Vrouwelijke lust in de literatuur

Door Joke J. Hermsen


Wat is er toch zo bijzonder aan de vrouwelijke lust, dat die vrijwel continu op de cover van alle damesbladen prijkt? Zijn vrouwen hartstochtelijker dan mannen en houden ze zich daarom zoveel met de liefde en aanverwante erotische zaken bezig? Of zijn ze, na eeuwen van preutse moraal en kuisheidsgordels, soms met een gigantische erotische inhaalslag bezig? De meeste tijdschriften willen hun lezeressen ‘meer genot’, ‘een verbeterd seksleven’ of een ‘spannender relatie’ aanpraten. Een willekeurige greep uit de afgelopen weken. Cosmopolitan heeft een artikel over ‘First date issues’ met als ultieme tip: ‘zet je mobiel in de trilstand en praat nooit over je ex noch over emotionele onderwerpen’, Esta komt met een stuk over de ‘Vlinderfase’ en in Flair kunnen we lezen ‘hoe lekker mollig wel niet is’. Na het ‘beroemde borsten’ nummer, brengt Linda nu een stuk over de ‘aaibaarheid van bejaarden’ en publiceert Libelle een artikel over seksuele kwaaltjes, ‘waarmee je niet naar de dokter durft’. Verder houdt dit klassieke damesblad de moed erin met een artikel over ‘stellen, die langer leven’, doet Elegance hetzelfde in een stuk over ‘de liefde die overwint’ en heeft Elle de vette leuze ‘Sex, Jeans & Rock’n roll’ op de voorkant staan. Viva ten slotte geeft het woord aan ‘sekswerker Maria die het met gehandicapten doet’, maar ook aan Esmé Wegman van de Christenunie, die in de kop verzucht: ‘Altijd gaat het over sex. Daar heb ik de balen van.’

Als je in de kiosk langs de overvolle schappen loopt, kun je je de ergernis van dit nieuwe kamerlid wel een beetje voorstellen. Op gegeven moment doemt de vraag op of echt heel vrouwelijk Nederland op de ontdekking van de, al dan niet ‘squirtende’ g-plek zit te wachten? En als het een keer geen seks of erotiek is wat er op de cover staat, dan is het wel de liefde. Ook de relatie met vriend, vriendin of echtgenoot heeft blijkbaar de frequente ondersteuning van het favoriete tijdschrift nodig. Wat zou er eigenlijk zo mis zijn met de vrouwelijke lust en liefde, dat die al jaren lang thema nummer één van de vrouwentijdschriften zijn? Kunnen vrouwen niet eens beter gaan zweefvliegen of bergen beklimmen, zoals de filosofe Marli Huijer onlangs suggereerde, omdat ze van al die hartsperikelen en seksuele speeltjes toch alleen maar ongelukkig worden?
Eén blik op mijn boekenkast laat zien dat naar liefde en lust hunkerende vrouwen bepaald geen novum zijn in onze cultuur. Smachtende vrouwen te over in de literatuur van pakweg de afgelopen tweehonderd jaar. Alleen, het loopt helaas zelden goed met hen af. Van Anna Karenina van Tolstoi, die hopeloos verliefd wordt op de knappe officier Graaf Vronsky, tot aan de ijlende Catherine in Wuthering Heights van Brontë en de verveelde Madame Bovary van Flaubert, die haar zinnen stevast op de verkeerde mannen zet, zijn het vrouwen die hun harstochtelijke inborst meestal met de dood moeten bekopen. Anna stort zich voor een trein, Catherine overlijdt aan ijlkoortsen in haar kraambed en Emma neemt uit wanhoop een flinke dosis arsenicum in. Maar stierven deze vrouwen, omdat ze zich te weinig met bergklimmen bezighielden, of omdat het hen niet lukte hun verlangens binnen het nauw aangetrokken korset van de maatschappelijke verwachtingen te rijgen? Want tot diep in de 20e eeuw hadden vrouwen in het westen met strenge kuisheidsregels en sociale geboden te kampen. Zoals veel allochtone vrouwen tot op de dag van vandaag, werden zij destijds in een moreel keurslijf van trouw, plicht, zorg en zedelijkheid geperst. En dan gaat het opgegeven moment behoorlijk knellen en schuren en kan te lange leste alleen de wanhoop in de vorm van een al dan niet zelfverkozen dood nog een uitweg bieden.

