Woord vooraf: In de luwte van de tijd

Vanochtend bij het wakker worden, het was een uur of acht en op het gekwetter van de vogels in de fruitbomen na was er niet veel te horen, moest ik me tot het uiterste inspannen om erachter te komen of het nu dinsdag, woensdag of donderdag was. Dat was van belang, omdat er op donderdag bezoek uit Nederland zou komen en dat betekende dat er inkopen gedaan en logeerkamers in gereedheid gebracht moesten worden. Verwoed probeerde ik in mijn geheugen een denkbeeldige kalender open te slaan, waarin ik de juiste datum voor deze dag zou kunnen vinden. Mijn agenda had ik thuisgelaten, want waarom zou ik die naar een lange zomer op het Franse platteland meenemen? En dus moest ik uit mijn hoofd de dag en datum achterhalen, een kunstje waarvoor ik in de stad mijn hand meestal niet omdraai. Maar hoezeer ik me ook inspande en mijn best deed de afgelopen dagen van elkaar te onderscheiden om zo enige structuur in de tijd aan te brengen en aldus op de juiste datum aan te belanden, ik kwam er niet uit en zag slechts blanco, ongedateerde bladzijden voor me. Al na een week in een afgezonderd boerengehucht was ik mijn gevoel voor tijd kwijtgeraakt. De indruk dat ik maar een beetje ronddobberde in de tijd en zonder baken of houvast een ongewisse toekomst tegemoet dreef, verwarde me. Maar even later maakte die bezorgdheid plaats voor berusting, zelfs voor opluchting. Hier, in dit lome dal tussen twee elkaar net ontwijkende rivieren, omringd door de bossen, akkers en wijngaarden van de Bergerac, gelden nu eenmaal andere regels en heerst er een andere tijd dan die van de preciese klokken en volle agenda’s van het thuisfront.

Aan dat verschil in tijd en tijdervaring heb ik de afgelopen jaren verscheidene essays gewijd, die ik tijdens deze zomer op het Franse platteland herschrijf. Terwijl om me heen de temperatuur tot ongekende hoogte stijgt en de luwte van de tijd zich elke dag nog iets meer lijkt te verdiepen, herlees ik alles wat ik over dit even moeilijke als fascinerende onderwerp geschreven heb. Voor die klus is deze van de wereld afgezonderde plek heel geschikt. Want voor dit boek heb ik geprobeerd om een andere dan de gebruikelijke tijdervaring op het spoor te komen en vooral om de reikweidte en rijkdom van die andere tijd onder woorden te brengen. Ons drukke leven in de stad maakt het lastig om het onderscheid nog waar te nemen tussen wat ik in dit boek de ‘kloktijd’ noem, met zijn universele regels en rigide opdelingen, en die andere tijd, die als het ware onder onze klokken door stroomt, even kalm als onverstoorbaar, en die aan een meer persoonlijke, meer innerlijke tijd lijkt te raken. De tijd van klokken en agenda’s is een abstracte en sociale tijd, iets wat we met elkaar hebben afgesproken om de wereld te kunnen inrichten, om internationaal transport te kunnen regelen, om zaken te kunnen doen. Zodra je uit die wereld stapt, zoals ik een week geleden heb gedaan door naar deze plek af te reizen, stap je als het ware ook uit die tijd en kom je in een andere tijd terecht. Een tijd die geen data of uren kent, maar eigenlijk alleen verschillende verschuivingen van het licht: van het frêle ochtendlicht naar het felle en oogverblindende blauwe licht van het middaguur tot de schemerige pasteltinten van de avond die langzaam verzwolgen worden door de zwarte duisternis van de nacht. Meer niet. En dat elke dag opnieuw. De zon komt op en gaat weer onder. Dat is de kosmische klok waarmee je hier leeft. Het opmerkelijke is dat door dat ogenschijnlijk zo saaie voortkabbelen van de dag, dat ononderbroken voortduren van tijd, beetje bij beetje een veelheid aan gedachten, droombeelden, ervaringen en herinneringen heen breekt. Hoewel ik ’s ochtends niet weet wélke dag het is, voelt deze dag wel als van mij. In plaats van door afspraken en zenuwachtige blikken op de klok opgedreven te worden, voel ik me min of meer samenvallen met een innerlijke tijd. Pas door uit de agenda van de wereld te stappen, kan ik met andere woorden zoiets als een eigen tijd betreden.

