To
tell a story is to lose it
Over
Edmond Jabès: schrijverschap & ballingschap.
Lezing
Perdu, 9 februari
To
tell a story is to lose it, zei Edmond Jabès in een interview
uit 1978 tegen Paul Auster, opgenomen in de essaybundel The Art
of Hunger, en daarom schrijft geen enkele schrijver ooit zijn
laatste boek, en zal hij steeds weer opnieuw beginnen. Elke schrijver
is in die zin ook een jood, voegt hij daaraan toe, omdat elke
schrijver in ballingschap leeft, rondzwerft, van hot naar her
en van boek naar boek, in de hoop een plek te vinden dat hij voor
de duur van het boek het zijne of het hare kan noemen. Het boek,
aldus de in 1912 in Egypte geboren Joodse schrijver Edmond Jabès,
is voor de duur van het schrijven het land waar hij zichzelf kan
terugvinden, het dak boven zijn hoofd dat hem de kans biedt zijn
geschiedenis te ontrafelen, een verhouding tot zijn traditie te
vinden en de waarheid omtrent zichzelf en de wereld op het spoor
te komen.
|
|
| |
|
Het
was natuurlijk maar een vergelijking die Jabès in het gesprek met
Auster maakte. Hij wist ook wel dat je als niet-joodse schrijver niet
dezelfde geschiedenis deelt of dezelfde risico's loopt dan joodse schrijvers,
maar hij bedoelde dat schrijvers op een bepaalde manier allemaal dolende
zijn, en dat de enige traditie waarvan ze werkelijk deel kunnen uitmaken,
het enige huis dat ze kunnen betrekken, die van het woord is. Maar ook
al vinden ze tijdelijk onderdak in hun werk, een verhaal vertellen is
het verliezen. Elk boek, wat de schrijver ooit voor ogen mocht hebben
gestaan, zal nooit het boek worden dat hij daadwerkelijk ook geschreven
heeft. En daarom moet hij doorschrijven, en houdt het schrijven noch het
dolen ooit op.
Edmond Jabès verliet zijn vaderland Egypte ten tijde van de Suez-crisis,
in 1957 en verhuisde naar Parijs, waar hij in 1991 overleed. Doen deze
feiten ertoe? Waarschijnlijk niet, behalve dan dat Jabes vaak als een
Franse schrijver wordt gezien, terwijl hij eigenlijk een Italiaanse Jood
was die tot zijn 44e in Egypte woonde, daar Franse scholen bezocht en
vervolgens werkte en pas in 1957, met het aan de macht komen van Nasser,
gedwongen werd Egypte te verlaten. Het dolende, nomadische van zijn bestaan
komt dus niet alleen in zijn schrijverschap, maar ook in zijn biografie
expliciet naar voren. Vanaf zijn aankomst in Parijs, weigert hij een andere
woonplaats dan die van het boek te accepteren. Ook het Joodse geloof kan
hem geen onderdak bieden, aangezien hij zich als een ongelovige, als een
jood zonder religie, ziet. Jabès doorbraak in Frankrijk en daarbuiten,
behalve helaas in Nederland, kwam eind jaren zeventig met het boek Le
livre des questions. Daarvoor had hij al veertien poeziebundels gepubliceerd,
die hij zelf als zijnde verwant met het surrealisme, met name met Eluard,
Max Jacob, en ook René Char typeerde. Le Livre des Questions is
geen poeziebundel, maar het is ook geen roman of een essay of toneelstuk;
het is een mengeling van al deze genres; een verzameling van dialogen
en aforismen, die allen cirkelen rond de vraag: hoe te zeggen wat niet
gezegd kan worden? Dit onzegbare verwijst niet alleen naar de onmogelijkheid
woorden te vinden voor wat er tijdens de Holocaust heeft plaatsgevonden,
maar ook naar het onzegbare als de immer wijkende horizon van de literatuur.
Het boek van de vragen zou hij nooit geschreven hebben, vertelt Jabès
aan Auster, als hij niet vanwege zijn joods-zijn Egypte had moeten verlaten.
