Lezing
over Peter Sloterdijk en Lou Andreas Salomé.
Heimwee.
Heimwee festival Haarlem 2004
Heimwee: voor mij is heimwee misschien wel het verlangen naar het opheffen
van grenzen, de grenzen die we ons als kind een voor een met grote ijver
hebben aangeleerd, de grenzen van de wereld, van de tuin, van de kamer,
van het huis, maar ook de grenzen tussen ik en ander, de grenzen van
de taal, van gewoonten, voorschriften, regels en gebruiken. Grenzen
zonder welke we niet hadden kunnen leren spreken, niet kunnen overleven,
maar die niettemin ook ons gescheiden zijn, onze verlatenheid typeren
en daarom ook altijd aan het verlangen appeleren om over die grenzen
heen te gaan, over die grenzen heen te reiken.
Heimwee was voor mij al vroeg, ik denk al sinds mijn kindertijd verbonden
met fernweh. Ik was niet het kind dat tijdens het jaarlijkse schoolreisje
in de bus al na een paar minuten hevig naar huis terugverlangde, ik
was meer het kind dat stilletjes uit het raam keek, en droomde van de
plek waarheen de bus me zou voeren, meestal ergens in de Brabantse bossen,
of aan zee, maar elke keer toch weer betoverend en glanzend en beloftevol,
althans dat geloofde ik elk jaar opnieuw, zo lang ik nog in de bus zat,
zo lang ik nog aan het vertrekken was naar elders. Fernweh, noemen de
duitsers dat, en een nederlands woord hebben we er helaas niet voor,
verteverlangen, vertepijn misschien, en pas veel later ontdekte ik dat
heimwee en fernweh niet zo tegenovergesteld zijn als op het eerste gezicht
lijkt, dat ze misschien zelfs wel in elkaars verlengde liggen. Het is
geen heimwee naar huis wat de soldaten ziek maakt, noteerde de Duitse
filosoof Kant al aan het einde van de 18 e eeuw, toen er ware hiemweeepidemieen
onder de oorlogvoeroende legers uitbrak, het is een heimwee naar hun
kindertijd. En ik denk dat hij gelijk had, en later ook Nietzsche, en
Salomé, en Freud, en sinds kort, ook Sloterdijk. Allemaal denkers
die het verlangen, het heimwee naar de kindertijd van voor de grensbepalingen,
van voor de inkaderingen, van voor de determineringen van geslacht,
ras, klasse beschrijven. We moeten weer kinderen worden, schreef Nietzsche,
omdat je alleen door je open te stellen voor die rijkdom aan zintuigelijke
ervaringen, die bruidschat van herinneringen aan je vroegste kindertijd,
die puur sensuele en emotionele ervaringen, over je zelf heen kunt grijpen,
over je eigen grenzen heen kunt denken en verbeelden.
Sloterdijk
bewandelt in zijn magnus opus Sferen precies de omgekeerde weg als het
merendeel van de vertegenwoordigers van de klassiek westerse filosfische
traditie. Dat wil zeggen, hij besluit, en dat is meteen al heel verrassend
en verfrissend, niet vooruit te gaan, niet de ene voet voor de andere
te zetten, niet te wandelen in de richting van een eindpunt of finishlijn,
hij gaat niet op een of ander mogelijk einde af, van de tijd, de kunst,
de geschiedenis of de mens, hoeveel eindes zijn er de afgelopen decennia
niet voer ons afgeroepen, maar hij kuiert doodleuk de andere kant op.
Hij kiest het pad van de heimwee. Dat wil zeggen, hij durft het aan
het steeds smaller, duisterder en moeilijker te onderscheiden pad naar
een eerste beginnen en zelfs nog daarvoor, te nemen, de lange weg van
het geboren worden en zelfs nog daaraan voorbij, hij wandelt ons volwassen
geworden leven als het ware terug, als iemand die de regels van het
ganzenborden nog steeds niet goed onder de knie heeft en bij het eindpunt
begint en dan terugtelt tot start, ja, hij loopt met zijn ganzeveer
als pion in de hand terug tot aan het meest verscholen, meest verduisterde,
meest teruggetrokken beginpunt van de in ons verzonken binnenwereld,
ons eigen Atlantis, gebouwd op de allereerste zintuigelijke ervaringen
van ons leven. Het is een gigantische onderneming. Want wat kun je er
over zeggen?
Niet veel. Het is een zoektocht die, zoals hij zelf zegt, `per definitie
de vorm van een onmogelijke opgave heeft, die we noch tot een goed einde
kunnen brengen, noch kunnen negeren.' (p.49). Het is een bewonderenswaardig
moedige poging om het epos te gaan vertellen van de plek die onachterhaalbaar
ver in ons zinnelijke geheugen ligt opgeslagen, en voor de volwassene
altijd al verloren is gegaan, `maar toch nooit spoorloos verdelgd.'
