Enkele fragmenten uit De Profielschets, door Joke J. Hermsen, (Arbeiderspers 2004), ter voorbereiding op de werkgroep over tijd en herinnering.


1. Det

p. 59- 62.

`Tijd' werd gaandeweg haar specialisatie, niet omdat ze zich bijzonder voor de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte zelf interesseerde, maar meer vanuit een persoonlijke fascinatie voor de tijd. Toen ze een jaar of twaalf was, kocht ze in de kerstvakantie een dik oranje schrift, waarop ze in grote letters `Oud & Nieuw' schreef. In dat schrift noteerde ze alles wat er het afgelopen jaar aan belangwekkends was voorgevallen. Op de twee volgende bladzijden noteerde ze haar verwachtingen voor het nieuwe jaar. Daarna was het schrift zo wit als het engelenhaar in de kerstboom. Pas het jaar daarop mocht ze van zichzelf haar schrift weer uit de kast halen en zou ze die bladzijden volschrijven met alles wat ze toen nog niet wist, een verslag van wat toen alleen nog toekomst was. En als er dan heel soms een bepaalde verwachting inderdaad was uitgekomen, warrelde er een vreemd soort geluk op haar neer, niet zozeer omdat haar wens was vervuld, maar meer omdat het even leek alsof ze invloed op de tijd had gehad door deze in haar schrift te voorspellen.
Door het langdurige staren op de nog witte vellen, werd ze al jong gegrepen door dat mysterieuze verloop van tijd. Elke keer dat je hem wilde vastpinnen en bij zijn kladden wilde grijpen, gleed hij tussen je vingers weg. Geen moment kon je hem nou eens rustig van alle kanten bekijken. Alleen uit de nog onbescherven vellen straalde haar iets tegemoet van wat ze toen de tijd zelf noemde. Een tijd die nog niet vervuild werd door gebeurtenissen, die het niet konden laten elkaar voort te stuwen en de tijd daarmee in te kaderen. Toen ze later bij Augustinus las dat de tijd niet bestaat, omdat er alleen verleden en toekomstige tijd is, was ze het dan ook maar gedeeltelijk met hem eens.
Vanaf haar allereerste werkdag als AIO van Donkersloot, hoogleraar `Antieke wijsbegeerte', heeft ze hier een onwaarschijnlijk aantal artikelen over de tijd staan kopieëren. Mappen en mappen vol. Van kopieën van het veertiende eeuwse Horologium Sapientiae van de mysticus Heinrich Suso, die het meten van de tijd voor het eerst verheerlijkte als een goddelijk gebeuren, tot aan hele hoofdstukken uit Bergsons Matière et mémoire, Wendorffs Zeit und Kultur, en teksten van Heidegger, voor wie de tijd `het centrum van de cirkel van filosofische problemen' is gebleven. Haar eerste intellectuele handeling als AIO was het intypen van het woord `tijd' op de centrale catalogus van de UB; ze kreeg een lijst van 2496 titels uitgespuwd. Tijdens de vijf jaar van haar promotieonderzoek heeft ze zeker de helft onder ogen gehad. Elke week kreeg ze zonder morren een stapel van tien boeken door de bibliotheekmedewerkers overhandigd. Nooit werd er fronsend bij gekeken, nooit werd er ook maar één enkele keer zuinigjes gevraagd `of ze echt al die titels nodig had?' Altijd werd er vriendelijk om haar ijver geglimlacht.
Gaandeweg haar onderzoek kwam ze erachter dat het haar niet om de sociale of culturele ontwikkeling van de tijd ging, maar om iets dat heel dicht bij de intuïtie lag die ze als kind had gehad en die ze eerst het wezen van de tijd noemde, en later, bij gebrek aan beter, de ziel van de tijd. Helaas kon ze dat onmogelijk tegen Donkersloot zeggen, een strenge academicus van de oude stempel die er prat op ging dat wijsbgeerte ook een wetenschap was, en dus als zodanig beoefend moest worden. Dan kun je niet met zoiets vaags als de ziel van de tijd aankomen. Daarom noemde ze haar dissertatie maar een literair-filosofisch onderzoek naar de tijd.
