|
Kunnen computers denken?
Door
Joke J. Hermsen
|
Kan
een computer het menselijke denkvermogen vervangen? In een tijd
waarin aan alle filosofie-, neurologie en psychologiefaculteiten
veel geld en tijd besteed wordt aan de werking van ons brein en
aan kunstmatige intelligentie en zelfs wetenschappers als Robbert
Dijkgraaf in de NRC staan te juichen bij de nieuwste ontwikkelingen
die het menselijke brein met een computer trachten te imiteren,
is het zinvol om de vraag ‘zullen computers ooit echt kunnen
denken?’ toch nog maar eens te stellen. In die vraag komen
vele anderen samen. Allereerst de vraag: wat is denken? En in het
verlengde daarvan: is denken een puur rationele aangelegenheid of
doen emoties, zintuiglijke waarnemingen, intuities, driften en toevalligheden
er ook toe? Zouden we kortom zonder een voelend, ervarend en verlangend
lichaam kunnen denken? |
|
| |
|
Dat computers heel goed kunnen schaken, vliegtuigen kunnen doen landen
en ingewikkelde spelletjes kunnen spelen, mag als bekend worden verondersteld.
Binnen de afgebakende context van een schaakbord, kunnen ze heel goed
uit de voeten. Veel lastiger wordt het als deze context verbreed wordt
naar zoiets uitermate complex als de taal of de werkelijkheid. Volgens
de wiskundige Sharp, die begin jaren tachtig een van de pioniers op het
gebied van de kunstmatige intelligentie was, is dit deels te wijten aan
het feit dat denken en spreken niet in algoritmische wetten alleen is
uit te drukken. Sharp en met hem andere cognitieve wetenschappers beklagen
zich er tegenwoordig over dat met name de filosofen zich te veel afzijdig
houden in deze discussie en dat zij hen te weinig opheldering verschaffen
over het functioneren van zowel ons taal als ons denkvermogen. Laat ik
hen daarom eens behulpzaam zijn door te wijzen op onder meer het werk
van de Franse filosoof J.F. Lyotard, die hier al ruim twintig jaar geleden
veel aandacht aan heeft besteed. Lyotard begint zijn tekst `Of we zonder
lichaam kunnen denken?’ met een kriteik op de klassieke tegenstelling
tussen ratio en emotie door te stellen dat reflexiviteit altijd begint
met een affectiviteit die oorspronkelijker is dan alle rationele en talige
activiteiten. Er is, met andere woorden, eerst een voelen, en dat voelen,
die affectiviteit, nodigt pas tot een denken uit. Het probleem kortom
voor denkmachines zou dit gebrek aan een oorspronkelijke affectiviteit
kunnen zijn. Laten we deze filosofische aanname nu eens wat nader onder
de loep leggen. In zijn boek Het onmenselijke (1988, Ned. vert. 1992)
geeft Lyotard een omschrijving van het denken als een uitermate complex
gebeuren, waarbij de gevoelens, zintuigen en lichamelijke ervaringen net
zo'n belangrijke rol spelen als de cognitieve vermogens van de mens: ’Het
denken dankt en ontleent zijn horizon, zijn oriëntatie, de onbegrensde
grens en het eind zonder einde dat het veronderstelt, aan de lichamelijke,
zintuigelijke, emotionele en cognitieve ervaring van een bijzonder ontwikkeld
wezen."
Vervolgens bekritiseert hij de tegenwoordig in sommige filosofische en
wetenschappelijk kringen populaire stelling dat het lichaam slechts de
hardware vormt voor de uiterst complexe activiteit die we denken noemen.
Dit is geen houdbare hypothese, zo stelt hij, want het lichaam is niet
slechts het uiterlijke omhulsel van het brein, zoals sommige cognitieve
wetenschappers als Denett menen, maar van wezenlijke invloed op het denkproces.
Hoezo? Denken we dan niet alleen met ons hoofd? Nee, maar daarover later
meer. De teleurstelling over de tot nog toe ontworpen denkcomputers, die
nog altijd uitermate gebrekkig blijken, komt volgens Lyotard onder meer
voort uit het feit ‘dat computers altijd werken volgens een binaire
logika’, terwijl het denken nu juist niet de binaire logika van
informatie-eenheden (de bits) volgt, maar gebaseerd is op tal van
intuïtive, emotionele en hypothetische configuraties. Het menselijke
denken kan i.t.t. de computer vele onduidelijke en meerduidige gegevens
tegelijk registreren, die niet ‘geschift lijken te zijn volgens
een van te voren vastgestelde code of selectiemethode.’ Het verwaarloost
ook niet de bijzaken of de marges van een bepaalde context, omdat het
zich niet op één specifiek punt hoeft te richten. We denken
kortom associatief en rondom het door ons gedachte houden zich ook talloze
andere, bewuste en onbewuste gedachtes op, die tesamen het denkveld uitmaken.