Dit boek is dus ook letterlijk het produkt van een gedwongen ballingschap.
En ook van het, als ongelovige en niet praktiserende jood op zich nemen
van de joodse geschiedenis, die hij vervolgens op een bijna vanzelfsprekende
manier aan die van het schrijverschap zal gaan verbinden. In Parijs, vertelt
Jabes, `leef ik buiten de historische joodse traditie, en is het boek
mijn enige, ware plek geworden. Schrijver zijn betekent voor mij bijna
hetzelfde als joods zijn, want elke schrijver, elke schepper leeft in
een soort ballingschap. Het boek is voor zowel de jood als de schrijver
niet alleen de plek waar hij zichzelf kan vinden, maar ook de plek waar
hij de waarheid kan vinden. Want het bevragen van een boek is altijd een
zoektocht naar waarheid…’
Met het Livre des questions wilde Jabès geen gewoon verhaal vertellen.
Of liever, hij wilde geen verhaal op de gewone manier vertellen. Hij wilde
een verhaal vertellen zonder het te vertellen. `het was net alsof het
verhalen waren die niet verteld hoefden te worden om toch gelezen en begrepen
te worden.’ In Het boek der vragen, maar ook in de volgende delen
Het boek van Yukel en Terugkeer naar het boek, staan twee geliefden centraal,
Sarah en Yukel, die van de kampen zijn teruggekomen; de vrouw is gek geworden
en haar leed is onafscheidelijk verbonden met dat van het eeuwenlang vervolgde
Joodse volk. De man, een schrijver, pleegt in het tweede deel zelfmoord,
en alles speelt zich af na zijn dood, maar, zo zegt Jabès, eigenlijk
ook voor zijn dood, net zoals het geheugen, dat niet op een bepaald punt
begint of eindigt, maar altijd ook dat wat er voorkomt, het onheuglijke
en onherinnerbare in zich draagt. Hun verhaal, dat nauwelijks verteld
wordt, ligt als het ware ingebed in de uitvoerige commentaren van meerdere,
denkbeeldige rabbies, die nadenken en spreken over wat er met Sarah en
Yukel is gebeurd en vragen stellen. Of liever, hun verhaal komt pas in
deze vaak schitterende, poetische commentaren naar boven. Op zich is hun
verhaal afwezig, net als de verborgen God van de Joodse religie; het openbaart
zich slechts in de dialogen en interpretaties van de rabbies. Zij kunnen
alleen met elkaar praten door vragen te stellen, en elke vraag leidt weer
tot een volgende vraag. Het zijn gesprekken, `dialogen’, zegt Jabès,
`in en buiten de tijd’, die telkens opnieuw onderbroken worden.
De weinige antwoorden die er gegeven worden, roepen onmiddellijk nieuwe
vragen op.’ Ook het boek zelf, al biedt het tijdelijk onderdak aan
de schrijver en aan de lezer, kan kortom geen laatste antwoord, geen laatste
waarheid, geen vaste woonplaats bieden.
De vraag die ik me vanavond wil stellen is deze: Waar berust de verhouding
tussen ballingschap en schrijverschap nu precies op? Wat delen zij? Wat
is hun onderlinge verbondenheid, behalve dan het gegeven dat ook een schrijver
nooit aankomt, nooit zijn definitieve bestemming in een boek vindt, en
daarom altijd door moet schrijven? Wat is er dan toch zo bijzonder aan
schrijven, aan scheppen, dat we nooit kunnen zeggen, hoe graag we dat
misschien ook zouden willen: het is klaar, het is voltooid, en als het
even meezit, `niet onopgemerkt gebleven’. Waarom is geen enkel boek
ooit het boek wat je aan het begin van plan was te gaan schrijven? Waarom
is elk boek, hoe geslaagd ook, nooit meer dan een benadering van hetgeen
ooit de bedoeling was? Waarom draagt elk boek kortom die onvoltooidheid
en dat falen als het ware in zich? Om enig inzicht in die vragen te krijgen,
heb ik voor vanavond de postuum gepubliceerde bundel Verlangen naar een
aanvang, vrees voor een enkel einde herlezen, die Henk van der Waal begin
jaren negentig in het Nederlands vertaalde, en waarvan alleen al de titel
een mogelijk antwoord op de gestelde vragen in het vooruitzicht stelt.
