Waarheid en tijd in Frederik van Eedens Van de koele meren des doods. Door Joke J. Hermsen Zuster
Paula: `Er is leven dat dood is, en er is dood dat leven is.’ Een gepassioneerde,
overtuigde, en getourmenteerde waarheidszoeker, dat is het beeld wat
je na lezing van Jan Fontijns biografie over Frederik van Eeden blijblijft.
En een waarheidszoeker die zich niet tot een gebied, tot een discipline
beperkte, maar zich over een duizelingwekkend aantal wetenschappelijke,
kunstzinnige, sociale, religieuze en politieke vraagstukken boog, in
de hoop daar een waarheid – de waarheid? - op de staart te trappen.
Hij vond er vele, probeerde enkele daarvan zelfs in de praktijk een
concreet gestalte te geven, maar eindigde niettemin als een getroubleerd,
teleurgesteld en gedesillusioneerd man. Zou een mens soms niet teveel
waarheid aankunnen? Zou je aan de waarheid te gronde kunnen gaan, zoals
Nietzsche schreef? Maken inzichten, feitelijk geverifieerde gedachten,
ons leven draaglijker, of verergeren ze de zaak alleen maar, zoals Raymond
Carver meende? Wat bij Van Eeden in ieder geval opvalt is dat de waarheid
– een van de vele – niet de verlangde rust heeft gebracht.
Terwijl hij juist daar naar op zoek was. Is het laten rusten van de
waarheidsvraag dan beter voor onze gemoedsgesteldheid? Ik meen van niet.
Ik geloof dat achter elke gedachte, elke poging tot communicatie, elke
uiting van creativiteit, een vraag schuilt. Een vraag die niet zozeer
meteen beantwoord moet worden, als wel erom smeekt verhelderd te worden.
En wat is het zoeken naar de juiste vraag anders dan een zoeken naar
waarheid? Schrijven is het naar de oppervlakte dwingen van vragen. Wat
houdt je bezig? Waar gaat het om? Wat belemmert je? Waar is het om te
doen? Wat is de zin van alles? Wat beroert je? Hoe staan de zaken ervoor?
Wat vergeet je? Waarom gebeurt dit? En uit die zee van vragen, komt
er dan, gaandeweg het schrijven, eentje bovendrijven, die hardnekkiger
en dwingender dan de anderen blijkt te zijn, en waaraan je je, als een
drenkeling aan een stuk wrakhout, vastgrijpt om het boek tot een einde
te kunnen brengen. Zoo had zij op een avond zeepbellen geblazen met haar vriendinnetje, op het geel-steenen plaatsje achter de keuken, en zij had de bonte, prachtig-gladde wonder-ballons laten dansen op haar mouw en zachjes laten huppelen over een wollen dweil. En daarna ging zij naar bed… Tijdens het bellenblazen was Hedwig voor even vergeten welk `een griezel van saaiheid en akeligheid kleefde aan al het gevoelde’. Deze droefheids-aandoening die het meisje met grote regelmaat plaagt - als kind nog, zij zal negen jaar oud geweest zijn, begon reeds de beklemming van iets geweldigs en ontzettends, zwaar en droef, dat niet weg wou - wordt door het bellenblazen overstegen. De droefheid die `in allerlei plaatsen, bij allerlei bezigheden was en zich hechtte als een kwade geur aan allerlei dingen, wordt in het blazen van de bonte, prachtig-gladde wonder ballons vergeten, of liever gezegd, gesublimeerd. Maar wat is de oorzaak van die droefheid en waarom wordt deze tijdens het zo simpele, kinderlijke spel van bellenblazen teniet gedaan? Laten we daarvoor te rade gaan bij Peter Sloterdijk, die aan het begin van Sferen in zijn typerende flamboyante, barokke en zelfs enigszins wellustige stijl, de voor ieder van ons zo vertrouwde scene van het kind dat bellen blaast beschrijft. Het kind kijkt de zeepbellen na die het uit het pijpje waarmee het zojuist bedacht is de hemel in worden geblazen. Trillend en vol leven maakt zich een grote ovale ballon van het pijpje los, die door de bries wordt meegevoerd en wegzweeft over de straat. Hij wordt gevolgd door de hoop van het betoverde kind, dat zelf met zijn wonderbel de ruimte in zweeft, als was zijn lot voor een paar sekonden lang met dat van het nerveuze voortbrengsel verbonden. Wanneer de bel na zijn bevende vlucht ten slotte uiteenspat, slaakt de zeepbelkunstenaar op het balkon een kreet die tegelijk teleurstelling en vreugde uitdrukt. Zolang de bel leefde was de bellenblazer buiten zichzelf geweest, als hing het voortbestaan van de bol af van het feit dat hij gehuld bleef in een meezwevende aandacht. Op de plek waar de bel uiteenspat, blijft de uit haar lichaam getreden ziel van de bellenblazer een ogenblik alleen achter, als had ze zich op een gezamenlijke expeditie begeven en halverwege haar partner verloren. Maar dan gaat het spel weer onvermoeibaar verder. En ook een volgende bel is voor de maker het instrument van een verrassende zielsexpansie. Omnerkbaar wordt het spelende kind een inzicht geopenbaard dat het later op school weer zal verleren: dat de geest op zijn manier zelf in de ruimte is’ Wat probeert
het bellenblazende kind nu precies te sublimeren? Tot aan het einde
van de middeleeuwen hingen we volgens Sloterdijk tevreden in de bel
die God om ons heen geblazen had, veilig omringd door Zijn adem die
het kille niets uit het universum wegblies en bezielde met zichzelf.