Inmiddels is er natuurlijk veel veranderd. De buitensporige aandacht voor liefde en seks in de damesbladen zou je met enige goede wil een inhaalslag kunnen noemen. Eindelijk kunnen westerse vrouwen het keurslijf van de preutse moraal van zich afwerpen. Wellicht komen we daarom binnen de literatuur ook nauwelijks meer vrouwelijke personages tegen die nog sterven aan liefdespijn of onvervulde verlangens. De dames helpen zich tegenwoordig zelf uit de brand. Althans, in de boeken van autochtone schrijfsters, want in de romans van schrijfsters uit Noord-Afrika of India en Pakistan stijgen nog altijd de walmen van de doodsdreiging voor minder kuise vrouwen van de bladzijden op. Het gekke is alleen dat deze inhaalslag zich nog nauwelijks vertaald heeft in de literatuur. De door vrouwen geschreven verhalen op de erotische site shespot zijn sappig, maar meestal ook tamelijk triviaal. Je kunt hooguit zeggen dat ze zich het vocubalaire van de seks-industrie behendig eigen hebben gemaakt. Waar we dus nog op wachten in Nederland, is hoe deze lust en vrouwelijke erotiek zich nu ook eens fijnzinniger en dus spannender en veelzijdiger in romans gaat laten zien.
Hoewel vrouwelijke personages in hedendaagse romans nog zelden uit liefdesverdriet de hand aan zichzelf slaan, is er van enig overdonderend fysiek geluk of opwekkend erotisch genot nauwelijks sprake. Als er al seks aan te pas komt, is het ofwel heel naargeestig van aard, zoals in de laatste roman Hart in hart van Desanne van Brederode, of is het ronduit plat en voorspelbaar, zoals in de boeken van Heleen van Rooyen. Heel af en toe duikt er nog een regelrechte aanklacht op tegen de mannelijke seksualiteit, zoals in het onlangs in Vrij Nederland gepubliceerde pamflet De man, zijn penis en het mes van Kristien Hemmerechts. Daarin stelt zij dat veel sekscenes in romans van mannelijke collega’s als Kerouac of Coutzee ronduit seksistisch van aard, zo niet verkachtingen zijn, en dat daarmee de seksistische denkbeelden over vrouwen gelegitimeerd worden. Dat mag best zo zijn, denk ik dan, maar waarom gooien vrouwelijke schrijvers er dan niet hun eigen feminiene lusten tegenaan? Want de meeste gerenommeerde schrijfsters beperken zich tot complexe familie- en relatieperikelen, of verwoorden hooguit wat suggestieve verlangens en verliefdheden, maar zelden treffen we in hun boeken een rake vrijpartij of een prikkelende erotische fantasie aan.

En dat is op zijn zachts gezegd opmerkelijk. De seksuele revolutie heeft blijkbaar nog weinig weerslag gehad in de romans van Nederlandse schrijfsters. In de jaren tachtig meende men in de auteur Eefje Wijnberg, die een bijdrage aan de door Marin Ros samengestelde bundel ‘Rose verhalen’ had geschreven, eindelijk een veelbelovende, ongekuiste schrijfster te hebben ontdekt, maar het bleek een pseudoniem van Geerten Meijsing te zijn. Waar Frankrijk de afgelopen decennia een ware hausse aan vrouwelijke, erotische literatuur meemaakt, van Benoitte Groult, tot aan Annie Ernaux, Virginie Despentes, Catherine Millet en Veronique Olmi, moeten we het in Nederland toch vooral van Lydia Rood en sommige thrillerauteurs hebben. Wanneer komen we in de romans van Margriet de Moor, Rascha Peper, Anna Enquist of Renate Dorrestein nu eens een scène tegen waarvan onze buiken echt volschieten? Huwelijksleed en amoureuze verwikkelingen volop, maar naar wat er zich precies tussen de lakens afspeelt, moeten we maar gissen. Hoewel de damesbladen wekelijks vol staan met ronkende artikelen over seks, laten de meeste nederlandse schrijfsters het op dit punt dus afweten. Hoe zou dit komen? Zou er dan toch nog een laatste, literair taboe over zijn? Of valt de vrouwelijke lust domweg lastiger te beschrijven?