Schrijven zou, aldus Jabès, zowel het verlangen naar een aanvang
als de vrees voor een einde zijn. Schrijven zou met andere woorden beantwoorden
aan het verlangen telkens opnieuw te beginnen, waarmee de vorige poging,
die altijd, zoals hiervoor verwoord, door een zeker mislukken wordt gekenmerkt,
kan worden uitgewist, of liever hernomen kan worden. En dit alles in de
wetenschap dat ook deze nieuwe poging niet in een definitief succes zal
uitmonden. `Elk van mijn boeken’, schrijft Jabès, `is op
een bepaalde manier het begin van een ander boek dat nooit geschreven
zal worden….’ Schrijven kortom als een voortdurende ervaring
van gefnuikt optimisme, je verlangt iets te beginnen waarvan je vooraf
al weet dat het toch niet helemaal zal lukken, maar wat je toch niet kunt
laten, omdat de poging nog altijd bevredigender is dan helemaal niet meer
te schrijven. Misschien kunnen we in die zin stellen dat elke vorm van
schrijven uiteindelijk een vorm van essayistiek in, in de zin dat het
een `proberen’ is, waarnaar het franse woord essai verwijst, een
uitprobeersel, een poging een waarheid te benaderen, die zich op het laatste
moment weer van je af zal wenden. In het schrijven ga je ergens naar op
weg, richt je je op een bepaalde horizon, die echter zodra je hem benadert,
weer zal wijken.
Maar stel nu eens dat dit niet zou gebeuren. Stel dat je de waarheid op
de staart zou kunnen trappen en bij de lurven zou kunnen grijpen en in
boekvorm aan een publiek voor zou kunnen leggen? Afgezien van de vraag
of de waarheid zich wel ooit op die directe manier in de bek laat kijken
en of die dan niet te verschrikkelijk voor woorden zou zijn, is de vraag
die daar onherroepelijk op volgt: wat dan? Ophouden met schrijven zou
daarop het enig mogelijke antwoord zijn. En dat is iets wat schrijvers
ten alle tijden lijken te willen voorkomen, want gevangen door de `vrees
voor een enkel einde.’ Waar komt die vrees precies vandaan? Waarom
zou het zo erg zijn met schrijven voorgoed op te houden? Zou het kunnen
dat dit zo is, omdat schrijven niet zomaar het produceren van woorden
en letters en zinnen op papier is, dat anderen kunnen lezen, maar ook
en vooral omdat het iets wezenlijks met de schrijver zelf doet? Omdat
het hem ruimte, afstand, mogelijkheid, kans op worden en veranderen, kans
op leven kortom biedt? In die zin zou de vrees voor een enkel einde dus
niet alleen de vrees voor een laatste boek bevatten, maar ook de vrees
voor het einde van de schrijver zelf.
`Elk boek dat ik begin te schrijven wordt nooit het boek dat ik wilde
schrijven,’ vertelt Jabès aan Auster. `Als ik het boek zou
kunnen schrijven dat ik in mezelf draag, dan zou het het laatste boek
zijn. Maar dit boek is onmogelijk. Als ik schrijf, dan is het omdat ik
dat boek alijtd weer opnieuw probeer te schrijven.’ Waarop Auster
de bekende uitspraak van Beckett citeert: `to be an artist is to fail,
as no other dares fail…’ en Jabès instemmend antwoordt:
`Ja, dat is een hele mooie en ware uitspraak, ja, dat is het precies?’