Hoe ongrijpbaar en complex het fenomeen ‘tijd’ ook is, het uitgangspunt voor de essays in dit boek is eigenlijk vrij eenvoudig. Achter vrijwel elke daarvan, zo merkte ik bij het herlezen, ligt de stelling verborgen dat wij sinds de invoering van de internationale Greenwichtijd aan het einde van de negentiende eeuw steeds meer naar de kloktijd zijn gaan leven en daardoor die andere, meer persoonlijke of innerlijke ervaring van tijd naar de achtergrond hebben verdreven. Wij lijken niet goed meer te beseffen dat de kloktijd, die onze levens toch tamelijk dwingend reguleert, ooit slechts een praktische afspraak is geweest – ‘van alle afspraken misschien wel de meest kunstmatige’, om de schrijver W.G. Sebald te citeren. We moeten op vakantie letterlijk uit de wereld en de daarbij behorende kloktijd breken, om nog te kunnen ervaren wat tijd werkelijk is; of liever gezegd, om nog te kunnen ervaren hoe we ook zelf tijd zijn. Want behalve dat we de tijd hebben, of meestal denken niet te hebben, zijn we ook tijd, zoals Henri Bergson stelde. Die persoonlijke of innerlijke tijd is echter moeilijk te benoemen of vast te leggen, omdat hij niet in algemene eenheden als uren of minuten valt uit te drukken. Die andere tijd is bij uitstek iets wat ervaren en niet gemeten wordt. Daarom heb ik voor dit boek mijn oor vooral te luisteren gelegd bij denkers, schrijvers, musici en kunstenaars die de ervaring van die andere tijd in hun werk hebben proberen te verbeelden. Hoewel er vanuit strikt wetenschappelijk oogpunt weinig over die innerlijke tijd te zeggen valt, is het wenselijk om juist die tijd weer in het zicht te krijgen. Want gaandeweg de twintigste eeuw hebben wij ons steeds meer aan het straffe bewind van de klok onderworpen en dat heeft gevolgen voor de manier waarop we tegen de wereld en onszelf aan kijken. De wet die het regime van de kloktijd in grote mate bepaalt en aanstuurt, is die van het economische rendement, terwijl de dimensie waarin die andere tijd ons verplaatst, die van onze innerlijkheid, ja zelfs van onze menselijkheid is, zoals Augustinus en later ook Ernst Bloch stelde. Nu gaat het er niet zozeer om de ene tijd voor de andere in te ruilen, het gaat erom die andere tijd weer in het vizier te krijgen om zo het evenwicht tussen beide tijden te kunnen herstellen. Dat ‘de ware tijd pas tot leven komt, als de klokken zwijgen’, is een uitspraak van William Faulkner die ik hier van harte zou willen onderschrijven. Het vergroten van onze gevoeligheid voor die ‘ware tijd’, waarmee we ons tijdgebonden bestaan kunnen verrijken en verruimen, is in het kort gezegd wat me bij het schrijven van deze essays voor ogen heeft gestaan.


Cause de Clerans, juli 2009.