Op de vraag waarom zo weinig vrouwelijke auteurs zich op de duistere paden van de lust wagen, heeft de Oostenrijkse schrijfster en nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek een duidelijk antwoord klaar. Van haar eerste tot haar laatste roman laat Jelinek zien dat er in onze westerse samenleving, gestoeld op de beginsels van vrijheid en gelijkheid, maar één seksuele taal voor handen is, namelijk die van de man. `Seksualiteit is, in onze samenleving, overal en nergens. Maar de seksuele taal behoort echter puur en alleen de mannen toe', vertelde ze aan aan de krant Liberation naar aanleiding van de Franse vertaling van haar roman Lust. `De vrouw is nog altijd het object dat bekeken en begeerd wordt, maar niet van zichzelf kan spreken. De vrouwelijke lust kan volgens mij alleen in negatieve vorm uitgedrukt worden, dus bijvoorbeeld als parodie op de pornografische taal van de mannen.'
Deze ‘negatieve strategie’ past Jelinek feitelijk in al haar romans toe. Haar satire op de mannelijke seksualiteit mondt uit in even gruwelijke als fascinerende boeken, die over de specifieke vrouwelijke erotiek echter niet zoveel zeggen. De vrouwen in Jelineks boeken zijn dermate onderworpen aan de macht van de heersende, seksuele moraal, dat zij alleen het gedrag van mannen kunnen herhalen. Ze kunnen zich met andere woorden niet van hun sadistisch-masochistische universum bevrijden. Ze geloven dat hun lust alleen door geweld, vernedering en pijn kan worden opgewekt, zoals de pianolerares Erika Kohut in de roman De Pianiste, die haar leerling Walter Klemmer in een brief vriendelijk verzoekt om haar te vernederen. Het resultaat echter is een banale geweldscene, die zeker voor Erika niet het gewenste resultaat oplevert:
‘Hij eist nu energiek zijn recht op genegenheid, dat iedereen heeft, zelfs de slechtste. Klemmer, de slechterik, boort zich in de vrouw. Hij wacht tot zij gaat kreunen van genot. Erika voelt niets. Er komt niets. Er gebeurt niets. Of het is te laat, of het is nog te vroeg. De vrouw zegt openlijk dat zij het slachtoffer van bedrog schijnt te zijn, omdat ze niets voelt. Deze liefde is in wezen vernietiging. Klemmer slaat Erika in haar gezicht om gekreun tevoorschijn te toveren. Erika verlangt naar begeerte, maar zij begeert niets en voelt niets. Ze verzoekt de man derhalve heel gauw op te houden! Doordat hij haar nu weer harder slaat, met de vlakke hand, onder vermoeiend gesmeek om liefde, wordt het één grote gewelddaad.’

Het herhalen of overnemen van de mannelijke lust leidt in Jelineks visie onherroepelijk tot de vernietiging van vrouwen. Zolang vrouwen niet hun eigen lust kunnen verwoorden, zijn hun lichamen slechts gewillig vlees voor de mannelijke seks-industrie. Als er iets is wat er volgens haar dan ook om schreeuwt veranderd te worden, dan is het wel de seksuele norm. Zelf heeft Jelinek in Lust (Querido, 1993) geprobeerd een vrouwelijke tegenhanger van de erotische novelle Histoire de l'oeil van de Franse auteur Georges Bataille te schrijven. Het is haar naar eigen zeggen alleen niet gelukt. ‘Ik wilde vanuit een vrouwelijk gezichtspunt naar het obscene kijken en heb gemerkt dat een vrouw niet over lust kan spreken zonder in de taal van mannen te vervallen.’ In Lust lezen we over de eindeloze neukpartijen van fabrieksdirecteur Hermann met zijn vrouw Gerti. Iedere dag opnieuw ‘tilt hij haar uit de schoenen’, om haar over de tafel uit te spreiden en ‘af te stempelen’. Gerti is een ‘toilet’ waar Hermann zijn dagelijkse boodschap in kan doen. ‘En zijn pik boven zijn kloten slaapt nooit.’ Het enige wat Gerti moet doen, is ‘de poort openen, want hier woont hij, en zijn zaad kan hij slechts onder voorwendsels en voorhangsels moeizaam nog ophouden.’ De roman leest als een pornografisch delirium op de manier van de Markies de Sade of Bataille. Er zit inderdaad geen greintje vrouwelijke erotiek in en het geweld tegen vrouwen is allesoverheersend. ‘Als ik het over een mislukking heb’ zegt Jelinek, ‘dan bedoel ik dat er geen vrouwelijke taal van de erotiek mogelijk is, omdat het object van de pornografische blik nu eenmaal geen taal kan ontwikkelen die haar eigen is.’ Jelinek is vaker een overdreven fatalistische en zwartgallige kijk op seksualiteit verweten. Maar de drama’s in de kelders van de huizen in Oostenrijk, eerst Natascha Kamputz die acht jaar lang opgesloten zat en vervolgens Elisabeth Fritzl die vierentwintig jaar lang door haar vader misbruikt en bezwangerd werd, tonen aan dat de werkelijkheid altijd nog erger is dan in de meest gruwelijke roman van Elfriede Jelinek.