Wat is er zo mooi aan falen? Wat gebeurt er dan in het schrijven dat het
ondanks al het falen toch de moeite waard is, sterker nog de levenskansen
van de schrijver in bepaalde zin vergroot? En dat bedoel ik uiteraard
in meer abstract existentieeele zin, want de meeste schrijvers leven zo
ongezond dat de oppervlakkige conclusie dat schrijven hun levenskansen
verkleint eerder gerechtvaardigd lijkt. Waarom begint een schrijver met
schrijven, zelfs al hij weet dat het een min of meer verdoemd bestaan
is, omdat het hem toch nooit helemaal zal lukken? Hij schrijft, stelt
Jabès, omdat hij niet tevreden is met de antwoorden die gegeven
worden op vragen als: wie ben ik? Hoe heet ik? Waar kom ik vandaan? Het
onbevredigende aan alle mogelijke antwoorden zit hem volgens Jabès
daarin, dat deze `ons nooit helemaal zullen bevatten.’ Ze vertellen
kortom nooit het hele verhaal over ons zelf. Er blijft altijd iets ongezegds,
iets wat er niet verteld wordt, en juist dat iets dat niet wordt ingevuld,
dat niet wordt vastgelegd in taal, zou wel eens het belangrijkste kunnen
zijn. De waarheid is misschien precies dat ontbrelkende, die leegte, zegt
Jabès. En dus zit er niets anders op dan door te vragen, door te
schrijven. Schrijvers onderzoeken die leegte, niet alleen omdat ze niet
tevreden met de antwoorden zijn, maar ook omdat antwoorden volgens Jabès
een zekere macht op ons willen uitoefenen, terwijl schrijven en vragen
een vorm van niet-macht is.
Hiermee raken we tegelijkertijd ook aan de impliciet politieke strekking
van literatuur, die in Jabès gedachtengang verborgen ligt. Schrijven
zou niet alleen een ondervragen en onderzoeken van de schrijver zelf zijn,
maar door dat te doen is het tevens een teweerstelling tegen totalitaire
machtsuitoefening. Literatuur is voor Jabès, net als voor schrijvers
als Maurice Blanchot, Samuel Beckett, Paul Celan en de Joodse filosofe
en schrijfster Sarah Kofman, een schrijven zonder macht. Wat wordt daar
mee bedoeld? Sarah Kofman herneemt in haar Paroles Suffoquees de vraag
die de filosoof Adorno vlak na de oorlog heeft gesteld. Hoe, zo luidt
die vraag, kan datgene herinnerd worden, hoe kan datgene ter sprake komen
wat in Auschwitz gebeurde, en dat ons begrip en dus ook onze taal te buiten
gaat? Hoe te spreken over Auschwitz, `waar niet alleen de slachtoffers,
maar de mensheid zelf gestorven is?, omdat wat daar heeft plaatsgevonden
erger dan de dood is geweest?' Om uit deze impasse te komen, stelt Kofman
een `schrijven zonder macht' voor: `Spreken - er moet worden gesproken
- zonder macht: zonder dat de soevereine taal de absolute onmacht en hulpeloosheid
overheerst'. Auschwitz heeft de mensheid, aldus Kofman, `een onherroepelijke
verwonding toegebracht.' Maar ondanks al het geweld bleef er toch iets
onuitroeibaars menselijks in de mens achter: een laatste, ver weg verscholen
kern van menselijkheid. De nazi's probeerden weliswaar de gevangenen in
de kampen te ontmenselijken, maar haar vader is voor Sarah
Kofman het voorbeeld geweest dat ze hierin nooit volledig zijn geslaagd.
Haar vader werd levend begraven omdat hij in het kamp de sabbat wilde
vieren. Dat hij ondanks alle vernederingen en geweldplegingen in staat
bleek verzet te plegen en tegen het verbod van het vieren van de sabbat
in durfde gaan, is voor Kofman een teken dat het totalitaire project van
volledige ontmenselijking niet gelukt is. Haar vader bleek ondanks alles
in staat een relatie tot het absoluut vreemde, het oneindig afstandelijke
van de Joodse God te onderhouden, hetgeen tevens het niet-reduceerbaar
menselijke in hem zelf vormde waar de nazi's geen vat op konden krijgen.