De menselijke wereld als een door God geschapen zeepbel, zo'n beetje
hangend aan de kin van God, of aan zijn baard, als je Hildegard von
Bingens teksten en afbeeldingen uit de Scivias moet geloven, waarvan
Sloterdijk er ook een heeft opgenomen. Daarbinnen leefde de mens als
kosmisch middelpunt, troostrijk omringd door sferische gewelven en omhuld
door warme hemelse mantels. Maar het is voorbij. Gods almachtige, iriserende
Bel die tot aan het einde van de middeleeuwen beschermend om ons heen
hing is op de muur van wetenschap, kennis en rationaliteit uit elkaar
gespat. Sinds de moderne tijd leven we niet meer in een bol, maar alleen
nog maar op een bol. In deze van God verlaten tijd leven, betekent de
prijs betalen voor onze schaalloosheid. We zijn met andere woorden allemaal,
net als Hedwig uit Van Eedens roman, een kwetsbaar kuiken dat uit de
schaal gekropen is en verbaasd om zich heen kijkt: wat moet ik hier?
Ben ik dat? Waarom is het hier zo koud? Wie is
er nog in staat de aan de kosmische kou van het grote oneindige Niets
blootgestelde mensen van omhulsels te voorzien, vraagt Sloterdijk zich
in zijn boek af. Welke adem kan ons leven nog begeleiden? Met welke
bellen moeten we ons nu nog omhullen? Sloterdijk noemt het onvermijdelijk
dat kinderen, `zodra de eerste maternale bel uiteenspat, een soort psychische
emigratieshock te verwerken krijgen', zelfs een `existentieele ontworteling.'
Ze treden uit de eenheid die ze eerst nog met hun moeder vormden en
worden de bewoners van een veel uitgebreidere sfeer. Het is het moment
waarop de geboorte van de buitenwereld zich voor het kind voltrekt.
Dat gebeurt niet van de een op andere dag, maar al lerende en sprekende
leren we ons van de ander, en dus van de ons omringende wereld te onderscheiden.
We gaan ìk’zeggen en dat uitgesproken `ik’ zorgt
voor een breuk met de wereld. Deze breuk gaat gepaard met de ontdekking
dat veel dingen daarbuiten niet meebezield zijn, geen innerlijk hebben,
niet bij ons horen, maar `dode en uiterlijke dingen' zijn, dingen die
volkomen buiten ons zijn, niet langer een eenheid met ons vormen. We
vallen in een kil en vijandig buiten, waar we voortaan zelf onze gedeelde
binnenwerelden, onze gezamenlijke sferen moeten scheppen. Het bellenblazende
kind staat daarvoor symbool, omdat het probeert juist die breuk met
de wereld met behulp van zijn fantasie in het spel te overbruggen. Zo
lang de bel nog niet uit elkaar spat, blijft de illusie van eenheid,
van saamhorigheid, bestaan, alsof het kind zelf in de bel zit en zijn
geest zich vrijelijk door de ruimte heen kan bewegen. Het probeert de
ontdekking dat de dingen in de buitenwereld niet meebezield zijn, maar
slechst een naargeestig, afgezonderd decor van hem vormen, op imaginaire
wijze te overstijgen. Het bellenblazen
is voorbij, voortaan moet Hedwig het met dat ene Zelf, dat ik, waar
zij niet aan wil – ben ik dat? Ik? Ik? - zien te doen. De kindertijd
voorbij, en door verlangen naar de vroegere gelukzaligheid overspoeld,
gaat zij het gevoel van eenheid, van eenwording, zoeken bij de ander,
gaat zij op wanhopige wijze proberen de afgrond die tussen haar en de
wereld gaapt, in de liefde te overstijgen. Nog een
uitstapje, naar een tijdgenoot van Van Eeden. Onze eerste, bewuste ervaring,
noteerde de Russische schrijfster Lou Andreas-Salomé in haar
autobiografie Levensterugblik, is opmerkelijk genoeg die van een verdwijning.