1. Inleiding: Van wie is de tijd?

Van wie is de tijd? Op zich lijkt dit een eenvoudige vraag. De tijd is van ons, zou je zeggen, want iedereen mag een poosje meedoen in de tijd. Hoe lang dat is, hangt af van de hoeveelheid tijd die je gegund is; voor de een dertig, voor de ander vijftig of tachtig jaar. De tijd tikt als het ware met elke seconde een partje van je leven weg, maar brengt ook datgene wat er nog in het verschiet ligt, van minuut tot minuut dichterbij. Het zal aan je karakter, leeftijd en omstandigheden liggen of je de nadruk legt op het wegtikken van de beschikbare hoeveelheid tijd naar een almaar uitdijend verleden of op de aankondiging van een toekomst die steeds dichter onder handbereik komt. Kijk je weemoedig terug op wat al geweest is of zie je reikhalzend uit naar wat er nog komen gaat. Is tijd iets als ‘hoop’ (Bloch) of ‘de grootste vernieuwer’ (Bacon) of opent de tijd meer ‘een verhouding tot het oneindige’ (Levinas)? Deze drie filosofische typeringen zeggen weliswaar veel over de wijze waarop we tegenover de tijd kunnen staan, maar vertellen ons nog weinig over de concrete ervaring van tijd in ons dagelijks leven. Die ervaring is de afgelopen honderdvijftig jaar tamelijk ingrijpend veranderd. Zelfs in die mate, dat we ons kunnen afvragen of we de tijd nog wel kunnen beschouwen als iets wat van ons is.

Veel van onze dagelijkse uitdrukkingen en gezegden gaan over tijd. Je kunt er te veel of te weinig van hebben, je kunt hem benutten of uitzitten, je kunt hem verduren, wonden laten helen of op hem vooruit zijn. Tijd speelt een hoofdrol in ons leven, maar tegelijkertijd ontsnapt de tijd ons ook steeds, glijdt hij als het ware tussen onze vingers door, zodra we de essentie ervan willen benoemen. We kunnen uiteraard de werking van een klok goed beschrijven, maar we kunnen niet de vinger leggen op datgene waarnaar de klok verwijst: tijd. Tijd behoort tot de grootste raadselen uit ons leven, benadrukken niet alleen filosofen, maar ook hedendaagse natuurwetenschappers. Het enige wat we tegenwoordig met enige zekerheid kunnen vaststellen, is dat we de tijd ervaren als iets dat niet alleen steeds sneller lijkt te gaan, maar ook als iets waarvan we steeds minder lijken te hebben.

Tot aan het vastleggen van het internationale ijkpunt voor tijdmeting in Greenwich in 1884 bepaalden lokale, meestal op astronomische waarnemingen gebaseerde tijdmetingen ons dagritme. Dit was een tijdsindeling die was gebaseerd op zowel de gewoonten van een gemeenschap als de wisseling van de seizoenen en de daaraan gebonden periodisering van zaaien en oogsten. De nieuwe, internationale kloktijd werd als het ware over die lokale tijdsindelingen heen gelegd, teneinde het verbindende structureringsprincipe van de wereld te worden. Je zou zelfs kunnen zeggen dat met de invoering van de Greenwichtijd de globalisering een aanvang nam en dat de mens werd losgekoppeld van zijn eigen, lokale en natuurlijke tijdritme. De industrialisering van de samenleving en de daarbij behorende introductie van fabrieksfluiten en prikklokken versterkten die tendens. In plaats van in zekere harmonie met de tijd te leven, werd de mens voortaan geleefd door de klok. Daardoor raakte hij in de loop van de twintigste verwikkeld in een gevecht met de tijd, die door Charlie Chaplin in de film Modern Times uit 1936 al sprekend werd verbeeld. In deze film dreigt de man met de bolhoed letterlijk verzwolgen te worden door de steeds sneller lopende machines. Zijn menselijkheid lijkt bovendien te worden vermalen door het genadeloze regime van de klok dat de productie keer op keer voortdrijft. Uiteindelijk dreigt hij zelf in een machine te veranderen. Modern Times was Chaplins antwoord op het snelheidsmanifest van de futurist Filippo Marinetti, die de tijdsversnelling juist omarmde - ‘een race-auto is beter dan de Nike van Samothrace’ - en dweepte met de verworvenheden van het industriële tijdperk. Chaplin wilde met zijn film laten zien dat als tijd louter nog als arbeidstijd beschouwd wordt, als een quotum dat optimaal voor productie gebruikt moet worden, de mens van zichzelf vervreemd raakt.