De verleiding is groot om Jelinek gezien deze laatste catafstrofes gelijk te geven. Als je de boeken van franse schrijfsters als Catherine Millet en Virginie Despentes, de boeken van Heleen van Rooyen of de verhalen op shespot leest, kun je moeilijk anders dan met haar instemmen dat hier vooral de pornografische taal van mannen herhaald wordt. Binnen de huidige machtsverhoudingen is er blijkbaar nog geen andere taal voor vrouwelijke erotiek voor handen, en dus, in Jelineks visie, ook geen leven. En toch vermoed ik dat we hier eerder met de laatste fase van de erotische inhaalslag te maken hebben dan met een feitelijke onmogelijkheid. Want er zijn al teksten voorhanden, waarbij de vrouwelijke lust wel op authentieke en originele wijze verwoord wordt. In Duitsland is een paar maanden geleden Feuchtgebiete van Charlotte Roche verschenen, een roman over een adolescente die volstrekt vrijmoedig en ongegeneerd over haar lichaam en seksualiteit spreekt. De roman werd meteen een enorme bestseller. In interviews vertelt Roche dat het haar stoorde dat ‘vrouwen geen taal hebben voor hun lust en dat zij daarom een heel nieuw vocubalaire voor het vrouwelijke lichaam en erotiek verzonnen heeft.’ Een ander voorbeeld is de vorig jaar verschenen roman De regen verandert niets aan de begeerte van de Franse schrijfsterVeronique Olmi. Tijdens de presentatie van de nederlandse vertaling in het Maison Descartes, vroeg ik haar of ze geen momenten van schaamte had gekend bij het schrijven van de opmerkelijk openhartige erotische passages. Ze keek verbaasd naar me op. `Het schrijven kent geen schaamte. Dat is juist het bijzondere eraan. In het schrijven word je verlost van elke schaamte.’ Later wel, gaf ze toe, als ze in boekhandels en theaters ten overstaan van de gretige ogen van het publiek fragmenten eruit moest voorlezen. Dan kon ze bijna niet geloven dat zij dat allemaal had opgeschreven.
De regen verandert niets aan de begeerte is het verhaal van een ontmoeting tussen twee mensen, die elkaar uit de gezamenlijke kennissenkring kennen. Op een regenachtige augustusmiddag besluiten ze het dit maal niet bij een sociaal verantwoorde lunch te laten, maar een hotelkamer in te duiken. We komen niet veel van deze man en vrouw te weten, behalve dan dat zij net een pijnlijke scheiding achter de rug heeft en dat hij zijn portie desillusies in de liefde ook wel heeft gekregen. Het zijn veertigers, getekend door de vele schipbreuken die vorige verhoudingen geleden hebben, en die nu, voor één middag, al die ellende willen vergeten en aan hun bijna wanhopige verlangen naar intimiteit, naar tederheid en naar seks willen toegeven. En dat gebeurt dan ook. In een minimalistische stijl van korte, bij vlagen heel poetische zinnen, beschrijft Olmi zo behoedzaam en zorgvuldig mogelijk wat er vanaf de eerste kus tot aan het laatste standje door de man en de vrouw ervaren wordt en wat het verlangen, de geilheid, de lust tot onderwerping en de wil tot overgave met hen doet.

