Vrouwelijke lust in de literatuur Door Joke J. Hermsen
Als je in de kiosk langs de overvolle schappen loopt, kun je je de ergernis
van dit nieuwe kamerlid wel een beetje voorstellen. Op gegeven moment
doemt de vraag op of echt heel vrouwelijk Nederland op de ontdekking van
de, al dan niet ‘squirtende’ g-plek zit te wachten? En als
het een keer geen seks of erotiek is wat er op de cover staat, dan is
het wel de liefde. Ook de relatie met vriend, vriendin of echtgenoot heeft
blijkbaar de frequente ondersteuning van het favoriete tijdschrift nodig.
Wat zou er eigenlijk zo mis zijn met de vrouwelijke lust en liefde, dat
die al jaren lang thema nummer één van de vrouwentijdschriften
zijn? Kunnen vrouwen niet eens beter gaan zweefvliegen of bergen beklimmen,
zoals de filosofe Marli Huijer onlangs suggereerde, omdat ze van al die
hartsperikelen en seksuele speeltjes toch alleen maar ongelukkig worden?
Inmiddels
is er natuurlijk veel veranderd. De buitensporige aandacht voor liefde
en seks in de damesbladen zou je met enige goede wil een inhaalslag kunnen
noemen. Eindelijk kunnen westerse vrouwen het keurslijf van de preutse
moraal van zich afwerpen. Wellicht komen we daarom binnen de literatuur
ook nauwelijks meer vrouwelijke personages tegen die nog sterven aan liefdespijn
of onvervulde verlangens. De dames helpen zich tegenwoordig zelf uit de
brand. Althans, in de boeken van autochtone schrijfsters, want in de romans
van schrijfsters uit Noord-Afrika of India en Pakistan stijgen nog altijd
de walmen van de doodsdreiging voor minder kuise vrouwen van de bladzijden
op. Het gekke is alleen dat deze inhaalslag zich nog nauwelijks vertaald
heeft in de literatuur. De door vrouwen geschreven verhalen op de erotische
site shespot zijn sappig, maar meestal ook tamelijk triviaal. Je kunt
hooguit zeggen dat ze zich het vocubalaire van de seks-industrie behendig
eigen hebben gemaakt. Waar we dus nog op wachten in Nederland, is hoe
deze lust en vrouwelijke erotiek zich nu ook eens fijnzinniger en dus
spannender en veelzijdiger in romans gaat laten zien. En dat is op zijn zachts gezegd opmerkelijk. De seksuele revolutie heeft blijkbaar nog weinig weerslag gehad in de romans van Nederlandse schrijfsters. In de jaren tachtig meende men in de auteur Eefje Wijnberg, die een bijdrage aan de door Marin Ros samengestelde bundel ‘Rose verhalen’ had geschreven, eindelijk een veelbelovende, ongekuiste schrijfster te hebben ontdekt, maar het bleek een pseudoniem van Geerten Meijsing te zijn. Waar Frankrijk de afgelopen decennia een ware hausse aan vrouwelijke, erotische literatuur meemaakt, van Benoitte Groult, tot aan Annie Ernaux, Virginie Despentes, Catherine Millet en Veronique Olmi, moeten we het in Nederland toch vooral van Lydia Rood en sommige thrillerauteurs hebben. Wanneer komen we in de romans van Margriet de Moor, Rascha Peper, Anna Enquist of Renate Dorrestein nu eens een scène tegen waarvan onze buiken echt volschieten? Huwelijksleed en amoureuze verwikkelingen volop, maar naar wat er zich precies tussen de lakens afspeelt, moeten we maar gissen. Hoewel de damesbladen wekelijks vol staan met ronkende artikelen over seks, laten de meeste nederlandse schrijfsters het op dit punt dus afweten. Hoe zou dit komen? Zou er dan toch nog een laatste, literair taboe over zijn? Of valt de vrouwelijke lust domweg lastiger te beschrijven? Op