Tegenover die arbeidstijd is in de loop van de twintigste eeuw de zwaar bevochten ‘vrije tijd’ komen te staan. Gek genoeg wordt deze arbeidsloze tijd echter ook in toenemende mate aan activiteit besteed: verre reizen, survivaltochten of andere ‘doe-vakanties’ zijn ongekend populair. Ook in de vrije tijd mag de tijd blijkbaar niet als leeg verschijnen en dient deze maximaal ‘gevuld’ worden. Het lijkt er op dat we er alles aan doen om de lege tijd te verdrijven. Als er ook maar een moment van verveling dreigt, zappen we snel door naar een volgend opwindingsmoment, alsof verveling en lege tijd ons zo vreemd zijn geworden dat ze ons alleen nog angst kunnen inboezemen. Tegelijkertijd ervaren we tijd steeds meer als iets waarvan we te weinig hebben. Hoe meer tijdsbesparende machines er ook bij zijn gekomen, hoe minder tijd we voor rust en ontspanning over hebben. Hoe sneller we ons kunnen verplaatsen, hoe minder tijd er is om ergens te verblijven. Hoe groter onze beschikbaarheid via mobiele telefoons, e-mail en internet, hoe minder tijd we voor elkaar hebben. Deed een brief er vroeger nog een of twee dagen over om ons te bereiken, tegenwoordig wordt er van ons verwacht dat we binnen het uur op een e-mail reageren. Dat alles heeft de indruk van de tijd als schaarsteproduct versterkt.

Hans Achterhuis schreef in een speciale bijlage over de tijd in de Volkskrant van enkele jaren geleden dat deze toenemende druk op de tijd niet alleen filosofen, sociologen en psychologen zorgen baart, maar ook de politiek. Zo stelde de regering van Paars-II aan de toenmalige minister van VROM, Jan Pronk, voor om aan zijn ministerie ook het fenomeen ‘tijd’ toe te voegen. Volgens het kabinet heerste er namelijk een permanente tijdschaarste, ja, zelfs tijdarmoede, en daar moest iets aan gedaan worden. Maar Pronk weigerde ‘tijd’ in zijn portefeuille op te nemen, omdat hij vond dat de tijd aan de persoonlijke levenssfeer van de mensen toebehoorde. Dat standpunt verhulde volgens Achterhuis ‘de afstand tussen deze mooie ideologische woorden en de maatschappelijke werkelijkheid’, want de tijd behoort allang niet meer aan de mensen persoonlijk toe. Kenmerkend voor de moderne samenleving is volgens Achterhuis dat de tijd van buitenaf wordt gereguleerd en dat de persoonlijke levenssfeer zich volledig naar deze van buitenaf opgelegde tijd gevoegd heeft. Daar komt bij dat we onder druk van de kapitalistische ideologie voortdurend tot de aanschaf van nieuwe producten worden verleid. De socioloog Anton Zijderveld heeft hieraan de naam ‘staccatocultuur’ gegeven. We willen steeds meer, we willen steeds iets anders en we willen dat steeds sneller. Het is niet overdreven te stellen dat de economie de tijd regeert en daarmee ook ieders persoonlijke tijdservaring. De vraag is echter welke ervaring daardoor naar de achtergrond wordt gedrongen en wat dat met ons en met de samenleving doet.

Wie voor een antwoord op deze vraag te rade gaat bij de vele toekomstscenario’s die in opdracht van westerse regeringen en bedrijven rond de millenniumwisseling geschreven zijn, krijgt niet bepaald een vrolijk beeld van wat ons in West-Europa de komende vijftig jaar te wachten staat. De verwachting is dat de tweedeling in de samenleving zich zal verdiepen, dat de dreiging van terreur zal toenemen en dat de gevolgen van de klimaatverandering steeds drastischer zullen zijn. In de historische centra van de steden en de fraaie buitengebieden wonen de rijkere en hoog opgeleide burgers, die, indien niet gevloerd door stress of burn-out, zich een slag in de rondte werken en uit veiligheidsoverwegingen hekken met camera’s rond hun huizen zetten. De verpauperde stedelijke randgebieden zullen worden bevolkt door grote groepen werklozen en illegalen, die in de voornamelijk op kennis gerichte economie geen werk meer kunnen vinden. Er heerst onder de gehele bevolking een groeiende onrust en onzekerheid, omdat de samenleving steeds ingewikkelder wordt en de technologische veranderingen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen. De algemene ervaring die ons te wachten staat en eigenlijk nu al om zich heen grijpt, is kortom dat de tijd dringt. Aan de ene kant moeten we snel handelen, willen we de gevolgen van de klimaatveranderingen binnen de perken houden. Aan de andere kant neemt de dwang om meer te produceren en sneller te innoveren teneinde de economie weer vlot te trekken, alleen maar toe. Het lijkt wel alsof we ons aan het begin van de eenentwintigste eeuw in een patstelling bevinden: het klimaat vraagt om minder, de economie om meer, de mens vraagt om vertraging, de samenleving om versnelling.