Ons brein tast in het denken kortom een horizon af en legt een zogeheten
orientatie- en verwachtingsveld bloot. ‘En in deze omlijsting,
die eerder de vorm heeft van een schema, is het al kiezende op weg naar
wat het zoekt, dat wil zeggen door de gegevens die het nodig heeft uiteen
te rafelen en te verzamelen, zonder echter te beschikken over vantevoren
opgestelde criteria die al bij voorbaat bepalen wat het beste is om te
kiezen, zoals sommige schaakcomputers werken.’ Het menselijke denken
heeft dan ook veel te danken aan de door de waarneming bemiddelde ervaring
en hierin toont Lyotard zich zowel een volgeling van het empirische verlichtingsdenken
als van de Duitse verlichtingsfilosoof Kant, die het denken beschreef
als een reflexief oordeelsvermogen. Een wijze van denken die niet vooraf
wordt geleid door regels om de gegevens te beoordelen, maar die, als het
nodig is, achteraf in staat is om deze regels af te leiden uit de ‘reflexief’verkregen
resultaten.
Er is met andere woorden een denkveld, zoals er ook een gezichtsveld of
een gehoorveld of een proefveld is; de geest orienteert er zich zoals
het oog, het oor, de tong in de waarneembare wereld. We denken op dezelfde
wijze als we ook onze andere zintuigen gebruiken, niet volgens bepaalde
van te voren opgelegde algemene regels en wetten, maar op een orienterende,
intuitieve, inbeeldende en subjectieve wijze. Stel we zitten op een stralende
paasmorgen in een bootje en varen door de grachten van Amsterdam. Wat
ik dan zie, bijvoorbeeld de fragiele, lichtgroene trosjes van nieuwe bladeren,
die nog opgerold als een baby in hun knop liggen te slapen, roept een
heel andere associatieketen van gedachtes op dan dat van de andere opvarenden.
Die hebben op dat moment misschien wel meer oog voor de vele toeristen
die zich aan de fraaie gevels vergapen of zien een ronkende rondvaartboot
net achter de brug opdoemen die koste wat het kost vermeden moet worden.
Terwijl we naar hetzelfde uitzicht kijken, dezelfde context of werkelijkheid,
brengen we er ieder op verschillende wijze, afhankelijk van onze zintuiglijke
ervaring, onze herinnering, stemming en onze affektiviteit, een andere
ordening erin aan. Zet vijf computers in dat bootje en vraag ze de werkelijkheid
te registreren en ze zouden met een vergelijkbare opsomming van de feiten
komen.
Zo verschillend wij naar een gracht kunnen kijken, zo is het ook met onze
gedachten. Deze zijn niet alleen extrinsiek analoog – in de zin
van overeenkomstig - aan onze zintuigelijke ervaringen, een ieder in het
bootje ervaart en denkt vervolgens de werkelijkheid op verschillende wijze,
omdat het de ervaring is die voorafgaat aan het denken, maar ze zijn ook
intrinsiek analoog. Dat wil zeggen, ons denken volgt net als onze zintuigen
geen vooropgestelde logische, maar een analogische, niet logische weg.
Of in de woorden van Lyotard: ‘Hetgeen het denken en het lichaam
onscheidbaar maakt, is dan ook niet simpelweg het feit dat het lichaam
slechts de onmisbare hardware is van het denken, zijn materiele bestaansvoorwaarde,
- een denkend hoofd heeft nu eenmaal een lichaam nodig - maar dat ze beiden
analoog zijn aan de ander in hun relatie tot hun respectievelijke omgevingen,
zintuiglijk en symbolisch, terwijl deze relatie zelf in beide gevallen
ook analogisch van aard is’. Dit alleen al is volgens Lyotard voldoende
reden om de poging het denkende hoofd van het lichaam te willen scheiden
door het onder te brengen in een door logische wetten bepaalde computer,
als onzinnig te verklaren. Niet vanuit een morele of humanistische poging
de mens uit de handen van de robot te redden, maar omdat het denken volgens
hen onlosmakelijk met het lichaam, met de zintuigen, met het voelen verbonden
is.
Teneinde
de verhouding tussen lichamelijkheid en denken nog meer te verduidelijken,
stelt Lyotard vervolgens de vraag of denken ook pijn kan doen, zoals andere
delen van het lichaam pijn kunnen doen als ze gekwetst worden. Zou er
zoiets als ‘een vervlechting tussen denken en lijden’ kunnen
bestaan? Kan een gedachte pijn doen? Of kan denken door pijn worden veroorzaakt?