Een verdwenen geschiedenis wil hij schrijven, het gezonken continent
in de matriarchale zee, die wij allen in onze pre-historie bewoond hebben,
dat wil zeggen, in de tijd die vooraf ging aan onze intrede in de door
socale en talige strukturen gedragen gescheidenis. Sloterdijk wil niets
meer en niets minder dan dat verzonken continent voor ons aanschouwelijk
maken. Maar hoe moet hij daarbij te werk gaan? Hij zal `toegeeflijker
moeten zijn, zegt hij zelf, dan in systematische verhandelingen', hij
zal louter niet invasieve invasies moeten plegen, geen doelgerichte
denkbewegingen moeten maken, niet van a naar b naar c willen komen,
en dan rustig verder bouwen, maar indirekte, omcirkelende bewegingen
moeten maken, veel omwegen en verdachte zijpaden in moeten slaan, veel
cirkels erom heen trekken, dat ook, de taal van de logica even laten
voor wat die is. Een opborrelen is het, van gedachtes, van beelden,
van taal. Een opborrelen ook van de talloze bellen, waarachter we ons
Atlantis, ons verloren continent, onze temps perdu kunnen vermoeden,
zonder het ooit scherp in het vizier te kunnen krijgen.
`Het kijken in het enige donker wat ons treft', schrijft Sloterdijk,
`kunnen we immers niet in een ander donker oefenen. Wie de confrontatie
met het eigen monochrone zwart aandurft, beseft algauw dat het leven
veel dieper is dan de eigen autobiografie. Het geschreven woord dringt
nooit ver genoeg door in het eigen zwart.' We kunnen niet opschrijven
wie we oorspronkelijk waren en nog altijd ook zijn, luidt zijn conclusie.
Nee, maar we kunnen er wel een serieuze en oprechte poging toe wagen,
en wellicht zal er dan, als dank voor al ons ploeteren een glimp van
de weerspiegeling van dat zwart in ons denken, in onze ervraing, in
ons werk doorklinken. Maar waarom is al die aandacht voor dat eerste
beginnen eigenlijk nodig? Waarom moeten we ons richten op een tijd die
we ons niet of nauwelijks meer kunnen herinneren? Waarom moeten we onze
heimwee daarnaar serieus nemen? Waarom niet liever vooruit in plaats
van achterom kijken?
Sloterdijks zoektocht naar het verzonken continent is er niet zozeer
op uit dit te benoemen of te definieeren, hij wil vooral het filosofische
belang ervan aangeven, wil ons doen beseffen dat we altijd een surplus
aan ervaring, aan zijn, met ons meedragen en dat het juist dat surplus
is dat een beetje de rek in onze identiteit weet te houden. Opdat deze
niet stolt of verstart of immobiel wordt. Opdat er een beetje beweging
in ons blijft. Die beweging kan alleen in gang gezet worden als we,
gedragen door heimwee, een zekere afstand tot onze wel herinnerbare
autobiografie kunnen scheppen. Afstand die de mogelijkheid van interpretatie
van heel ons leven vrijlegt. Zodat we over ons ik heen kunnen buigen,
en er ruimte van zelf-reflectie ontstaat, en er zo weer kans op worden,
op veranderen, op in beweging komen, is.
Ruim honderd jaar voor Sloterdijk, noteerde de van oorsporng Russische
filosofe en schrijfster, Lou Andreas Salomé, al min of meer overeenkomstige
overpeinzingen. Zij meende dat dit pre-subjectieve surplus van onze
vroege kindertijd zelfs als de vernieuwende motor bij uitstek achter
het menselijk bestaan begrepen kan worden. Tijdens de eerste levensfase
ervaart het kind zich nog niet als gescheiden van zijn omgeving, het
kent geen ego-grenzen, waardoor de hele wereld zich voordoet als iets
dat met hemzelf verbonden is. Vanaf het moment dat het kind gaat spreken
en zich wel als ik ervaart, komt het als subject tegenover de wereld
te staan, verliest het zijn onmiddelijke verbondenheid met de anderen.
Rilke, met wie Salomé goed bevriend was omschreef dit in diezelfde
tijd als volgt: Dieses heisst Schicksahl/ gegenuber sein, und nichts
als das und immer gegenuber.' Het spreken dwingt het kind onderscheid
te maken tussen zichzelf en de dingen en de anderen, en eist van het
kind om `ik' te zeggen, om `ik' te zijn. Het bewustzijn dat het kind
hiermee verwerft, betekent tevens de ontdekking van de heimwee en van
de eenzaamheid. Het kind staat alleen en heeft de wereld voorgoed tegenover
zich. Onze eerste, bewuste ervaring schrijft Salomé is dus opmerkelijk
genoeg die van een verdwijning. Een moment daarvoor waren wij nog alles
en al het Zijn was onlosmakelijk met ons verbonden." Wij vallen
in de buitenwereld als in een - aanvankelijk alleen maar destructieve
- leegte" (idem). De mens is volgens Salome van meet af aan een
homo melancholicus, die voortdurend de mogelijkheden aftast om zijn
ik zowel te verzoenen met de anderen als met de eigen voorgeschiedenis.