Grondtrek van deze toekomstscenario’s is de tijd- en produktieversnelling. Steeds meer overheerst het gevoel dat de tijd op hol is geslagen of dat de tijd niet meer bij te benen is. Omdat de veranderingen zo snel gaan en niemand zich meer in staat acht zich aan die veranderingen aan te passen, krijgt men eerst het gevoel achter te lopen en vervolgens het gevoel uitgerangeerd te zijn. Om dat te voorkomen voelen de mensen zich gedwongen de veranderingen bij te houden. Hijgend lopen ze als het ware achter de tijd aan, want er is nauwelijks tijd om zich de vele veranderingen toe te eigenen. Juist deze door de tijd voortgedreven mens doet zich daardoor voor als een tijdloze mens, dat wil zeggen als een mens die niet meer kan verwijlen bij de tijd. Want we willen wel onthaasten, rust vinden, consuminderen en vertragen, maar het lijkt ons niet echt te lukken. Daarmee verdwijnt de ervaring dat we de tijd aan onszelf hebben uit zicht. We zijn al met al behoorlijk ver verwijderd geraakt van de klassieke filosofische gedachte dat rust en nietsdoen de grondslagen van een beschaving zijn. Niet voor niets stamt het woord ‘school’ af van het Griekse woord ‘scholè’, dat onder meer rust betekent. Pas in rusttoestand, in de interval tussen twee handelingen, kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Pas als we niets doen, opent zich de ruimte van het denken en van de creativiteit, verschijnselen die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laten sturen of opjagen. Sinds Plato en Aristoteles, schrijft Timo Slootweg bijvoorbeeld in de essaybundel Bij tijd en wijle (2004), gelden rust en nietsdoen als de voorwaarden van cultuur en beschaving. De belangrijkste taak van een democratisch staatsman was volgens de Griekse filosofen dan ook juist die rust te bevorderen. Daartegenover staat de tiran die zijn macht wil vergroten door het volk continu bezig, dat wil zeggen rusteloos en niet nadenkend te houden. Je zou je kunnen afvragen of onze westerse samenleving, waarin hard werken door de meeste regeringen zaligmakend wordt verklaard en waarin de meeste beslissingen om louter econmische redenen genomen worden, vanuit deze optiek nog wel als democratisch beschouwd kan worden. Druk bezig zijn, een volle agenda hebben en veel gebeld worden is synoniem met een succesvol bestaan. Als er op een ochtend nauwelijks mails of telefoontjes binnenkomen, slaat de vertwijfeling reeds toe. Leegte, rust en niets doen zijn geen inspiratiebronnen meer, maar de angstaanjagende voorboden van een tot mislukking gedoemd bestaan in de marges van de maatschappij. Tijd over en aan je zelf hebben is een luxe die door weinig politici openlijk wordt nagestreefd.