Voor Lyotard sprak Nietzsche al herhaaldelijk over het ‘lijden
aan gedachten', en het ziek en gezond worden door denkbeelden. Hij ging
zelfs zo ver dat hij het lijden tot sokkel voor het denken maakte. De
enige manier om werkelijk tot diepe inzichten te komen, schrijft Nietzsche
in Morgenröthe, ligt juist in ‘de hartstocht, de droom en de
waanzin, waarin de mens zijn voorgeschiedenis herontdekt, terwijl
de geciviliseerde toestand het vergeten van deze ervaringen ontwikkelt'.
En alleen vanuit de inspiratie van deze `voorgeschiedenis', vanuit
een opschorting van de rede en een zich onderdompelen in de oergrond van
de hartstochten en de driften, kan de mens volgens hem ‘de hoogste
openbaringen deelachtig worden’.
Zonder pijn, geen nieuwe gedachte. Maar ook: zonder voorgeschiedenis geen
nieuw inzicht. Dit laatste nu is een interessant punt. Welke voorgeschiedenis
zou Nietzsche in gedachten hebben gehad? Zijn het de ervaringen uit onze
vroegste kindertijd, die we ons niet bewust kunnen herinneren, omdat we
toen nog niet over de talige vermogens beschikten deze te benoemen, maar
die niettemin als een donker, onachterhaalbaar verleden ons denken blijven
inspireren? Een verleden van voor elke indeling in collectieve identiteiten
als ras en geslacht, een verleden van voor elke categorisering, elke tegenstelling
en binaire logika, omdat wij ons ik-loos en alles waanden, dat wil zeggen
biseksueel en ongescheiden van de ander en de omringende wereld? Is het
de affektiviteit voor elke talige activiteit waarover Lyotard spreekt.
Of is het, meer Freudiaans gedacht, het geheel aan verdrongen en onbewuste
herinneringen, dat onze manier van handelen, spreken en denken niettemin
blijft beinvloeden? Of is deze voorgeschiedenis datgene waarnaar Sloterdijk
in Sferen op zoek is, en wat hij ‘het meest verscholen, meest verduisterde,
meest teruggetrokken beginpunt van de in ons verzonken binnenwereld’
noemt, en dat ook hij als de bron van het denken en scheppen ziet. Een
zoektocht die we, zoals hij schrijft, ‘per definitie de vorm van
een onmogelijke opgave heeft, die we nog tot een goed einde kunnen brengen,
noch kunnen negeren.’ Het is volgens hem juist dit niet bewust herinnerbare,
deze ‘bruidschat aan herinneringen’waarover we geen enkele
positieve uitspraak kunnen doen, dat ons tot denken aanspoort? Want uiteindelijk
zijn we allen als Percival die bij de heilige graal aankomt en daar de
vraag te horen krijgt, die ons volwassen bestaan typeert: namelijk de
vraag: `wat ontbreekt je?’ Het is dit ontbrekende, waarover later
meer, dat ons tot denken aanzet. Dit nu zou pas een werkelijk probleem
voor de denkmachinesbouwers kunnen zijn. Want hoe kunnen zij ooit een
computer voorzien van een onzegbare, onuitgesproken, onherinnerbare voorgeschiedenis?
Laten we eerst nog eens dat ontbrekende, dat niet/gegevene wat nader proberen
te omcirkelen. Werkelijk creatief denken kan volgens Lyotard alleen gerealiseerd
worden als er eerst een leegte geschapen wordt, die hij ‘een soort
opschorting van de gebruikelijke intenties van de geest’ noemt.
Deze lediging of opschorting is niet alleen tegengesteld aan het uiten
van clichés of vooringenomen meningen, maar ook aan die van de
identificerende praktijk van de kennisverwerving en gaat volgens
Lyotard gepaard met lijden. Het nog niet gedachte, noch niet gegevene,
doet pijn, omdat de comfortabele positie van het reeds gedachte verlaten
moet worden. De pijn van het denken is dus niet een van buiten komend
fenomeen dat zich nestelt in de geest om het denken van zijn ware plaats
te verdrijven. Het lijden is dit denken zelf in de mate ‘waarin
het besluit besluiteloos te zijn, in zoverre het juist niets wil zeggen
op de plaats van dat wat betekend moet worden’. Als de in die zin
nomadische geest in staat is zich van het verworvene te ontdoen en af
te wachten, dan bestaat er volgens Lyotard de mogelijkheid dat er
een ‘open plek wordt vrijgelegd waar de schemering van het
bijna gegevene kan binnenvallen.’
