Inleiding op het denken van Luce Irigaray en de film Maternale van Giovanna Gagliardo,
SLAA, 2005

De tijd en het denken

Welkom op deze filosofische avond bij de SLAA over de Franse filosofe Luce Irigaray en de film Maternale van de Italiaanse regisseuse Giovanna Gagliardo. Aanleiding voor deze avond is het verschijnen van de nieuwste publicatie van Parresia, een betrekkelijk kleine, maar moedige filosofische uitgeverij, die de afgelopen jaren onder meer belangrijke vertalingen van Michel Foucault, Giorgio Agamben en Judith Butler het licht deed zien. Deze week wordt daar dan de vertaling van het filmscript van Maternale en de begeleidende tekst `De een beweegt niet zonder de ander' van Luce Irigaray, beide teksten die eind jaren zeventig werden geschreven, aan toegevoegd. Het is tevens de eerste uitgave van de Holderlinreeks van Uitgeverij Parresia. Zoals sommigen van u misschien weten heeft de voormalige Uitgeverij Holderlin, die in de jaren 80 en 90 onder meer vertalingen van het werk van Maurice Blanchot, Helene Cixous, Marguerite Duras en Luce Irigaray publiceerde, haar fonds in 2000 overgedragen aan Uitgeverij Parresia. Dat betekende eerst niet veel meer dan dat deze publicaties nog via Parresia te verkrijgen zijn, maar nu wordt dan blijkbaar, met de aanvang van de Holderlinreeks binnen Parresia, ook inhoudelijk een lijn doorgezet. Een frans lijntje, zouden we kunnen zeggen, en misschien ook wel een vrouwelijke cq feministische lijn. En dat is al met al opmerkelijk, want ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het rond sommige franse schrijfsters uit het fonds van Holderlin, die destijds voor zoveel rumoer zorgden, inmiddels een beetje stil is geworden. De laatste Nederlandse vertalingen van Cixous en Irigaray dateren uit 91. Nu, bijna 15 jaar later, verschijnt dan deze dubbele Irigaray/ Gagliardo publicatie met vertalingen van teksten die bijna dertig jaar oud zijn. De vraag die al lezende in deze uitgave bij mij onherroepelijk naar boven kwam, was dan ook: hoe verhoudt de tijd zich tot het denken? Kan een bepaald gedachtengoed de tijd vooruit zijn, of omgekeerd, kan een filosofisch oeuvre door de tijd achterna gezeten worden en zelfs ingehaald worden? Wat doet de tijd kortom met het denken? Kan deze bepaalde zaken laten verschuiven, nieuwe accenten leggen, andere perspectieven bieden? Kan een andere tijd voor een andere receptie zorgen?

U moet zich voorstellen dat dit filmscript van Giovanna Gagliardo en de tekst die Luce Irigaray n.a.v. de film maakte, geschreven werden tijdens het losbarsten van wat wel de derde feministische golf is gaan heten. Niet langer namen de met name Franse schrijfsters van de feministische avant-garde genoegen met het strijden voor gelijke rechten, maar eisten ook een eigen, autonoom vrouwelijke syntaxis op, zoals Luce Irigaray dat noemde, een specifiek vrouwelijke praxis van denken, scheppen, schrijven en verbeelden. Irigaray pleitte ervoor een dubbele syntaxis te ontwikkelen, een voor de vrouw en een voor de man, die niet tot elkaar te herleiden zijn, maar onafhankelijk van elkaar vorm krijgen. Lyriek werd in deze niet geschuwd. `Er moet dus een syntaxis in het spel gebracht worden', schreef Irigaray, `die de `zelf-beroering' van de vrouw mogelijk maakt.' Het was wellicht met name deze lyriek van de zelf-beroering die de nuchtere feministische garde in Nederland enigszins achteruit deed deinzen. Ik merkte destijds bij mezelf althans een zekere weerzin tegen dit vrouwelijke al te vrouwelijke taalgebruik, liet, en laat me bovendien ook graag eens door een ander