Van wie is de tijd? Is de tijd nog wel aan en van ons zelf? Er is weinig wat daarop wijst. Het lijkt erop dat we de tijd vooral aan wetten buiten ons hebben overgedragen. Wie kan zich bijvoorbeeld nog iets voorstellen bij de filosofische bespiegeling over de tijd van de zesde-eeuwse filosoof Augustinus, die schreef dat ‘de ware tijdmaat in onszelf zit, als een uitbreiding van de eigen ziel’? Wie kan er nog navoelen, als we ons haastig van de ene naar de andere afspraak spoeden, dat we in ons zelf, in onze eigen geest, de tijd meten? We meten ongetwijfeld van alles, en met name het gebrek aan tijd, maar weinigen zullen nog de ervaring hebben dat zij met het meten van de tijd zichzelf of ‘de diepte van de eigen ziel’ meten. Wat we echter niet mogen vergeten, is dat de manier waarop we over de tijd nadenken maatgevend is voor de manier waarop we over ons zelf en de wereld nadenken. De wereldwijde economische crisis en de dreigende klimaatcrisis geven juist nu aanleiding om de tijd te bevrijden van de economische dwangbuis waar we hem eigenhandig in hebben gestopt. Het is kortom tijd om ook rust, niets doen, verveling én bezinning weer op de politieke agenda te zetten, omdat zonder deze voorwaarden voor reflectie het democratische gehalte van een samenleving eigenlijk niet gewaarborgd kan worden.

Dat de tijd vooral nog een politiek-economische constructie is die ten dienste van het neo-liberale of kapitalische gedachtengoed staat, is ook de mening van Alain Badiou. In zijn boek De twintigste eeuw (2004) betoogt de meest gelezen Franse filosoof van dit moment dat deze ideologie heeft geleid tot een extreme vorm van individualisme, die ‘het bewaken en vermeerderen van het eigen belang’ tot motto heeft verheven. Hoezeer de welvaart voor de westerse samenlevingen de afgelopen eeuw per hoofd van de bevolking ook is toegenomen, de duistere keerzijde hiervan is ons allen ook bekend: een ongelijke verdeling van de rijkdom, een uitputting van de energiebronnen en een drastische toename van economische en klimatologische vluchtelingenstromen. Op meer existentieel niveau heeft dit individualisme volgens Badiou geleid tot het gestaag wegvallen van gemeenschapszin en solidariteit met anderen alsook tot een toenemende ervaring van fundamentele eenzaamheid. Hoewel Badiou nogal eens verweten wordt radicale standpunten in te nemen, lijkt hij de cijfers van de onderzoeksbureaus aan zijn kant te hebben. Zo meldde het Sociaal-Cultureel Planbureau dat we de afgelopen jaren opnieuw meer tijd kwijt waren aan werk en verplichtingen en minder tijd overhielden voor vriendschappen en sociale contacten. In Amerika heeft de gemiddelde man zijn vriendental in nog geen twintig jaar met ruim de helft zien slinken, van een kleine vier naar amper nog anderhalf. Veel jongeren in Amerika hebben alleen nog digitale, al dan niet anonieme contacten op het internet. Wat de medische gevolgen zijn van de tijdsdruk enerzijds en de anonimisering van het menselijk contact anderzijds, komt in diverse internationale onderzoeken naar voren: een verontrustende stijging van het aantal depressies, burn-outs, gevallen van ADHD, PDD-NOS en andere autistische aandoeningen, alsook het massale gebruik van antidepressiva en slaapmiddelen – alleen in Nederland al goed voor ruim twee miljoen recepten per jaar. Tegelijkertijd groeit bij velen het besef dat we het over een andere boeg moeten gooien, willen we niet op een zeker einde toehollen.

Er heerst kortom bepaald geen lentegevoel in de al genoemde toekomstscenario’s: de winter mag nog niet aangebroken zijn, maar dat wij ons in een nieuwe herfsttij bevinden, zullen weinigen nog maar ontkennen.Tussen het van kleur verschietend lover, straalt ons af en toe een goudomrand blad tegemoet: de verkiezing van Barack Obama als de eerste, zwarte president van Amerika is daar één van. De wereld keek massaal toe toen deze nieuwe loot aan de stamboom van presidenten werd toegevoegd. Zelden werden de hoop en de noodzaak van verandering – ‘yes, we can’ – zo innig omarmd als bij de inauguratie van deze president. De vraag is of Obama de tijd gegund wordt zijn belofte van hoop en verandering in te lossen.