Op het spoor van dit niet reduceerbaar menselijke komen, kan
volgens Kofman, en volgens Jabès, alleen als er zonder de
macht van een soevereine taal gesproken wordt. Voor Jabès betekent
dit behalve vragen stellen in plaats van antwoorden opleggen ook het richten
op het niets, op de leegte, op de woestijn. Kofman spreekt op haar beurt
over ruimte scheppen voor het zwijgen van degenen die niet konden spreken'.
Paul Celan noemt het een schaduwvol spreken. Leegte, zwijgen, schaduw,
woestijn, het lijken allen metaforen voor het onzegbare te zijn. Dit onzegbare
verwijst enerzijds naar het geweld dat heeft plaats gevonden en waarvoor
geen woorden zijn, en anderzijds naar dat wat verzwegen wordt als er antwoord
wordt gegeven op de vraag: wie ben ik? Het bijzondere aan het werk van
Jabès is dat hij deze twee noties van het onzegbare samen probeert
te denken. Waar het een een verwijzing is naar het geweld dat heeft plaastgevonden,
is het andere een verwijzing naar datgene wat onder de identificaties
bedolven en onzichtbaar is geraakt.
Zonder macht schrijven, betekent voor Jabès vragen stellen, en
dan met name vragen aan jezelf. Dit jezelf ter discussie stellen is niet
anders dan een poging onder de eenduidig determinerende identificaties
weg te kruipen, die je bestaan, je leven, je identiteit tot een optelsom
van bepaalde feiten willen reduceren en je op grond daarvan vervolgens
willen rangschikken, ordenen, diskwalificeren of erger, vermoorden. Bijvoorbeeld
joods zijn, een reductie die aan zovelen het leven heeft gekost. Maar
Jabès verbreedt dit nog door te stellen dat elke reductie tot een
specifiek ìk’ als een vorm van sterven, of misschien zelfs
wel als moord begrepen moet worden. Je wordt vastgelegd op iets wat je
niet (helemaal of alleen) bent. Of zoals hij in het tweede deel van de
dichtbundel, Vrees voor een enkel einde, schrijft: `De spiegel kaatst
slechts een enkel beeld van ons terug. Het beeld dat hij heeft vastgehouden
en ons openbaart.’ En elders: `In de spiegel van mijn badkamer zie
ik een gezicht verschijnen dat het mijne zou hebben kunnen zijn, maar
het leek alsof de gelaatstrekken ervan voor de eerste maal werden blootgelegd.
Gezicht van een ander, en toch zo vertrouwd. Toen ik mijn herinneringen
bij elkaar veegde ontdekte ik er de man in met wie men mij verwart, maar
waarvan ik als enige weet dat hij voor mij altijd een vreemde is geweest.’
Waar het hem telkens weer om gaat is `beproefd te worden door wat ons
in het spiegelbeeld onthouden wordt.’ Is het de onreduceerbaar menselijke
kern waar Kofman over spreekt? Is het alles wat in de taal verzwegen wordt,
omdat het zich aan elke symbolische ordening onttrekt? Is het onze `ziel”?
Zijn het onze eerste, pre-talige ervaringen, die we ons niet bewust meer
kunnen herinneren, maar niettemin in ons zijn achtergebleven? Is het alles
wat verdrongen is? Het is misschien al dat, of misschien is het ook nog
iets anders. Maar wat er toe doet, is dit onbeheersbare, oncontroleerbare,
onzegbare als waarheid te veronderstellen, en er in het schrijven naar
op zoek te gaan. Ware het alleen maar om achter het ìk’ te
kunnen tasten.
Zodra je het over het onzegbare gaat hebben, begeef je je op glad ijs.
Het valt immers niet te zeggen. Niettemin roept Jabès ons voortdurend
op het wel te proberen. Laten we zijn gedachtengang dus nogmaals hernemen.