Er was veel overreding nodig om Donkersloot de hoofdstukken in haar proefschrift over Proust, Beckett of James goed te laten keuren. Zelfs tijdens het laudatio op haar promotieplechtigheid in de Lutherse kerk moest hij nog zeggen dat hij als wetenschapper met `de verloren tijd' van Proust echt niet veel kon aanvangen. Hij wilde zich op de feiten en de bronnen concentreren: `Ik heb een deugdelijk instrumentarium nodig om de denkers uit vroeger tijden in kaart te brengen', oreerde hij, ` en derhalve weiger ik mee te doen aan die moderne flauwekul van de filosoof als literator! Als er geen objectiviteit of wetenschappelijke motivering meer wordt nagestreefd, kunnen we beter met z'n allen sprookjes gaan vertellen. Veraanschouwelijking van de stof is tot daaraantoe, maar a.u.b. wel met deugdelijk feitenmateriaal!'
Toen pas was het tot haar doorgedrongen dat de tijd zelf het grootste obstakel voor Donkersloot vormde. Terwijl hij nog een tijdje doorging over de tijdsopvatting van de Babyloniërs, merkte ze dat hij bij alles wat hij zei de vraag naar de tijd zelf omzeilde. De tijd, en dus het langzaam maar onvermijdelijk wegzinken van gebeurtenissen en culturen, stond als het ware als een hinderlijk voorwerp tussen hem en zijn materiaal in; de tijd zelf was datgene wat geslecht en overwonnen moest worden om tot de eigen bronnen te kunnen doordringen. Donkersloot - en met hem vele andere historische wetenschappers - worden geplaagd door het verlangen de tijd zelf uit te schakelen, omdat ze denken dat ze alleen zo in direct contact kunnen komen met een verstild en tijdloos verleden. Maar met het probleem van het verstrijken van de tijd zelf, en de steeds grotere afstand die tussen vroeger en nu ontstaat, houden ze zich liever niet bezig. Dat is te beangstigend, want een te grote aantastting van de wetenschappelijkheid van de discipline.
Het liefst zou Donkersloot daarom ook achter de tijd gegrepen hebben, of langs hem heen zijn gezeild, om zeker te weten hoe het precies in het verleden was geweest, om zich werkelijk verbonden te kunnen voelen met de tijd die hij zo zorgvuldig en wetenschappelijk mogelijk wilde beschrijven. Hij koesterde en respecteerde de tijd, maar het liefst had hij de tijd, uiteraard ten bate van het onderzoek, uit de weg geruimd. Maar ja, dat kon ze tijdens haar verdediging natuurlijk niet tegen haar promotor zeggen. Bij hun laatste ontmoeting, enkele maanden voor zijn emeritaat, had ze hem gevraagd hoe hij eigenlijk zelf over de tijd dacht. Hij had haar eerst wat verbouwereerd aangekeken, daarna streng geantwoord: `Hoe ik persoonlijk over de tijd denk is niet aan de orde. Ik ben een wetenschapper. Hoe ik in mijn vrije tijd over tijd denk doet niet ter zake. De lineaire tijd is voor de historicus de mal waarbinnen hij zijn onderzoek giet. Een mal die gevuld wordt met feiten, bronnen en getuigenissen. De normale tijd, zal ik maar zeggen.'
Ze heeft lang over de tijd nagedacht, maar `gewoon' of `normaal' heeft ze hem nog nooit gevonden. Er is snelle en langzame tijd, tijd die kan voortkruipen en tijd die genadeloos kan versnellen, er is aarzelende tijd en voortrazende tijd, haperende tijd, vloeiende tijd, zoemende en trillende tijd, gevaarlijke en veilige tijd, warme en koude tijd, maar de normale tijd van Donkersloot, ze zou niet weten wat dat is, behalve het mechanische tikken van de klok, die we op eigen initiatief zo hebben ingesteld.