Ook dit boek gaat over verandering, over tijd en over hoop. Tijd werd door Aristoteles ‘de maatstaf voor verandering’ genoemd en door Ernst Bloch ‘het principe van de hoop’. Er is door de eeuwen heen veel over de tijd nagedacht en geschreven. Dit boek volgt die zienswijzen, en richt zich met name op die denkers, schrijvers en kunstenaars die het gewaagd hebben een andere, meer innerlijke en persoonlijke tijd te denken dan de universele ‘kloktijd’. Dit is een wenselijke, zo niet noodzakelijke toevoeging aan het denken over tijd, temeer omdat wij aan het begin van de eenentwintigste eeuw ons nauwelijks meer bewust zijn van die andere tijd. De economie is niet bijster geïnteresseerd in de vrijlegging van een ander soort ervaring van tijd noch in enig pleidooi voor verveling, vertraging of onthaasting. Die zouden ons er maar toe aanzetten om als de zwerver in Modern Times uit de ratrace van de productieversnelling te stappen. En toch is het noodzakelijk dat we onze blik verleggen en aandacht vragen voor een tijd die zich niets aantrekt van verlies-en winstrekeningen, die ruimte geeft aan periodes van rust en reflectie en zo onze intuïtie voor ‘de tijd als duur’ opnieuw helpt te ontwikkelen, zoals Henri Bergson zijn concept van een ‘innerlijke tijd’ noemde.

Bergson is een van de denkers die al rond de vorige eeuwwisseling ons eraan wilden herinneren dat er een weliswaar moeilijk benoembare, maar daarom niet minder belangwekkende tijdsdimensie in onszelf ligt opgeslagen. Deze is volstrekt uniek en niet inwisselbaar en is vele malen waardevoller voor ons leven dan de lineaire kloktijd, waaraan we ons steeds meer onderworpen hebben. Bergson zal in dit boek uitvoerig aan bod komen, alsook andere schrijvers, denkers en kunstenaars die op zoek zijn gegaan naar die andere tijd, die ons als het ware in onderpand is gegeven en ons de mogelijkheid van reflectie en creativiteit biedt. Een tijd waarin we ondergedompeld worden als we ons vervelen, of als we langdurig wachten of nietsdoen. Martin Heidegger wees daar al op, en in zijn voetsporen denkers als Lars Svendsen en Awee Prins, die allen een pleidooi voor de verveling schreven. Die andere tijd is een tijd die ons bevrijdt van het juk van de klok en die ook de dimensie van onze menselijkheid opent, zoals uit het essay over Ernst Blochs hoofdwerk Das Prinzip Hoffnung zal blijken. Een tijd die ons bovendien in staat stelt ons te verzetten tegen het steeds dwingerder regime van de uniformiteit.

In zeker opzicht is dit boek een vervolg op mijn vorige essaybundel Heimwee naar de mens (2003). Net als toen ga ik op zoek naar datgene wat onze menselijkheid uitmaakt. Een van de fundamenten onder die menselijkheid is de tijd, en dan met name de ervaring van die ‘andere’ tijd. Dat is geen persoonlijke hobby van mij, maar een breder gedeelde visie die ook in Nederland steeds vaker vanuit diverse disciplines verkondigd wordt. Zo houdt een politica als Femke Halsema een pleidooi voor onthaasting, maken filmmakers als Jiska Rickels en Coco Schrijber films over verveling en de vertraging van de tijd en schrijven filosofen als Jan Bor en Hans Achterhuis boeken waarin ze die andere dimensie van de tijd verkennen. Ik sluit me van harte aan bij dit langzaam aanzwellende koor van stemmen en probeer er een filosofische of meer existentiële motivatie voor te geven. Maar is tijd niet een te breed, te abstract en te complex onderwerp voor een boek? Gaat een boek over de tijd niet voorbij aan de urgentie om antwoorden te vinden op tal van concrete, sociaal-politieke vraagstukken, zoals hierboven opgesomd? Kunnen we niet gewoon een beetje onthaasten en een beetje gelukkiger met minder zijn, zoals Halsema en anderen bepleiten? Daar hebben we al die diepzinnige analyses over een andere tijd die door het regime van de kloktijd verdreven is toch niet voor nodig? Ik meen van wel.