Schrijven is voor Jabès een poging achter het spiegelbeeld te grijpen,
je van het `enkele beeld ‘ te bevrijden, en beproefd te worden door
wat je niet in de spiegel ziet. Dat op zich kan al als een schrijven tegen
de reducerende macht van de identificaties gezien worden. Het schrijven
wordt als het ware in gang gezet door die ene vraag: ben ik dat? Ben ik
dat echt? Ben ik dat helemaal? Wat er na het stellen van die vraag gebeurt
is dit: `Plotseling verdween het gezicht, en de spiegel die zijn reden
van bestaan verloren had, weerspiegelde nog slechts de gladde witte muur
tegenover hem. Bladzijde van glas en bladzijde van steen, in gesprek met
elkaar, eenzaam en medeplichtig.’ Schrijven begint met het aftasten
van het lege spiegelglas en de gladde witte muur kan vervolgens niet anders
dan als de witte, nog niet beschreven bladzijde van het boek begrepen
worden. Dat is het verlangen naar een aanvang. Daarna moet er hoe dan
ook geschreven worden. Moet de witte pagina gevuld worden met zwarte tekens,
moet de schrijver zich vanuit het verlangen naar het nog niet gezegde,
zich bekennen tot het schrift, tot de reeds aanwezige ordening van de
taal. We zouden kunnen zeggen dat vanuit die spanningsverhouding niet
alleen het boek ontstaat, maar ook de schrijver zelf. `Open mijn naam’,
schrijft Jabès, en meteen daarachter aan: `Open mijn boek.’
Schrijven, maar ook elke andere vorm van scheppen, speelt zich op de grens
tussen het zichtbare & onzichtbare, het zegbare & onzegbare, het
ik en het niet-ik, het volle en lege spiegelbeeld af, vanuit het verlangen
de marges van het reeds gezegde, het reeds gedachte, van onze identiteit
en ons wereldbeeld op te rekken.
Alles draait om dat ene kleine woordje `nog’. Nog is het er niet,
maar nog vermoeden we dat het er zou kunnen zijn. Of, zoals Jabès
schrijft: `Nog zijn waar men niet meer is dan dit te leven `nog’.
Om tot dit `nog’ te geraken, moet schrijven letterlijk een sprong
in het duister zijn: `Niet zien. Niet weten. Zijn. Tot het einde gaan,
dan springen. Uitverkoren.’ Het is een tocht voorbij de zekerheden
van ons bestaan, voorbij de stereotype karakteriseringen van onze identiteit,
voorbij het kennende en wetende en ziende ik, het is kortom een lange
tocht door een lege woestijn, zoals een van de geliefde metaforen van
Jabès luidt, `ik ben teruggekeerd uit de woestijn zoals men terugkeert
van een aan gene zijde van de herinnering.’ Het is de confrontatie
met het lege spiegelbeeld, met het niets, dat zoals de laatste zin van
Vrees voor een enkel einde luidt, `stoutmoediger’ is dan het al.’
Het niets, het onzegbare is stoutmoediger, omdat het niet wat er reeds
is, maar wat er (nog) niet is, in zich draagt, en daarom de belofte van
een nieuwe aanvang verbeeldt. `Oh, dit boek, schrijft Jabès, dit
boek dat van mij zal zijn, zoals mijn hart en mijn ogen, mijn handen en
mijn benen. Dit boek dat mijn gedachten vult. Maar als mij gevrgaad wordt:
waar denk je aan? Je lijkt afwezig, antwoord ik: aan niets. Dit Niets
mijn enige boek?’