2. Ella

pagina 50-52

In die nacht besloot hij dat ze niet langer zijn geliefde was, maar een onderdeel van zijn leven. In een handomdraai werd zij geneutraliseerd tot een van de vele aspecten van zijn drukke bestaan. Er kwamen nauwelijks meer emails in haar inbox, want zijn agenda slibde vol met buitenwereld. Vergeefs wachtte ze de hele dag op een telefoontje van hem en als hij belde klonk hij gehaast en sprak met de stem van de manager die meent dat er van alle kanten aan hem wordt getrokken. Een stem die keer op keer zei dat hij, helaas, niet veel tijd had. Het woord `tijd' wierp zich met zo'n overweldigende kracht tussen hen in, dat ze zich verbijsterd afvroeg waar of dat woord toch ineens vandaan was gekomen? Het scheurde hem van haar los, sneed hem van haar weg, met de kracht en snelheid van een scherp mes dat met één haal een vrucht in tweeën splitst.
`Maar heb je dan geen tijd om even, heel even...?' Hij zou wel willen, als hij kon, natuurlijk zou hij dat willen, maar helaas, hij had echt geen tijd, hij moest aan het werk... `Nou ja, als je dan geen tijd hebt...' Nee, echt niet, het speet hem vreselijk. `Morgen dan misschien?' Morgen had hij maar liefst twee vergaderingen. `Overmorgen dan?' Hij zou kijken, hij zou echt zijn best doen, hij zou doen wat hij kon, maar hij kon helaas niets beloven... `Niets beloven?', vroeg ze verbaasd. Want dat hij haar niets kon beloven, verbaasde haar zeer. Nee, en ze moest niet boos worden, want hij deed echt wat hij kon, als hij meer tijd had, dan zou hij echt, dat wist ze toch zeker ook wel, als hij tijd had, dat moest ze van hem aannemen, als hij tijd had, dan... `Dan wat?', fluisterde ze nog nauwelijks hoorbaar door de telefoon. Dan..., ja dan zou hij zich natuurlijk meteen naar haar toe spoeden om zich met haar te verenigen, en hij kreunde daar zelfs zachtjes bij, zodat ze niet ophing, maar bleef luisteren naar de stem die zei dat hij dan, echt waar, nu meteen, dat moest ze toch geloven...

Tijd trok hen uit elkaar. Op het laatst kon ze hem helemaal niet meer bereiken, wat ze ook zei, wat ze ook deed, ze kon niet door de dreiging van dat gigantische gebrek aan tijd heen breken, noch bij de stem komen die zei dat hij, helaas, zo meteen de deur weer uit moest, dat hij nog zoveel te doen had.
`Ik moet aan het werk, schatje.'
Ze begreep niet wat hem plotseling zo bezig kon houden. Ach, maandenlang was hij immers nergens aan toegekomen, had hij alles zomaar laten liggen, zijn zaken veronachtzaamd, zijn colleges niet voorbereid. Het werk stapelde zich op, hij had de boel laten verslonzen, en zo kwam er steeds meer gebrek aan tijd tussen hen te liggen en moest haar wanhopige verlangen naar hem het op een kwade dag zelfs tegen de voorbereiding van een ordinaire vakgroepsvergadering afleggen. Hij moest de stukken nog lezen, stukken die zij hem nog nooit eerder had zien lezen, en waarvan ze zich vertwijfeld afvroeg wat er dan toch wel in die stukken stond staan dat ze zoveel belangrijker waren dan hun liefde...

3. Bernt

pagina 42-43.