Een moment daarvoor waren wij nog alles en al het Zijn was onlosmakelijk
met ons verbonden.". Deze ervaring geschiedt niet van de ene op
de andere dag, heeft niet het karakter van een radicale breuk zoals
bij Freud, maar verloopt volgens Salomé tijdens de hele kindertijd.
Deze geleidelijke overgang van de eerste kindertijd naar de volwassen
orde noemt zij een tweede geboorte. Het is echter wel een geboorte die
gepaard gaat met het verlies van de absolute volheid: "Wij zijn
in de buitenwereld gevallen als in een - aanvankelijk alleen maar destructieve
- leegte" (idem). Van Eeden: Het was als een herinnering van lang verleden, lang vergane schoonheid. Ze voelde iets dat haar onrustig maakte van vaag zoet-weemoedig gewaarworden. Onrustig daarom, want het was als een van verre geroepen woord dat men maar niet verstaan kon. Ze kon niet laten in haar herinneringen te zoeken of zij niet iets vinden zou, wat haar dit gevoel verduidelijkte. Het gevoel zelf was vredig en kalm, het was, meende zij, alsof zij vroeger iets ondervonden had, iets zeer heerlijks, op een soortgelijke plaats, in soortgelijk getij.Maar het was niet mogelijk dit nader te herinneren. Het was echter opmerkelijk dat dit gevoel aan bepaalde plaatsen gehecht was… Bij het meer bijvoorbeeld, waar de ruine van een oud ridderslot stond… Reeds in haar eerste kinderdromen, lang voor zij iets van historie wist, was dit stuk muur voorgekomen. Dit deed haar vermoeden dat zij eens als kind, in een mooi herfstgetij naar de bouwval was meegenomen en daar, voor het ontwaken van enig zelfbesef, deze sterke indruk had opgedaan. Vermoeden,
maar niet bewust herinneren, omdat het een ervaring is die aan het vormen
van een talig en rationeel bewustzijn vooraf is gegaan. De mens is kortom,
vanaf het moment dat hij zich als ìk’ ervaart een homo
melancholicus, een verstotene die voortdurend de mogelijkheden aftast
om zijn ik weer te verzoenen met zijn vroegere zelf en weer thuis te
raken in wat zowel Salomé als Van Eeden de sfeer van het `al'
noemt: "Het is voor de mens het moeilijkst om vat te krijgen op
het eigen middelpunt. In de meeste uren van ons leven zijn wij buiten
ons" (DD,33). Van Eeden : En dan scheen het haar of men alleen als kind zulke heldere en heerlijke gevoelens heeft. Maar waarheid is dat zij ze als kind heilig hield, verborgen en ongeschonden, en dat zij later kwijnden alleen omdat de koude samenleving, in welks werking en weerwerking elk toch treden moet, ze niet versterkte, maar ontkende. De samenleving
mag dan vooral een belemmering zijn voor het opdelven van dat andere
zelf, de liefde en de kunst zijn volgens Van Eeden en ook Salomé
bij uitstek ervaringen die daarbij behulpzaam kunnen zijn; ze proberen
iets van het vroegere zelf te laten oplichten in het volwassen geworden
ik. Het flirten en verleiden verlost Hedwig niet van haar weemoed. En omdat het niet werkt, groeit destemeer het verlangen. En blijft het maar groeien, tot het zo’n pijn begint te doen dat het alleen nog met morfine te stelpen is. Het verlangen uit de afzondering getild te worden, verlangen van zichzelf ontslagen te worden, verlangen verder te reiken, over grenzen heen te reiken, verlangen ergens van bevrijd te worden. Zolang
Hewdig het niet in zichzelf zoekt, maar haar zelf uit handen wil geven,
het bij diverse mannen onderdak wil verlenen, blijft het haar kwellen
en is ook elke liefdesverhouding gedoemd te mislukken. Want zelf doet
ze niets. Het is verbijsterend om te lezen hoe weinig iemand kan doen,
hoezeer door verveling geplaagd, een enkele goedbedoelende daad daar