Op deze open plek krijgt ‘de geest geen regels opgelegd, maar wordt
hem slechts geleerd zich open te stellen’. Dit opschortende karakter
van het denken, dat pijn doet, omdat de geest, analoog aan het lichaam,
letterlijk lijdt aan het ontheemd zijn, aan het zich niet kunnen verschuilen
in een reeds verworven zekerheid, vinden we ook terug in het werk van
Derrida, voor wie de onthechtende beweging als ook de besluiteloosheid
de kern van zijn denken vormt, als ook in het werk van Deleuze, die met
behulp van Nietzsche een vorm van nomadendenken bepleitte, waarbij getracht
wordt met iets in contact te komen wat onder de coderingen van de taal
en de wetten van de sociale orde schuilgaat. De belevingstoestanden van
dit onderhuidse verhaal krijgen bij Deleuze nauwelijks rationele of cognitieve
eigenschappen, maar worden `intensiteiten' genoemd.
We
kunnen ons afvragen of het lichamelijke en lijdende denken van Lyotard
en de intensiteiten van Deleuze in feite geen variaties zijn op de uitspraak
van Diderot en Nietzsche dat alleen ‘hartstochten de geest tot ware
hoogte kunnen verheffen’ Immers, de nadruk wordt door zowel de eersten
als de laatsten juist gelegd op dat wat de rationele vermogens ontstijgt,
op dat wat daaraan ontbreekt. En het is juist dit ontbrekende wat pijn
doet aan het denken. De pijn van het denken is het denken zelf in de mate
waarin het beslist geduldig te zijn, willoos te zijn, ontvankelijk voor
de ander en afwachtend te zijn. Welnu, afgezien van het feit dat computers
de complexiteit van de taal en de werkelijkheid niet aankunnen, geen zintuiglijke
ervaringen hebben die tot denken en selecteren aansporen, geen voorgeschiedenis
hebben die hen tot nieuwe gedachten inspireert, kunnen ze ook geen pijn
hebben, dat wil zeggen niet lijden aan de wanhoop van de opschorting van
betekenis, van het nog niet gedachte, het nog niet ingeschrevene.
Maar,
en dan wordt het naar mijn idee pas echt spannend, hoe hangt die pijn
van de opschorting, van het nog niet gegevene nu samen met het niet herinnerbare,
het in het bewustzijn ontbrekende van de in ons innerlijk verzonken voorgeschiedenis?
Lyotard komt tot de opmerkelijke gedachte dat het verbindingsstreepje
tussen die twee het sekseverschil zou zijn. Want ‘het sekseverschil
laat eindeloos denken, terwijl het zichzelf niet denken laat’. Dat
komt doordat het sekseverschil in feite het ultieme paradigma van de onvolledigheid
is; wij hebben wel weet van het andere geslacht, maar tegelijkertijd ontbreekt
het ons altijd. Het andere geslacht is zo het ons altijd ontbrokene, het
door ons niet gedachte noch herinnerbare, ‘omdat het wel in onze
lichamelijke en mentale intimiteit aanwezig is, maar dan als "een
wachter, terzijde, in de kromming van het gezichtsveld.’
Nog een probleem voor de bouwers van de denkmachines! Je zou bijna medelijden
met ze krijgen. Want niet alleen moeten ze hen leren denken volgens de
in algoritmes onnavolgbare logica van de taal, ze moeten hen ook een onachterhaalbaar
verleden meegeven, van een empirisch lichaam voorzien, en last but not
least, ook nog eens met een sekse aankleden. En dat laatste dan, opmerkelijk
genoeg, niet zozeer om zich bewust te zijn van de eigen sekse, maar vooral
om zich niet bewust te kunnen zijn van de andere sekse. Want, zo schrijft
Lyotard, ‘aangezien het andere geslacht wel op ons onbewuste ingeschreven
staat zonder dat wij het ons bewust in herinnering kunnen brengen of tot
voorstelling kunnen maken, zal het altijd het bijna gegevene blijven en
vormt het daarmee de motor achter het denken.’
Maar hoe kan het dan dat de andere sekse wel op ons onbewuste ingeschreven
staan? Daarvoor biedt bij mijn weten alleen Freud een mogelijk antwoord,
omdat wij ons, ten tijde van onze pre-talige voorgeschiedenis, als heel
jonge kinderen ‘alles’ en dus ook biseksueel waanden. Op dit
punt aanbeland, waar het filosofisch geproken steeds duisterder om ons
heen wordt, is het goed voor een kort moment de dichters te hulp te roepen,
zoals Rilke bijvoorbeeld, in zijn 8e eligie. ‘Want ook hem houdt
aldoor bevangen wat / ons overweldigt. De herinnering, als was dat waar
wij drang naar voelen ooit nabijer, trouwer, binnen oneindig teder bereik.