Wat filosofen als Bergson en Bloch duidelijk willen maken, is dat het regime van de economische kloktijd de andere ervaring van tijd verdrongen heeft. Voor Bergson heeft dit de vervreemding van de mens ten opzichte van zichzelf en zelfs het verlies van zijn vrijheid tot gevolg; voor Bloch betekent dit niets minder dan de teloorgang van de hoop op verandering. Maar zijn dit niet wat overtrokken standpunten van filosofen die te ver zijn doorgeschoten en het zicht op de werkelijkheid verloren hebben? Ik denk het niet. Als we goed om ons heen kijken en ons oor bij de nieuwe generatie te luisteren leggen, valt er moeilijk aan de analyses van Bergson en Bloch te ontkomen. De generatie die in onze snelheidscultuur is opgegroeid, wordt bijvoorbeeld door Rob Wijnberg in zijn boek Boeiuh! Het stille protest van de jeugd (2007) getypeerd als een generatie die elke hoop en elk idealistisch geloof op verandering verloren heeft. Onverschilligheid, apathie en ontevredenheid kenmerkt volgens hem de twintigers en dertigers van nu. In een dialoog tussen Wijnberg en Adriaan van Dis in de Groene Amsterdammer (mei 2009) worden vrijwel alle kenmerken van de moderne mens genoemd waarvoor Bergson en Bloch gewaarschuwd hebben. Over zijn generatie stelt Wijnberg: ‘Achter de passieve onverschilligheid gaat een grote onvrede schuil. We hebben ons afgekeerd van nieuws en maatschappelijke kwesties, omdat we denken er niets aan te kunnen doen. Waarheden die ons niet bevallen, filteren we gewoon weg. We zijn cynisch geworden.’ Van Dis neemt het op zijn beurt zijn eigen generatie kwalijk dat deze het engagement en de idealen moeiteloos heeft ingeruild voor een plat consumentisme. ‘We zijn volledig in het consumentisme weggezakt. We zitten tot onze nek in de hypotheekschuld en met onze brede kont op het pluche en geven nieuwkomers geen kans. We leven in een wereld met klimaatproblemen en terrorisme, in een wereld waar de financiële rek uit is. Maar mensen hebben het gevoel dat het te snel voor ze gaat. Ze grijpen zich vast aan het verleden, aan een verzonnen zelf.’

Vervreemding, cynisme, onverschilligheid, versnelling, verloren zelf en leven voorbij elke hoop op of elk geloof aan verandering, dat is wat de klopjacht van de economische klok mede veroorzaakt heeft. Een pleidooi houden voor onthaasten of consuminderen zonder een fundamentele herziening van onze omgang met de tijd en zonder een verregaande verkenning van een mogelijk andere tijdervaring, heeft volgens mij dan ook niet zoveel zin. Het gaat erom onze intuïtie voor die andere tijd wakker te roepen en aan te blazen, zodat er een nieuw en noodzakelijk evenwicht met de kloktijd kan ontstaan. Want het gaat niet zozeer om een keuze voor de ene of de andere tijd. Het gaat er om het precaire evenwicht tussen beide te herstellen, zodat de mens bij tijd en wijle kan uitrusten bij zichzelf en zich niet langer als een blinde blijft overgeven aan de eisen die de economische tijd aan hem stelt. De klok en het hele radarwerk van kapitalisme en economie, zoals in 1936 door Chaplin al haarscherp werd geanalyseerd, is een realiteit die niemand kan ontkennen of afschaffen. Maar op het moment dat deze tijdservaring de boventoon gaat voeren en de innerlijke tijd van reflectie, creativiteit en menselijkheid binnendringt en als het ware van binnenuit opblaast, wordt het link. Enerzijds dringt de tijd dus, omdat de kloktijd ons steeds meer klem zet en in de tang heeft. Anderzijds omdat die andere tijd zélf ons met zachte hand in de rug duwt en aanspoort om nieuwe wegen in te slaan.

Joke J. Hermsen