Orakels 2

De ochtend komt op meeuwenvleugels,
Daalt neer en breekt de dageraad met kleur en met lucht;
Tovert de horizon in alle tinten grijs en roze,
En vult de zee met water, het strand met schelpen,
De duinen met gras en zand.
Toont de onderscheidingen,
In heel hun naakte eenvoud.

Waarom zijn jullie zo vroeg gekomen?
Valt hier soms iets te zien?
Moet ik mij nog verder ontkleden,
En uitleveren aan jullie met graagte gevulde blik?
Alles hebben jullie willen doorgronden.
Mijn dieptes en hoogtes, mijn stroming en golfslag,
De invloed van de maan op mijn eb en vloed.
Mijn stormen bedongen, mijn oceanen geslecht, mijn vissen verzwolgen,
En toen meenden jullie mij te kennen en in pacht te hebben.
Maar ik trek me niets aan van de kennis,
Die mij probeert te vergiftigen,
En uit te buiten en in te perken tot jullie kaders.
Want er is meer. Zoveel meer dan jullie kunnen weten.
En ik ben elders.
Want ik heb een streepje voor op jullie: ongrijpbare tijd.

Al die instrumenten die jullie hebben uitgevonden,
Om mij de maat te nemen,
Al die machines en motoren,
Om mij voorbij te snellen.
Maar luister hoe de zee in de verte ruist,
Zie hoe de golfslag aanspoelt op het strand,
En voel hoe je met lege handen staat.

Begin daar.
Met de leegte van je voetstap in het zand.
Begin opnieuw, breek het af, leg niets vast,
Want er is zoveel meer dan je blik kan waarnemen.
Laat je geest vrijelijk over het water zwerven
Merk hoe het tij zich in je keert,
En bevrijdt van ballast en beheersing en berouw,
En alles wegspoelt naar de zee
en alleen wat wrakhout en een lege fles achterlaat op de stranden van je ziel.

Tussen eb en vloed, licht en donker, binnen en buiten,
Water en zand, zoet en zout,
bevindt zich een van jullie blik verscholen wereld,
die teruggrijpt op de vroegste tijden,
en van alle landen en volkeren is,
bescheiden maar machtig.
Wees niet bang, ik zal je leiden.
Op voorwaarde dat je me laat zijn,
Dat je me laat zijn die ik ben:
Oneindigheid.