Hier is alles afstand, daar was het adem. Na zijn eerste huis, komt hem
het tweede tochtig en tweeslachtig voor.’ Met de vorming van een
geslachtelijke identiteit verdwijnt de andere sekse uit ons bewustzijn,
en wordt daarmee het prototype of het voorbeeld bij uitstek van al datgene
wat ons volwassen leven ontbreekt en dus de kern van ons verlangen en
de ultieme drijfveer van het denken. Bij sommige filosofen zal dit wellicht
de haren te bergen doen rijzen, om over de denkmachinesbouwers nog maar
te zwijgen. Want ga er maar eens aan staan! Probeer maar eens zo’n
motor te ontwikkelen, die aangedreven wordt door het onkenbare, het ongrijpbare
en het onzegbare van de ander. Een motor die je trouwens ook verlangen
zou kunnen noemen.
Denken
is dus niet te scheiden van het fenomenologische, geseksueerde lichaam,
aldus Lyotard, en daarom zullen machines nooit creatief kunnen denken,
omdat vrouwelijk en mannelijk voor hen voorlopig onbereikbare idealen
zijn. Denken is dan ook niet te scheiden van al die fenomenen die met
lichamelijkheid van doen hebben, zoals hartstocht, erotiek, verlangen,
emoties en zintuigelijke ervaringen. Dit is geen postmoderne waarheid
van een eenzame Franse denker, die zich verzet tegen de rationele autonomie
van het cartesiaanse subject, maar een inzicht dat reeds ten tijde van
Plato werd verkondigd, zoals Derrida in zijn boek Politiques de l'amitié
(1994) laat zien.
Denken en Eros zijn reeds bij Plato onlosmakelijk met elkaar verbonden,
omdat denken een orexis, een zoeken, een streven, een honger en verlangen
hebben naar is. Deze honger die de filosoof eigen is, wordt gevoed door
Eros, omdat die ons bij uitstek doet verlangen naar datgene wat ons ontbreekt.
Het object van het erotische en het filosofische verlangen is, zoals Socrates
in het Symposium zegt, ‘iets wat buiten ons bereik ligt en niet
in ons bezit is’. Denken richt zich dus op het niet-gegevene, het
afwezige, het ontbrekende, en valt niet los te maken van het geseksueerde
lichaam, van de hartstocht, van Eros, van het lijden, alle onderzoeken
naar kunstmatige intelligentie ten spijt. In de mate waarin het denken
uitstaat naar het niet gegevene, naar het afwezige, zoals ook Hannah Arendt
in The Life of the Mind stelt, is het denken welliswaar belichaamd, maar
ook ‘altijd zonder een thuis, omdat het zich op de afwezigheid betrekt.'
Hoe moet een computer zich kortom ooit voor het niet gegevene openstellen
als hij geen lichaam, geen voorgeschiedenis, geen erotisch verlangen en
geen onbewuste herinnering aan het hem ontbrekende heeft? Dit verlangen
naar het ontbrekende is wat ons mens-zijn uitmaakt, wat ons doet verschillen
van machines en dingen, wat onze creativiteit bepaalt en waarin dan ook
de hoop op een menselijk bestaan moet schuilen. Denken, zo zouden we de
filosofie van Arendt kort kunnen samenvatten, kan bovendien en ten slotte
alleen op grond van verschil. Niet alleen het verschil tussen wat is en
wat niet is, of het verschil tussen het ene en het andere lichaam, maar
ook en vooral het verschil tussen de ene en de andere mens. Het denkproces
komt volgens haar pas goed op gang als het eigen standpunt, gevormd in
de eenzaamheid van het opgeschorte denken, vervolgens door een ander standpunt
wordt uitgedaagd of in twijfel getrokken. Zou de ene computer zich ooit
bewust kunnen zijn van de computer op de tafel naast hem? Ik vermoed eerlijk
gezegd van niet. Ik weet niet of mijnheer Sharp inmiddels tevreden zou
zijn met al deze verschillende filosofische duidingen van het denken,
maar erg bemoedigend voor zijn onderzoek lijken ze me vooralsnog niet.
We zouden ons dan ook af moeten vragen of het wel zin heeft zoveel tijd
en geld te steken in de ontwikkeling van denkmachines, terwijl deze tijd,
denk ik, toch belangrijker kwesties te denken geeft.
|