de vraag waarom zo weinig vrouwelijke auteurs zich op de duistere paden
van de lust wagen, heeft de Oostenrijkse schrijfster en nobelprijswinnaar
Elfriede Jelinek een duidelijk antwoord klaar. Van haar eerste tot haar
laatste roman laat Jelinek zien dat er in onze westerse samenleving, gestoeld
op de beginsels van vrijheid en gelijkheid, maar één seksuele
taal voor handen is, namelijk die van de man. `Seksualiteit is, in onze
samenleving, overal en nergens. Maar de seksuele taal behoort echter puur
en alleen de mannen toe', vertelde ze aan aan de krant Liberation naar
aanleiding van de Franse vertaling van haar roman Lust. `De vrouw is nog
altijd het object dat bekeken en begeerd wordt, maar niet van zichzelf
kan spreken. De vrouwelijke lust kan volgens mij alleen in negatieve vorm
uitgedrukt worden, dus bijvoorbeeld als parodie op de pornografische taal
van de mannen.' Het herhalen of overnemen van de mannelijke lust leidt in Jelineks visie onherroepelijk tot de vernietiging van vrouwen. Zolang vrouwen niet hun eigen lust kunnen verwoorden, zijn hun lichamen slechts gewillig vlees voor de mannelijke seks-industrie. Als er iets is wat er volgens haar dan ook om schreeuwt veranderd te worden, dan is het wel de seksuele norm. Zelf heeft Jelinek in Lust (Querido, 1993) geprobeerd een vrouwelijke tegenhanger van de erotische novelle Histoire de l'oeil van de Franse auteur Georges Bataille te schrijven. Het is haar naar eigen zeggen alleen niet gelukt. ‘Ik wilde vanuit een vrouwelijk gezichtspunt naar het obscene kijken en heb gemerkt dat een vrouw niet over lust kan spreken zonder in de taal van mannen te vervallen.’ In Lust lezen we over de eindeloze neukpartijen van fabrieksdirecteur Hermann met zijn vrouw Gerti. Iedere dag opnieuw ‘tilt hij haar uit de schoenen’, om haar over de tafel uit te spreiden en ‘af te stempelen’. Gerti is een ‘toilet’ waar Hermann zijn dagelijkse boodschap in kan doen. ‘En zijn pik boven zijn kloten slaapt nooit.’ Het enige wat Gerti moet doen, is ‘de poort openen, want hier woont hij, en zijn zaad kan hij slechts onder voorwendsels en voorhangsels moeizaam nog ophouden.’ De roman leest als een pornografisch delirium op de manier van de Markies de Sade of Bataille. Er zit inderdaad geen greintje vrouwelijke erotiek in en het geweld tegen vrouwen is allesoverheersend. ‘Als ik het over een mislukking heb’ zegt Jelinek, ‘dan bedoel ik dat er geen vrouwelijke taal van de erotiek mogelijk is, omdat het object van de pornografische blik nu eenmaal geen taal kan ontwikkelen die haar eigen is.’ Jelinek is vaker een overdreven fatalistische en zwartgallige kijk op seksualiteit verweten. Maar de drama’s in de kelders van de huizen in Oostenrijk, eerst Natascha Kamputz die acht jaar lang opgesloten zat en vervolgens Elisabeth Fritzl die vierentwintig jaar lang door haar vader misbruikt en bezwangerd werd, tonen aan dat de werkelijkheid altijd nog erger is dan in de meest gruwelijke roman van Elfriede Jelinek. De
verleiding is groot om Jelinek gezien deze laatste catafstrofes gelijk
te geven. Als je de boeken van franse schrijfsters als Catherine Millet
en Virginie Despentes, de boeken van Heleen van Rooyen of de verhalen
op shespot leest, kun je moeilijk anders dan met haar instemmen dat hier
vooral de pornografische taal van mannen herhaald wordt. Binnen de huidige