‘Hij draaide haar om. Ze stond met haar voorhoofd tegen de muur, haar hart was op hol geslagen want ze wist niet waar hij haar zou nemen en dat was precies wat hij wilde. Dat ze niet wist wat hij ging doen en die onwetendheid accepteerde, dat ze hem haar vertrouwen schonk door hem alle delen van haar lichaam te bieden. Ze sloot haar ogen en zei, bij zichzelf, maar uit het allerdiepst het allerwaarste het allereigenste van zichzelf, Goed dan. En ze boog haar hoofd. Zette haar handpalmen tegen het jute dat naar stof rook, voelde zijn pik tegen de bovenkant van haar kont wrijven, de plek die ze lekker vond, vlak bij de kuiltjes in de holte van haar rug, en zijn roede was zacht, weldadig, een troost na dat brandende gevoel van de muur, zijn pik ging langzaam over haar kont, en hem zo dichtbij te voelen, zo machtig, en zo zelfverzekerd, zo beheerst zo vastbesloten, maar wel buiten haar, bracht zo´n smachten en zo´n genot tweeeg, dat zij haar vingers bij haar clitoris legde terwijl hij zich tegen haar aandrukte, zijn mond tegen haar haren, en zei Ja Ga jezelf maar vingeren, want dat raakte hem diep en hij wiegde zich tegen haar aan en ze hijgde nu, steels gekerm alsof ze huilde…´
Olmi beschrijft tussen de gedetailleerde seksscenes door hoe hij door haar te neuken ´ineens dicht bij haar waarheid komt’ en haar `weer bij elkaar raapt en één en verenigd en heel maakt’ en haar zo `haar waardigheid’ teruggeeft. Door haar te nemen, weet zij weer dat er `toch nog genoeg leven in haar zit om de moedeloosheid van een man in haar handen te dragen.’ De stijl is ingehouden, zeker, maar mist zijn doel niet. Althans niet bij mij. Olmi kruipt als het ware zo dicht mogelijk op de lichamen, ze is de derde die meekijkt, die meegeniet, en die probeert te doorgronden wat er precies in de man en vrouw omgaat. Af en toe laat ze zich gaan en dat zijn de meest poetische passages in de roman. Niet door het gebruik van lyriek, maar door het ritme van de zinnen te veranderen, door geen punten en nauwelijks komma’s meer te gebruiken, zodat de zinnen aan zichzelf te buiten lijken te gaan en één lange, diepe ademzucht worden. Dan is het net alsof de tijd wordt uitgerekt, zich uitspant en ontspant, net zoals de lichamen van de man en vrouw, waardoor de tekst en de vrijende lichamen in elkaar overlopen en één worden.
´En toen deed hij het. Zonder geweld. Deed het met een tederheid een vanzelfsprekendheid alsof hij haar al kende en wist dat hen dit beiden goed zou doen, geenerveerd door de zekerheid dat alleen hij haar anaal bezat en haar het gevoel gaf van binnen van fluweel te zijn, het gevoel gaf dat ze kostbaar en teer en sterk en warm was, en al heel snel werd hij gegrepen door de verrukking van die intieme daad, de verrukking, bij het zien van zijn pik tussen haar billen, en hij begon te bewegen alleen voor zichzelf maar vervreemd van zichzelf, hij dwaalde af en zij genoot van het gemak waarmee het gebeurde, de weergaloze trots deze man te geven wat niet alle vrouwen geven…´

In tegenstelling tot Virginie Despentes of Catherine Millet weet Olmi de bij vlagen rauwe en niet van wreedheid gespeende seks te verbinden met de tederheid en de intimiteit van twee elkaar beminnende lichamen. Dat het geen simpele pornografie is, komt omdat ze niet nalaat juist de vreemdheid van het andere lichaam te benadrukken, die veroveringstocht door het onbekende die nu eenmaal gemaakt moet worden om het verlangen vrij spel te kunnen geven, met alle obstakels van schaamte, angst en twijfel, maar ook met alle verwondering en verrukking van dien.
´Ze hield nu het hoofd van de man in haar beide geopende handpalmen, een gezicht tussen haar dijen het begin van de wereld de verwondering het eerste opdoemen daarom ontsnapten de woorden van gebeden uit haar keel Mijn God Mijn God Mijn God, omdat er iets anders gebeurde dan het leven hier beneden, wat hier gebeurde was het onbegrijpelijke was absoluut genot vervoering en mysterie wat ier gebeurde was onthechting en eendracht zelfoverstijging en harmonie, en ze kwam zo intens zo hevig klaar haar lichaam als een boog gespannen haar hoofd in haar nek haar handen losgerukt van de schedel van de man vastgeklampt aan de losgetrokken lakens, kwam klaar zoals je je verwondt zoals je strijdt zoals je overleeft in een kreet.´
Dit is geen gemakkelijke pornografie zoals de verhalen op shespot.nl, dit is geen gruwelijke imitatie a la Jelinek, dit is literatuur met een ronduit overdonderende zeggingskracht. De novelle van Veronique Olmi verwoordt in amper 127 bladzijden wat er zich op erotisch gebied tussen geliefden allemaal kan voordoen. Dat is niet alleen een prestatie van formaat, maar ook een eerbetoon aan de vrouwelijke erotiek. Het valt te hopen dat ook nederlandse schrijfsters deze literaire verkenningen van de vrouwelijke lust zullen voorzetten.

Dit essay is eerder gepubliceerd in het zomernummer van Opzij.