`Dus bleef hij binnen, op zijn kamertje. Hij weet nauwelijks meer wat hij daar al die jaren heeft uitgevreten. Zijn herinneringen gaan ten onder in een grijze massa, bijeengehouden door een besef van nikserigheid en verveling. Lang voordat hij als student bij Baudelaire zou lezen wat Spleen was, had hij er als kind al de duistere uithoeken van verkend. Hij lag voor dood op zijn bed te staren naar het plafond, naar de schaarse prenten aan de muren, naar zijn verzameling autotootjes op de tafel en naar het dessin van de gordijnen, witte klimopplanten tegen een groene achtergrond, die `s nachts in de schaduw van de maan in griezelige reptielen veranderden. Hij lag daar maar om zich heen te kijken, naar de radio te luisteren en kon maar niet bevatten waarom hij daar was en wat hij daar, in godsnaam, moest doen.
De uren kropen voorbij, zonder ook maar de geringste rimpeling in zijn bestaan teweeg te brengen. Leegte, nog onheilspellender dan de terugkomst van zijn vader op vrijdagavond als alles leuk en gezellig moest zijn. Als zijn moeder zo ontzettend haar best had gedaan op het eten, maar zijn vader dan toch weer, terwijl hij en zijn zusjes vol spanning toekeken, bij het voorgerecht al een kritische opmerking wist te plaatsen. Over de samenstelling of de substantie van het voedsel - `is dit wel vers?', `zijn het niet dezelfde dadels als die van vorige week?' ,`bij wie heb je dit nu weer gehaald?' - of dat de oranje tomatensoep vreselijk bij de kleur van de wijn vloekte, en hoe hij zijn moeder dan zag verbleken, en hij niet wist wat te doen, bij de mededeling dat er te weinig van dit of te veel van dat in het eten zat, en hoe hij toen al wist dat hij nooit die pijn van haar af zou kunnen nemen.
Omringd door het verdriet en de angsten van zijn moeder en de onbereikbaarheid van zijn zusjes, die op gegeven moment alleen nog maar met elkaar of met hun `hartsvriendinnen' wilden spelen, lag hij op bed of maakte zijn huiswerk op zijn kamertje, dat wel, want hij wilde zijn moeder, die toch al zoveel leed, gelukkig maken. Hij was immers de oudste en de enige zoon, en dus deed hij zijn best, al bestierf hij het van verveling, hij kwam zijn beloftes na, het was het enige waaraan hij zich kon vasthouden, het zijn moeder naar de zin maken, want een andere keuze was er niet; liever alles verduren dan haar teleurstellen, en dus verduurde hij, en lag hij daar, op zijn bed, te staren naar de gordijnen, naar zijn autotootjes, die hem wellicht ooit ver weg van dat alles zouden voeren en bleef hij vooralsnog de brave leerling zonder enige belangstelling en schermde hij zich af, van zijn eigen gevoelens, omdat hij niet anders kon.
Want dat hij zich ook kon verzetten, dat hij keuzes kon maken, kwam niet bij hem op. Hij schonk liefde aan zijn moeder, maar kreeg er alleen angst en betutteling voor terug; het donderde hem zo de eenzaamheid in. Waarom was hij er? Was er door God soms een vergissing gemaakt? Zou het niet de bedoeling zijn geweest dat hij werd geboren? Hij voelde zich zo volkomen misplaatst in het leven, dat de gedachte aan rebellie hem nog vreemder voorkwam dan zelfmoord. Hij kan zich nog altijd zien zitten, een kind in een zomerse nacht in het smalle raam van zijn kamertje, hij ziet de sterren aan de hemel, hij ziet de lichten van de buren aan de overkant, de grijze stenen van het platje onder hem die flauwtjes weerspiegelen in het maanlicht, hij kan zelfs nog de verleiding van het springen navoelen…’


4. Ella.

p. 114-115

Het is ook zo'n herrie in haar hoofd. Honderden gedachten schieten als losgeraakte kralen door elkaar, tinkelen om beurten tegen haar hersens aan, als kleine kinderen die onophoudelijk om aandacht zeuren. Zelden lukt het haar om zich langer dan een minuut op een en dezelfde gedachte te concentreren. Oude en nieuwe gedachten vloeien in elkaar over, vermengen zich met stemmen van vroeger, met liedjes van nu, met flarden van gesprekken op de radio; alles stroomt in elkaar over en spat als rivieren die uitmonden in een en hetzelfde bekken in haar hersenpan uiteen.
Ook de beelden wisselen elkaar in razend tempo af, als in een door elkaar gehusseld blijspel waar de toneelmeesters maar met de decorstukken af en aan blijven slepen, omdat ze het overzicht op de voorstelling kwijt zijn. Zelden beklijft een beeld langer dan een paar seconden. Voordat ze haar aandacht er goed en wel op heeft kunnen richten, schiet er een nieuwe flits door haar hoofd, die ze nog niet herkent of hij wordt al weer door een nieuw beeld opgegeten, alsof haar hoofd een dia-avondje is, waarop de kiekjes er in ongekend tempo doorheen worden gejaagd.