gelaten, komt ze tot niets, tot niets anders dan, als een wanhopige
uitgeprocedeerde asielzoeker, bij anderen telkens weer om een verblijfsvergunning
vragen voor haar zielehiel. `Zij was
in waarheid wonderbaar gelukkig, ondanks moeheid, niet licht te onderdrukken
korzeligheid en sombere buien. Alles genoot zij, zoals nooit daarvoor,
het aansteken van een lampje, het bijeenzitten rond het sobere maal,
het mooi der kleine dingen der natuur. En de kleine tekenen van goede
wil en dankbaar heid in kinderen of mensen. Al haar gewaarwordingen
hadden een kern van lust in zich, en dat terwijl zij die lust daarin
niet meer zocht, maar haar verlangen richtte naar het nog onwaarneembare.’ Het is
net alsof Van Eeden haar weer terug in die bel met God heeft willen
plaatsen, die volgens Sloterdijk toch al eeuwen geleden uiteengespat
is. Het is mogelijkerwijs iets wat hem zelf, ondanks zijn latere bekering
tot het katholicisme, niet gelukt is, maar waarvan hij vermoedde dat
het toch wel het hoogst denkbare geluk moest zijn. Maar misschien
bedoelen ze alledrie wel stomweg hetzelfde. Misschien wijzen ze slechts
op de noodzaak een nauwelijks kenbaar of beschrijfbaar surplus te denken,
iets wat ons bewustzijn, onze ratio overstijgt, een soort onkenbaar
meer, een onzichtbaar spook dat in ons huist, niet in woorden te vatten
en een andere tijd dan de onze volgend. Of dit meer in ons nu is ontstaan
door de herinneringen aan een onachterhaalbaar verleden, of door God
in ons is geblazen, waar het om gaat is dat ik niet identitiek aan ik
is, maar dat er iets meer is, dat er op zijn minst twee zelven zijn,
een tijdig en eindig, de ander tijdloos en oneindig, zonder welke we
geen bellen zouden kunnen blazen, zonder welke we geen verbeelding zouden
kunnen hebben, noch verlangen, noch groei of ontwikkeling. Want als
een ik gekluisterd is en blijft aan de ketens van dat ik alleen, zoals
een roos een roos is en een stoel een stoel, en we er door die andere
onkenbare dimensie in ons geen afstand toe zouden hebben, we zouden
niet kunnen denken, niet kunnen verbeelden, niet kunnen worden. Haar tijden van zelfschouw en inkeer waren nu groot en menigvuldig, het waren niet meer seconden. Maar uren, soms dagen. De wisselingen van dit leven, de schaduwen en de hoge, stille lichten, eisen een andere beschouwingssfeer en zijn ook ter verwoording ongeschikt. Hoger leven betekent ook wijziging in de tijdsbeweging zodat dagen worden als seconden en seconden als jaren. Alle deze woorden zijn beeldingen, en beelden zijn ontoereikend, want hoger leven is meer concentratie, samendringen van toekomst en verleden, van Al in Een, dan evolutie of overgang van een in ander, meer verstilling met toenemende innerlijke spankracht, dan beweging in deze of gene richting. Dat brengt
me dan tot deze laatste overweging. Zou het niet zo kunnen zijn dat
Van Eeden hier een filosofische waarheid op het spoor was, die van een
dubbele zelfheid die ook aan een dubbele tijdservaring verbonden is,
die gaandeweg de 20e eeuw door veel meer filosofen zou worden verwoord.
Kant maakte al het onderscheid tussen het tijdloze ding an sich en de
tijdelijke, subjectieve vorm van dingen die aan ons verschijnen, zoals
later Sartre en Hedidegger dat ook zouden doen, teneinde de mens vrij
te maken van determinisme en ruimte te scheppen voor een andere, meer
authentieke ervaring. Joob: `Wat
je ook kan zeggen: het is de overgang van zelf tot Zelf, van het tijdelijke
eigene zelf tot Het Zelf, het tijdeloze, dat alleen is.’
|