machtsverhoudingen is er blijkbaar nog geen andere taal voor vrouwelijke
erotiek voor handen, en dus, in Jelineks visie, ook geen leven. En toch
vermoed ik dat we hier eerder met de laatste fase van de erotische inhaalslag
te maken hebben dan met een feitelijke onmogelijkheid. Want er zijn al
teksten voorhanden, waarbij de vrouwelijke lust wel op authentieke en
originele wijze verwoord wordt. In Duitsland is een paar maanden geleden
Feuchtgebiete van Charlotte Roche verschenen, een roman over een adolescente
die volstrekt vrijmoedig en ongegeneerd over haar lichaam en seksualiteit
spreekt. De roman werd meteen een enorme bestseller. In interviews vertelt
Roche dat het haar stoorde dat ‘vrouwen geen taal hebben voor hun
lust en dat zij daarom een heel nieuw vocubalaire voor het vrouwelijke
lichaam en erotiek verzonnen heeft.’ Een ander voorbeeld is de vorig
jaar verschenen roman De regen verandert niets aan de begeerte van de
Franse schrijfsterVeronique Olmi. Tijdens de presentatie van de nederlandse
vertaling in het Maison Descartes, vroeg ik haar of ze geen momenten van
schaamte had gekend bij het schrijven van de opmerkelijk openhartige erotische
passages. Ze keek verbaasd naar me op. `Het schrijven kent geen schaamte.
Dat is juist het bijzondere eraan. In het schrijven word je verlost van
elke schaamte.’ Later wel, gaf ze toe, als ze in boekhandels en
theaters ten overstaan van de gretige ogen van het publiek fragmenten
eruit moest voorlezen. Dan kon ze bijna niet geloven dat zij dat allemaal
had opgeschreven.
‘Hij draaide haar om. Ze stond met haar voorhoofd tegen de muur,
haar hart was op hol geslagen want ze wist niet waar hij haar zou nemen
en dat was precies wat hij wilde. Dat ze niet wist wat hij ging doen en
die onwetendheid accepteerde, dat ze hem haar vertrouwen schonk door hem
alle delen van haar lichaam te bieden. Ze sloot haar ogen en zei, bij
zichzelf, maar uit het allerdiepst het allerwaarste het allereigenste
van zichzelf, Goed dan. En ze boog haar hoofd. Zette haar handpalmen tegen
het jute dat naar stof rook, voelde zijn pik tegen de bovenkant van haar
kont wrijven, de plek die ze lekker vond, vlak bij de kuiltjes in de holte
van haar rug, en zijn roede was zacht, weldadig, een troost na dat brandende
gevoel van de muur, zijn pik ging langzaam over haar kont, en hem zo dichtbij
te voelen, zo machtig, en zo zelfverzekerd, zo beheerst zo vastbesloten,
maar wel buiten haar, bracht zo´n smachten en zo´n genot tweeeg,
dat zij haar vingers bij haar clitoris legde terwijl hij zich tegen haar
aandrukte, zijn mond tegen haar haren, en zei Ja Ga jezelf maar vingeren,
want dat raakte hem diep en hij wiegde zich tegen haar aan en ze hijgde
nu, steels gekerm alsof ze huilde…´ In
tegenstelling tot Virginie Despentes of Catherine Millet weet Olmi de
bij vlagen rauwe en niet van wreedheid gespeende seks te verbinden met
de tederheid en de intimiteit van twee elkaar beminnende lichamen. Dat
het geen simpele pornografie is, komt omdat ze niet nalaat juist de vreemdheid
van het andere lichaam te benadrukken, die veroveringstocht door het onbekende
die nu eenmaal gemaakt moet worden om het verlangen vrij spel te kunnen
geven, met alle obstakels van schaamte, angst en twijfel, maar ook met
alle verwondering en verrukking van dien. Dit essay is eerder gepubliceerd in het zomernummer van Opzij. |