5. Det

pagina 178-179

Zoals vorige week, in Paradiso, waar ze een jonge fysicus op zondagochtend in een tot de nok gevulde zaal `Van wie is de tijd?' had horen vragen. Niet: `Wat is de tijd?', zoals Augustinus. Of: `Hoe is de tijd?', zoals Heidegger. Maar: `van wie is de tijd?' Vanachter de ballustrade op het eerste balkon had ze hem verbluft aangestaard. Hoe lang studeerde ze nu al op de tijd, en waarom had ze zich deze vraag nooit zelf gesteld? De tijd en de ruimte, zo had de wetenschapper betoogd, komen op het kleinste niveau in de ban van onzekerheden. De kleinste elementaire deeltjes weten dan niet meer wat vroeger of later is. Ruimte en tijd verliezen hun fysieke betekenis en worden een illusie. Net zoals temperatuur een collectief effect is van de botsingen van ontelbaar veel moleculen, zo lijken ruimte en tijd een schim, gecreëerd door ons falen om de fijnste details van de microscopische wereld te zien.'
Ze had gefascineerd toegehoord. Ruimte en tijd vormen niet langer het vaste decor waarin de natuurlijke verschijnselen hun schouwspel spelen, had de wetenschapper verteld, maar worden zelf tot leven gewekt. Het zijn geen te fixeren grootheden, maar in tegendeel subjectieve, afgeleidde begrippen oftewel emergente verschijnselen. Want iedereen ervaart de tijd immers anders. Elke minuut wordt anders ervaren. Hoe de tijd is, kan dus niet empirisch vastgelegd worden. Het is een afspraak, een kunstmatig ordeningsprincipe, meer niet. De enig juiste vraag is daarom: van wie is de tijd?'


