Recensie
van Veronique Olmi, De regen verandert niets aan de begeerte.
Bezige Bij 2006
Vertaald door Truus Boot
Door Joke J. Hermsen
Of ze geen momenten van schaamte heeft gekend bij het schrijven van
de vele uitvoerige en opmerkelijk openhartige erotische passages in
haar nieuwe roman?
Mais non! De Franse toneel- en romanschrijfster Veronique Olmi, even
in Nederland ter promotie van de vertaling van `De regen verandert niets
aan de begeerte’, kijkt verbaasd op. `Het schrijven kent geen
schaamte. Dat is juist het bijzondere eraan. In het schrijven word je
verlost van elke schaamte.’ Later wel, geeft ze toe, als ze in
boekhandels en theaters ten overstaan van de gretige ogen van het publiek
fragmenten eruit moest voorlezen. Dan kon ze bijna niet geloven dat
zij dat allemaal had opgeschreven. En zo ook deze avond, in het Maison
Descartes, waar Olmi de week van het Franse boek met een interview afsloot
en vervolgens weigerde een door mij gekozen passage voor te lezen. Goed,
de scene van de eerste kus kon er nog net mee door, maar daarna: Non,
je ne peux pas! Waarna enige verwarring, zowel bij mij, als in de zaal,
want wij verkeerden allen in de veronderstelling met een van de nieuwe
Franse schrijfsters te maken te hebben, die net als Virginie Despentes
en Catherine Millet geen doekjes meer om haar vrouwelijke seksualiteit
wenst te winden, maar ze er in tegendeel een voor een vanaf wil trekken.
Op papier dus wel, maar voor een publiek komt de Franse pudeur weer
even om de hoek kijken.
`De regen verandert niets aan de begeerte’ is het door Truus Boot
prachtig vertaalde verhaal van een ontmoeting tussen twee mensen, die
elkaar vagelijk uit de gezamenlijke kennissenkring kennen, maar die
deze bewuste augustusmiddag ertoe besluiten het dit keer niet bij een
sociaal verantwoorde lunch te laten, maar er een erotische ontmoeting
van te maken. We komen niet veel van deze man en vrouw te weten, behalve
dan dat zij net een pijnlijke scheiding achter de rug heeft en dat hij
zijn portie desillusies in de liefde ook wel binnen heeft. Het zijn
veertigers, getekend door de vele schipbreuken die vorige verhoudingen
geleden hebben, en die nu, voor één middag, al die ellende
en verdriet willen vergeten en aan hun grote, bijna wanhopige verlangen
naar intimiteit, naar tederheid en naar seks willen toegeven. En dat
gebeurt dan ook. In een minimalistische stijl van korte zinnen en sobere
woordkeuze beschrijft Olmi zo behoedzaam en zorgvuldig mogelijk wat
er vanaf de eerste kus tot aan het laatste standje door de man en de
vrouw ervaren wordt, wat het verlangen, de geilheid, de lust tot onderwerping,
de wil tot overgave met hen doet. Dat hij door haar te neuken `ineens
dicht bij haar waarheid komt’ en haar `weer bij elkaar raapt en
één en verenigd en heel maakt’ en haar zo `haar
waardigheid’ teruggeeft en dat zij ineens weet dat er `toch nog
genoeg leven in haar zit om de moedeloosheid van een man in haar handen
te dragen.’
De stijl is ingehouden, zeker, maar mist zijn doel niet. Althans niet
bij mij. Olmi kruipt als het ware zo dicht mogelijk op de lichamen,
ze is de derde die meekijkt, die meegeniet, en die probeert te doorgronden
wat er precies in de man en vrouw omgaat. Af en toe laat ze zich gaan
en dat zijn de meest poetische passages in de roman. Niet door het gebruik
van lyriek, maar door het ritme van de zinnen te veranderen, door geen
punten en nauwelijks komma’s meer te gebruiken, zodat de zinnen
aan zichzelf te buiten lijken te gaan en één lange, diepe
ademzucht worden. Dan is het net alsof de tijd even stil staat, of liever,
alsof de tijd wordt uitgerekt, zich uitspant en ontspant, net zoals
de lichamen van de man en vrouw, waardoor de tekst en de vrijende lichamen
in elkaar overlopen en één worden.
Het is, al met al, een bijzondere novelle, van een schrijfster die haar
sporen in het theater reeds lang verdiend heeft en die zich sinds een
aantal jaren al niet minder bekwaam op het schrijven van proza heeft
toegelegd. In tegenstelling tot Virginie Despentes of Catherine Millet
weet zij de bij vlagen rauwe en niet van wreedheid gespeende seks te
verbinden met de tederheid en de intimiteit van twee elkaar vreemde,
beminnende lichamen. Dat het geen simpele pornografie is, komt omdat
ze niet nalaat juist die vreemdheid van het andere lichaam te benadrukken,
die veroveringstocht door het onbekende die nu eenmaal gemaakt moet
worden om het verlangen vrij spel te kunnen geven, met alle obstakels
van schaamte, angst en twijfel, maar ook met alle verwondering en verrukking
van dien.
Op mijn vraag of de toch ronduit `geweldige seks’ van deze man
en vrouw, die niet alleen in een klinkend aantal orgasmes resulteert,
maar hen ook heelt en moed geeft om weer verder te leven, niet eerder
voorbehouden is aan geliefden, antwoordde de schrijfster droogjes: `Pour
l’amour, il faut un peu plus.’ Voor goede seks ook, dacht
ik toen, maar ik deed er maar het zwijgen toe. Want feitelijk comprimeert
de novelle van Olmi in nog geen 127 bladzijden wat er zich op erotisch
gebied tussen geliefden kan voordoen. Dat is niet alleen een prestatie
van formaat, maar ook een eerbetoon aan de seksualiteit die, zeker ook
in het werk van Nederlandse schrijfsters, om nog nader te onderzoeken
redenen, te lang een terra incognita is gebleven.