Ja, en tegelijkertijd ook: nee. Want Jabes heeft ons wel degelijk een
stapel boeken nagelaten, die niet met lege bladzijden gevuld zijn, maar
met tekst, die we kunnen lezen. Het niets is dus eerder het vertrek- en
het verdwijnpunt van het boek. De schrijver wordt welliswaar vanuit het
niets, het onzegbare, het (nog) niet ingevulde gemotiveerd, maar zal zich
toch tot de tekens, tot de taal, tot de wereld moeten verhouden om iets
op papier te krijgen. Dat is de paradox van de schrijver: hoewel het onzegbare
veelal de aanleiding vormt om te schrijven, is het schrijvend niet mogelijk
in het onuitsprekelijke te staan. Een stelling die ik jaren geleden in
mijn proefschrift formuleerde, naar aanleiding van het werk van de Oostenrijske
filosofe en dichteres Ingeborg Bachmann, wiens thematisering van het onzegbare
veel verwantschap met het gedachtengoed van Jabès vertoont. En
omdat het niet mogelijk is het niets te schrijven, zal elk boek nooit
het boek worden wat we gehoopt hebben, zal elk boek nooit van mij kunnen
zijn, zoals mijn hart en mijn ogen, zal elk boek opnieuw een verovering
op het onzegbare zijn, zonder daar ooit volledig in te slagen. Maar, zoals
Beckett al aangaf, kunst is falen zoals niemand durft te falen, precies
omdat het die stoutmoedigheid van het niets uitdaagt.
Het resultaat, het boek, het kunstwerk, mits voortkomend uit die spanningsboog
tussen iets & niets, tussen zegbaar & onzegbaar, kan dan niet
alleen een schitterend en verbijsterend falen opleveren, maar ook en vooral
een verruiming van onze geest, van de manier waarop wij ons zelf en de
wereld begrijpen en aanschouwen. Waar de wetenschap ons slechts kan beschrijven
wat het geval is, wat er zichtbaar en meetbaar en denkbaar is, kan de
kunst ons dankzij die glimp op het onzegbare, op dat wat zich achter de
taal en het denken verscholen houdt, onze denkkaders verruimen en ons
zelfs ook van inzicht doen veranderen. Als de kunst zoals Jabès
het zegt, `nauwe banden met het niets’ onderhoudt, dan doet ze dat
om over de grenzen van de taal, van het hier & nu, heen te kunnen
reiken, om op de grens van wat vaststaat en vastligt te morrelen, totdat
er iets nieuws ontstaat. `Bouw op wat inéenstort’, schrijft
Jabes, `Onderricht wat zich dan verheft’.
De literatuur, om van zich te kunnen doen spreken, moet zich wel verhouden
tot de taal, maar zal zich niettemin ook moeten richten op een taal die
nog niet bestaat, maar als het ware een utopie van de taal is, zonder
deze ooit te bereiken. `Het is een poging richting te vinden', zei Celan,
`in de literatuur moet gezworven worden, om te ontdekken waarheen het
met ons wil. Het is gebeurtenis, beweging, onderweg-zijn.' Schrijven is
kortom altijd een kwestie van vertrekken van daar waar je bent, zonder
ooit definitief ergens aan te komen. Ook in die zin is schrijverschap
een permanente staat van ballingschap. En alleen als zij dat is, kan zij
uit de woestijn terugkeren met een woord, dat van een nieuw denken, een
nieuw gevoel, een nieuwe waarneming, kortom een nieuw perspectief op zichzelf
en op de wereld getuigt. Alleen dan kan zij ons vertellen hoe het er eigenlijk
met ons voor staat en waarheen het met ons wil. Alleen dan draagt zij
het verlangen naar een aanvang nog in zich, terwijl de vrees voor een
enkel einde, voor een moment overwonnen is. En wat laat het boek ons dan
uiteindelijk zien, vraagt Jabès zich af. `Allereerst de ontreddering
van de schrijver. En vervolgens zijn onbeschaamdheid.’ Ontredderd,
want verdreven van elke zekerheid omtrent zijn identiteit, onbeschaamd,
want derhalve ook vrij van vrees voor de dood. Dat is kortom zowel de
`stoutmoedigheid’ als ook de troost van de literatuur.
Joke J. Hermsen
Amsterdam,
9 februari 2007
|