6. Tenslotte een fragment uit de dialoog tussen Mark en Det over Sferen van Peter Sloterdijk

pp. 260-266

`Misschien vindt je het allemaal wel grote flauwekul’, zegt Mark. `Dat is het ergens ook, maar dat vind ik juist zo leuk eraan. Het is eigenlijk pas sinds de publicatie van Sferen dat hij me heeft geraakt. Hij probeert echt iets nieuws te doen, weet je, al laat dat nieuwe zich moeilijk benoemen. Het is een heel beeldend en associatief werk, literair zelfs en tegendraads; het bewandelt precies de andere weg van het denken, namelijk de weg terug in plaats van heen, de weg naar de geboorte toe in plaats van op de dood af. Hij wil niet langer de ene voet voor de andere zetten, hij gaat niet langer op een einde af, van de tijd, de kunst, de geschiedenis of de mens, hoeveel verschillende eindes zijn er de afgelopen decennia al niet over ons afgeroepen, maar hij kuiert in plaats daarvan doodleuk de andere kant op. Dat is op zich al verfrissend. Hij durft het aan het steeds smaller en moeilijker te onderscheiden pad naar een eerste beginnen te nemen en zelfs nog daarvoor, de lange weg van het geboren worden en zelfs nog daaraan voorbij. Hij wandelt als het ware ons volwassen geworden leven terug, als iemand die de regels van het ganzenborden nog steeds niet onder de knie heeft en bij het eindpunt begint en dan terugtelt tot start.'
Det neemt een slok van haar wijn.
`En onderweg in de put valt en dan een beurt moet overslaan?'
`Ja', grinnikt Mark, `hij loopt met zijn ganzenveer als pion in de hand terug tot aan het meest verscholen, meest teruggetrokken punt van de in ons verzonken binnenwereld. Nou ja, en omdat daar natuurlijk weinig over te zeggen valt, slaat hij zijn eigen beurt soms over en geeft hij het woord aan magnetiseurs of middeleeuwse monniken...'
Ze kijkt hem vragend aan.
`Magnetiseurs?'
`Ja, al die heelmeesters, mystici en kwakzalvers die de pijn van de mens bij het wegvallen van Gods paradijs hebben proberen te genezen... Kijk, Sloterdijk schetst het beeld van een mens die tot aan het einde van de middeleeuwen veilig in de bel hing die God om hem heen had geblazen, omringd door Zijn adem, die het kille niets uit het universum wegblies en bezielde met zichzelf. De menselijke wereld als een door God geschapen zeepbel, waarin we zo'n beetje aan zijn kin hingen. Daarbinnen leefde de mens als kosmisch middelpunt, troostrijk omhuld door de warme hemelse mantels. Deze goddelijke bel werd door mystici als Hildegard von Bingen verdubbeld met de moederlijke bel; er was als het ware sprake van twee, bipolaire sferen, die van mens en god en die van moeder en kind. De navelstreng die het kind aan de placenta verbindt trekt von Bingen letterlijk door tot in de hemel, zoals op de afbeelding in Sferen te zien is, waar het kind via deze engelenkabel of hypernavelstreng zijn ziel direct door God krijgt ingefluisterd. De mens had in de Middeleeuwen als het ware voortdurend een ADSL- lijntje open naar God...
`En die navelstreng werd doorgeknipt...'
`Ja, dat is nu allemaal voorbij. Gods almachtige, iriserende bel die tot aan het einde van de middeleeuwen beschermend om ons heen hing is op de muur van wetenschap, kennis en rationaliteit uit elkaar gespat. De navelsteng, die de mens op vanzelfsprenekede wijze van goddelijk voedsel voorzag, is voorgoed afgeknepen. Sinds die tijd, dus sinds ongeveer het begin van de 16e eeuw, leven we niet meer in een bol, maar alleen nog maar op een bol, de aarde, reden waarom er vanaf die tijd ineens ook zoveel globes worden gebouwd. Ben je wel eens in het Scheepvaartmuseum wezen kijken?'
`Ja, vroeger wel eens.'
`Die hebben een prachtige verzameling wereldbollen uit die tijd.'
Det kijkt hem weifelend aan.
`Tja, maar kun je ook niet net zo goed zeggen dat de mens met het doorknippen van die goddelijke navelstreng opnieuw en dit keer misschien wel echt geboren werd? Ik bedoel, bevrijd van al die religieuze waan, begon de mens eindelijk de verantwoordelijkheid voor de wereld bij zichzelf te zoeken en daarom globes te bouwen, om die wereld een beetje in kaart te brengen?'
`Natuurlijk, en dat zie je ook gebeuren, maar wat je ook ziet, is dat dat het begin van het veroveren van wereld inluidt, dat we de wereld intrekken om land van anderen in bezit te nemen en dat we die andere volken aan ons gaan onderwerpen.'
