arendt te gebruiken. We hebben
ons dan niet alleen ten opzichte van ons zelf (en onze ingemomen standpunten
en vaste overtuigingen) getranscendeerd, maar ook ten opzichte van de
ander, dat wil zeggen we hebben al kijkende naar het doek het tegenover
de wereld, en de ander, staan eveneens opgeheven. We hebben niet alleen
een glimp van onze eigen ‘voorgeschiedenis’ kunnen opvangen,
we hebben ons ook voor de duur van de ervaring weer verbonden geweten
met de wereld, met de ander, waarvan we sinds de vorming van onze identiteit
gescheiden waren. Dit nu is een essentieel punt om het werk van Rothko
en zijn inzet ‘menselijkheid te herscheppen’ te begrijpen.
Hier komt als het ware de verbinding tussen de transgressieve, meditatieve
ervaring van zijn kunst en de mogelijke politieke strekking of invloed
om de hoek kijken. Pas op het moment van transgressie, dat leidt tot een
verruimd bewustzijn, lukt het ons met andere woorden het lot van de ander
beter te begrijpen, lukt het ons, in Rothko’s woorden, ‘menselijk
en intiem te zijn.’ Evenals
de action painters, stonden de pop art kunstenaars voor alles wat Rothko
niet was. Maar dit was de nieuwe generatie, die veel macht kreeg en zijn
kunst als een al lang gepasseerd station van oude mannen afdeed. Deze
pop art, die als geen andere stroming, de oppervlakkige kitsch van de
wereld imiteerde, en kunst louter als handelswaar zag, die succesvol aan
de lopende band van The factory van Warhol gefrabiceerd werd, was niet
alleen in tegenspraak met de kunst van Rothko, maar was, zoals hij dat
voelde, een regelrechte aanval op alles waar hij voor stond, én
was alles wat hij vreesde: een verminking van de kunst en daarmee van
de mens. De
biograaf James Breslin suggereert dat sommige vierkanten en rechthoeken
aan een traumatische anecdote uit Rothko’s jeugd in Rusland herinneren.
De kozakken van de Tsaar dwongen sommige joden uit zijn geboorteplaats
Dvinsk een rechthoekig graf in de bossen te graven, waarna ze er zelf
in kwamen te liggen. Enkele jaren later zouden dergelijke executies door
de nazi’s op grote schaal uitgevoerd worden. Rothko beweert zijn
leven lang achtervolgd te zijn door dat rechthoekige graf. Waar of niet,
zeker is dat de vraag: hoe te schilderen na Auschwitz, evengoed als de
vraag: hoe te schrijven na Auschwitz, die de filosoof Adorno in de jaarten
veertig opwierp, ook voor Rothko gold. Zijn antwoord, als dit al een antwoord
was, was een transcendentie van de menselijke figuur op een doek met spanningsvolle
kleurvlakken, die vaak van een wonderbaarlijke schoonheid en intensiteit
waren. Ook om dat wonderbaarlijke was het hem te doen. ‘Het belangrijkste
gereedschap dat de kunstenaar kan gebruiken is zijn geloof in eigen kunnen
om wonderen tot stand te brengen op het moment dat ze nodig zijn. Schilderijen
moeten wonderlijk zijn. Het schilderij moet voor de maker, evenals voor
ieder ander die het later zal ervaren - een openbaring zijn, een overwachte
ontknoping zonder precedent van een eeuwig verlangen.’ Als
de blik slechts materialistisch of kunsttheoretisch is, zullen zij ongevoelig
blijven voor de zeggingskracht van dit werk. Rothko gaat zelfs verder
dan dat. Hij noemt die blikken wreed. ‘Een schilderij leeft door
gezelschap; het ontplooit zich en leeft op in de ogen van de gevoelige
toeschouwer. Het kan echter ook sterven door hetzelfde gegeven. Hoe vaak
wordt een werk niet geschaad door de ogen van de ongevoelige en door de
wreedheid van de impotente mensen die hun kwellingen algemeen toepassen.’ Joke J. Hermsen |