beroeren, en voelde me niet zo gemakkelijk bij al die feminiene metaforen, al dat melk en bloed en overige sappen waarmee de teksten van de verschil-schrijfsters doorweekt leken, verlangde af en toe ook stiekem nog naar iets hards en stevigs, alwas het maar om mezelf niet in die poel van vrouwelijkheid te verliezen. Ik was overigens niet de enige, want binnen de kortste keren stonden de van oorsprong meer op het Angelsaksische gedachtengoed geinspireerde gelijkheidsfeministen tegenover de Franse verschil feministen en ik kan u zeggen dat menig debat in die jaren door deze tweestrijd, die vaak het karakter van een patstelling kreeg, werd bepaald. De feministische beweging, die ooit begonnen was als een gezamenlijke emancipatoire strijd van en voor alle vrouwen, werd uit elkaar gedreven en kwam tegenover elkaar te staan. Je behoorde of tot het gelijkheidskwamp of tot het verschilkamp en in plaats van gezamenlijk de mannelijke hegemonie te bestrijden, nam men de wapens op tegen elkaar. Dat heeft de zaak, achteraf bezien, geen goed gedaan. Wie had er gelijk? Moest gelijkheid, of gelijkwaardigheid als het ultieme streven gelden, of was het opeisen van een verschillend zijn de enige mogelijkheid voor vrouwen om uiteindelijk toch niet het onderspit te delven. Tot op de dag van vandaag zal men hierover van mening blijven verschillen. Ik moet u zeggen dat ik in die dagen geneigd was het met beiden eens te zijn. Ik zag beide stromingen eerder als elkaars bondgenoten, er moest eerst gelijkheid van rechten worden nagestreefd om vervolgens tot het articuleren van een verschil te kunnen komen, dacht ik, achteraf gezien misschien naief. Want ik moet u bekennen dat ik nu, ruim twintig jaar later, geneigd ben te denken dat het gelijkheidsstreven blijkbaar toch niet voldoende was om de opkomst van vrouwen binnen universitaire, artistieke of politieke instituties te garanderen, waar ze vervolgens dat verschil hadden kunnen maken. Want is er nu, drie feministische golven en jaren van strijd verder, sprake van een evenredig aantal vrouwelijke hoogleraren dat werkzaam is aan de universiteiten, is er een gelijk aantal vrouwen vertegenwoordigd in de leiding van bedrijven, van non-profit organisaties, van artistieke of politieke gezelschappen, in de hoofdredacties van de media? Het antwoord kennen we. Niet dus. De sociaal-politieke mechanismen bleken eens te meer hardnekkiger dan menig gelijkheidsstrijdsters had kunnen vermoeden. Mij overvalt de laatste jaren met enige regelmaat het beeld van de rode zee, daar gingen we met zijn allen achter onze feministische heldinnen aan en braken met onze staf de zee open, en maakten ruim baan voor onze strijd, voor onze wensen en verwachtingen, en schreven blaadjes, kranten, onderzoeksvoorstellen vol, en richten vakgroepen op, maar inmiddels lijkt de zee ons van achteren te hebben ingesloten, stromen de zoute golven al lang weer over onze voetstappen, en staat het water ons aan de lippen. De meeste vakgroepen vrouwenstudies zijn opgeheven of wegbezuinigd, de laatste feministische bladen of boekhandels lijden een noodlijdend bestaan, de plastische chirgurgie boekt daarentegen betere resultatendan ooit, even als de sexboerderijen in de noordelijke regionen van ons land, waar volgens het laatste onderzoek van de Rode draad duizenden vrouwen tegen hun wil in mensonterende omstandigheden worden vastgehouden en, last but not least, onze HEMA verkoopt tegenwoordig strings in maatje 104, dat wil zeggen voor meisjes van een jaar of vijf, zes. Niet alleen het feminisme lijkt een zachte dood te zijn gestorven lang