`Het wegvallen van het geloof in God betekende het begin van het westerse kolonialisme, bedoel je? Kom op zeg, kijk eens wat voor een imperium de Romeinen vijftien eeuwen eerder opgebouwd hadden...'
`Dat was ook geen religieus volk...'
`En onze kruistochten dan? Dat was toch zeker ook een vorm van religieus imperialisme?'
`Ja, maar dat ging alleen om Jerusalem, niet om het veroveren van de landen die daar tussenin lagen. Sloterdijk bedoelt, denk ik, dat we sinds de moderne tijd een prijs voor onze schaalloosheid hebben moeten betalen, waarmee hij feiteliijk de vergelijking van Hildegard von Bingen dat we voorheen in Gods ei woonden, en dat wij het eigeel waren, overneemt. We zijn het kwetsbare kuiken dat aan het eind van de middeleeuwen uit de schaal gekropen is en verbaasd om zich heen kijkt: wat moeten we hier? Waarom is het hier zo koud? Wat doen we met dat grote oneindige Niets dat ons omgeeft? Welke adem kan ons leven nog begeleiden? Met welke bellen kunnen we ons nog omhullen? We meenden dat kennis en wetenschap een nieuwe bel zou kunnen worden, en dat het veroveren en onderwerpen van de wereld onze zielloosheid zou compenseren. We trokken erop uit, we trokken weg van ons zelf, en vergaten daarbij de intimiteitsbel die we nog niet verloren hebben, die van het ongeboren en pas geboren kind, aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat is feitelijk wat hij nu alsnog in Sferen heeft gedaan.
Det kijkt hem aarzelend aan.
`De mens is zichzelf in zijn zoektocht naar kennis en rijkdom voorbij gestreefd? Bedoel je dat?'
`Ja, we zijn volkomen van onszelf, van ons lichaam, onze ziel, vervreemd geraakt. Kijk om je heen, je ziet niet anders dan wanhopige pogingen de leegte te bezweren, het gapende gat te dichten met spullen, telkens meer spullen, maar nooit is het genoeg, want geen enkel technologisch speelgoedje kan ons bevredigen, geen tweede, derde of vierde auto kan verhelpen dat we ons hol en leeg van binnen blijven voelen. We zijn boulemische consumenten geworden, maar de zielloosheid blijft.'
`En het antwoord op al die vervreemding van ons zelf zou zijn dat we de baarmoeder eens beter moeten gaan bestuderen, dat we allemaal gynaecoloog worden?', vraagt ze ongelovig.
`Ja, dat wil zeggen, niet letterlijk, maar wel dat we op zoek moeten gaan naar onze eigen kern, onze onken continent in de matriarchale zee, die wij allen in onze prehistorie bewoond hebben, dat wil zeggen, in de tijd die vooraf ging aan sociale en talige structuren. Voor mij is hij de nieuwe Percival die na lange omzwervingen bij de heilige Graal aankomt en daar de vraag die bij uitstek het menselijke bestaan typeert, voorgelegd krijgt: `wat ontbreekt je?'.
`Een baarmoeder misschien?', vraagt Det olijk.
Mark lacht.
`Zullen we nog een glas wijn bestellen? Ik merk dat ik wat meer alcohol nodig heb om Sloterdijk bij je naar binnen te laten sijpelen.'
`Ja, graag.'
Mark staat op en bestelt nog twee glazen aan de bar.
`Zou het ook niet kunnen,' vraagt ze als hij weer tegenover haar zit, `dat dit allemaal met een nogal uitgesproken mannelijk verlangen te maken heeft? Ik bedoel, ik begrijp het wel, en herken natuurlijk dat gevoel van nooit volledig met jezelf te kunnen samenvallen, die ervaring van dat er altijd iets is wat je ontbreekt, maar om nu alles op die baarmoederijke toestand, die maternale bel te willen gooien, ik weet niet, is dat niet een beetje simpel?'
`Nou ja, wat hij bedoelt is denk ik dat we als kind uit die oorspronkelijke, door liefde en zorg omgeven eenheid stappen en dan de bewoners worden van een vreemde en uitgebreide sfeer. Dat gebeurt niet zozeer op het moment dat we uit de baarmoeder tuimelen, maar als we leren spreken en ons leren onderscheiden van anderen. Dat is ook het moment waarop de geboorte van de buitenwereld zich aan ons voltrekt. Deze gaat gepaard met de ontdekking dat veel dingen daarbuiten niet meebezield zijn, geen innerlijk hebben, niet langer vanzelfsprekend bij ons horen, maar `dode en uiterlijke dingen' zijn, dingen die volkomen buiten ons kunnen existeren, en maar geen eenheid met ons willen vormen. Dan pas spat die eerste bel uit elkaar en krijgen we volgens Sloterdijk een psychische emigratieshock te verwerken die zijn weerga niet kent in het verdere verloop van ons leven... We vallen in een kil en vijandig buiten, waar we voortaan zelf onze gedeelde binnenwerelden, onze gezamenlijke sferen moeten scheppen...'