"Het is voor de mens het moeilijkst om vat te krijgen op het eigen
middelpunt. In de meeste uren van ons leven zijn wij buiten ons"
(DD,33).
Ook Sloterdijk beschrijft de psychische emigratieshock die kinderen
te verwerken krijgen. Ze treden uit de eenheid die ze met hun moeder
vormden en worden de bewoners van een veel uitgebreidere sfeer. Het
is het moment waarop de geboorte van de buitenwereld zich voor het kind
voltrekt. Deze gaat gepaard met de ontdekking dat veel dingen daarbuiten
niet meebezield zijn, geen innerlijk hebben, niet bij hen horen, maar
`dode en uiterlijke dingen' zijn, dingen die volkomen buiten hen zijn,
geen eenheid met hen vormen.
Alleen intense ervaringen kunnen volgens Salomé dit gevoel van
tegenover staan voor kortere tijd ongedaan maken. Ervaringen die openstaan
voor het heimwee en gehoor geven aan het verlangen over grenzen heen
te reiken om het gevoel van `tegenover-zijn' op te heffen en de verwenen
wereld van het jonge kind terug te vinden. De liefde en de kunst zijn
volgens haar ervaringen die bij uitstek een glimp van dit verloren gegane
continent voor ogen toveren. Het ik komt met andere woorden opnieuw
in een spanningsvolle verhouding tot die verloren tijd te staan; het
laat zich er misschien zelfs een moment iets onverstaanbaars door influisteren.
Gelukkig betreden we de vreemde buitenwereld niet zonder de `bruidschat
van herinneringen' aan de eerste kindertijd, meent ook Sloterdijk. Sferen
is feitelijk een pleidooi om deze bruidschat niet te vergeten en er
tevens het filosofische belang van in te zien. Een moedig en gewaagd
project, aangezien hij over deze grotendeels voor-talige bruidschat,
die iedereen meekrijgt op zijn weg naar de volwassenheid, noch als bekwaam
sferoloog, noch als fijnzinnig evocateur of filosoof, enig positieve
uitspraak kan doen. De taal schiet hier eenvoudig weg te kort. Sloterdijk
staat eigenlijk van meet af aan met lege handen. Vandaar ook dat hij
zoveel bladzijden, vele duizenden nodig heeft, om zijn zoektocht, zijn
queeste naar het verloren land voort te zetten. Uiteindelijk is hij,
net als wij, gelijk Percival die bij de Graal aankomt en daar de vraag
te horen krijgt die elk, volwassen menselijk bestaan typeert, de vraag
namelijk: wat ontbreekt je? Sloterdijk, en voor hem Lou Salomé,
maar ook Freud en Nietzsche, zijn filosofische spoorzoekers van dit
ontbrokene, schrijvers, musici en kunstenaars eveneens, Hans Faverey
gaf aan zijn laatste dichtbundel zelfs letterlijk de titel Het ontbrokene
mee. En Sloterdijk stopt stiekum veel beelden in zijn boek, van Piero
della Francesca, Grunewaldt, Magritte, Hildegard von Bingen, om in beeld
uit te drukken wat zich in woorden niet zeggen laat.
En toch wordt er veel gezegd. Dat die bruidschat er toe doet, bijvoorbeeld
en dat dankzij al deze beelden en betogen er op een onverwacht moment,
iets tot ons door sijpelt, `iets dat door alle codes, wetten en conventies
van verleden, heden en toekomst heen weet te passeren.' Het is een avontuur,
wat ons als lezers overkomt, een roep van buiten. Onze voorgeschiedenis,
onze hoogst persoonlijke pre-historie blijft verzonken in het voortalige,
maar we kunnen er af en toe wel een glimp van opvangen, als we verder
proberen te reiken dan de vastomlijnde zekerheden van ons ik, als we
ons heimwee en fernweh aan onszelf durven te bekennen, als we willen
vertrekken van daar waar we zijn, want het gaat om de beweging van het
vertrekken zelf, en niet zozeer om ergens aan te komen, als we ons verlangen
naar de ander en het andere serieus durven te nemen, als we ons durven
te wagen aan een avontuur, waarvan Sloterdijk, Salomé en zovele
anderen hebben laten zien hoezeer het de moeite waard is. `Op deze tocht
door de ontwijkende onderwerled van de binnenwereld,' schrijft Sloterdijk
ten slotte, `ontvouwt zich, gelijk een akoestische landkaart, het schimmige
beeld van een vlottend en auratisch universum - geheel geweven uit resonanties
en zwevende stoffen'. Een mooiere omschrijving van heimwee ken ik niet.