voordat het streven van gelijkwaardigheid en van een gelijke vertegenwoordiging werd gehaald. Ook het lichaam van de vrouw wordt meer verhandeld dan ooit, om Elfriede Jelinek maar eens te citeren. Zolang de wereld in handen van mannen is en door de wetten van het geld wordt geregeerd en zo lang vrouwen slechts 1 % van het kapitaal in handen hebben, zal er volgens haar van enige gelijkwaaardigheid op welk terrein ook geen sprake kunnen zijn. In een interview met het blad Profil zei ze onlangs hierover: `Vrouwen moeten nog altijd door louter mannelijke beoordelingsschema's heen. Het maakt niet uit wat je gedaan of gepresteerd hebt, het enige wat je hoeft te doen is je gewillig op de vleesmarkt van lichamen laten leiden, waar je gekeurd zult worden. Ik ben nu zelf nobelpijswinnaar, maar dat verhoogt mijn waarde in de ogen van mannen niet. In tegendeel. Ik word er alleen nog monsterlijker op. Ik ben heus geen feminist omdat ik mannen wil bestrijden die vrouwen vernederen, verkrachten en vermoorden. Dat spreekt voor zich dat je daar tegen bent. Ik ben feministe, omdat dit onderdrukkende phallocratische waardensysteem, dat vrouwen alleen als economische handel ziet en hen louter op hun lichamelijke verschijning beoordeelt, zo wijd verspeid is.'

Dus, wat nu? Terug naar af? Opnieuw nadenken over macht, over symboliek, over man-vrouw verhoudingen, over de mogelijkheid van een vrouwelijke syntaxis? Over een wedergeboorte van wie vrouwen kunnen en willen zijn, onafhankelijk van de geldende machtspatronen? De uitgave van Parresia die hier vanavond centraal staat, Maternale geheten, geeft ons een eerste aanzet daartoe. Deze begint namelijk bij het begin. En het begin is de moeder-dochter verhouding. De stelling van Irigaray en Gagliardo is zowel eenvoudig als vreselijk complex. Zo lang we onze moeders alleen als moeders, en niet als zelfstandige vrouwen, als minnaressen, als creatieve en onafhankelijke vrouwen, los van het moederschap, kunnen zien, zullen de patronen zich eeuwig herhalen en zal er niets wezenlijks kunnen veranderen. Daar gaat de film over, waarvan u in deze uitgave het script en het commentaar van Irigaray kunt lezen. Over een dochter die wordt volgestopt, letterlijk, met louter zogende, zorgende, voedende moederschap. Over een dochter die zich daarmee zo verkleefd voelt aan haar moeder dat ze zelf daarin verdwijnt en zich met geweld, met haat en weerzin, van haar moet losmaken, de blik van de vader achterna moet hollen om vervolgens in dezelfde valkuil als haar moeder zal stappen. Maar daarover zult u deze avond ongetwijfeld veel meer horen van de spreeksters, die zich zowel over het gedachtengoed van Irigaray, als over de film en de moeder-dochter verhouding zullen buigen. Het is voor mij een eer en genoegen om als eerste spreekster een van mijn eigen intellectuele moeders aan te kondigen. Rosi Braidotti kwam in 1988 vanuit Parijs naar Nederland om aan de letterenfaculteit van de Universiteit Utrecht een vakgroep vrowenstudies op te richten. Deze is een van de laatste bloeiende intellectuele genderinstituten van Nederland. Dat Braidotti in de verhitte debatten van destijds van meet af aan de verschilpositie van Irigaray gekozen heeft, kan, historisch gezien, misschien niet langer als een toevallige bijkomstigheid worden beschouwd. Ik geef graag het woord aan degene die ons, jonge studenten en promovenda van destijds, zo op het hart heeft gedrukt om, geheel in de lijn van de franse schrijfsters, onafhankelijk van welk machtsblok dan ook, het woord te nemen en op te eisen: prendre la parole, opnieuw et encore.