`Zijn we daar nu mee bezig, met het scheppen van een sfeer?', vraagt ze.
Mark glimlacht, neemt een trekje van zijn sigaret en blaast de rook in kringen de lucht in.
`Ja, voor de duur van dit gesprek scheppen we als het ware een nieuwe bel, die ons omvat en waarbinnen we iets kunnen delen. Dat we daartoe in staat zijn, komt volgens Sloterdijk omdat we die vreemde en daarom ook bedreigende wereld betreden met wat hij een `bruidschat van herinneringen' noemt aan de eerste bel. Hoewel we het meeste niet meer bewust herinneren, ligt daar toch de basis van het verlangen naar gemeenschappelijkheid. Juist die bruidschat heeft de filosofie altijd laten liggen, omdat die herinneringen als het ware verscholen liggen in een voortalige wereld, waar ons denken tekort schiet met zijn formuleringen en definities en inkaderingen. De herinneringen aan onze eigen prehistorie moeten op andere wijze opgeroepen worden, op de open plekken die in het denken ontstaan als je een theorie niet te veel dichttimmert, maar adem toestaat, lege ruimten schept waar vrijelijk geassocieerd en gemijmerd kan worden.'
`Tja, wie durft er tegenwoordig nog belangeloos te mijmeren?' merkt Det op, die zich al iets meer tot Marks verhaal aangetrokken voelt, `je moet overal meteen de sociale of economische relevantie van aantonen.'
`Precies! Daarbij komt dat de moderne filosofie altijd een hekel heeft gehad aan zaken als het irrationele, het intieme of sensuele en dat hele duistere continent verre van zich heeft geworpen. Daardoor heeft de filosofie ook nooit tot die fundamenten van ons bestaan, gelegd in de allervroegste kindertijd, weten door te dringen, stelt Sloterdijk, en zal het altijd alleen de helft van ons verhaal, van onze geschiedenis kunnen vertellen.'
`Intimiteit is een glimp opvangen van de verloren tijd?', vraagt Det bedachtzaam. `Beetje Proustiaans, niet?'
`Ja', zegt Mark, `Sloterdijk zoekt niet voor niets zo vaak zijn toevlucht tot schrijvers en kunstenaars. Maar ook Plato meende al dat de aanschouwing van het schone een onder het puin van alledag bedolven opslagplaats van ons vroegste geheugen blootlegt. En Sloterdijk voegt daaraan toe dat het weerzien met deze allervroegste visioenen zich onder meer uit in de liefde, in wat hij de `erotische hittegolf' noemt die het verkilde mensenlichaam doet smelten, en zo herinneringen aan gelukstoestanden uit een ver verleden wakker roept. Want ons lichaam is zo verschrompeld door een overdosis aan theorie, aan rationaliteit, aan dogmatiek, we hebben het van ons afgestroopt en als een oude huid in een hoekje van ons bestaan laten verkommeren. Op Phaedrus verliefd worden, betekent zwichten voor de waarheid van een louter zinnelijk beginnen. De ander ontmoeten, betekent door dat raadsel wakker gehouden worden. Het raadsel van onze voorgeschiedenis. Dan ontstaat de toverkring tussen twee lichamen.'
`Erotische hittegolf? Toverkring? Weet je zeker dat je nog wel met filosofie bezig bent?', lacht Det, terwijl ze haar glas leeg drinkt. Hij kijkt haar wat verlegen aan.
`Ja, het zijn allemaal zijn woorden. Het is verbijsterend wat een vocubalaire die man tot zijn beschikking heeft...'
`Is het kunst of filosofie?'
`Allebei volgens mij. Nietzsche zei het al, en Sloterdijk zegt het hem na, we moeten weer kinderen worden. Maar wie durft er nog bellen te blazen als een kind, dat daarmee de brug probeert te slaan tussen individualiteit en wereld, tussen denken en verbeelding, tussen buitenkant en binnenwereld? We moeten weer bellenblazers worden, Det, en daarmee de oude verbondenheid met ons zelf en ons lichaam herstellen...'
Ze glimlacht om zijn enthousiasme en bedenkt opeens dat ze misschien nog een vierde woord aan haar lijstje moet toevoegen, omdat het op speelse wijze de drie voorgaande in zich opneemt: bellenblazen.
`Bellenblazen,', herhaalt Mark, `dat is wat ons te doen staat!'
`Ik lust anders nog wel een bel wijn,' zegt ze. `Of zullen we ergens iets gaan eten?'