| Bezield Openingslezing van de tentoonstelling ‘Getekende Gezichten’ van Henk Chabot. Henk Chabot museum, Rotterdam, 18 mei t/m 12 september 2010 Door Joke J. Hermsen Toen de conservator van het Chabotmuseum in Rotterdam, Jisca Bijlsma, mij enkele maanden geleden uitnodigde om de openingslezing van de tentoonstelling Getekende Gezichten (16 mei/12 september 2010) van Henk Chabot te verzorgen, deed ze dat op grond van een vermoeden. Haar vermoeden was wellicht aangewakkerd door lezing van mijn boek Stil de tijd, waarin ik onder meer een essay over het begrip tijdloos in het werk van Mark Rothko opnam en dat verder een tijddimensie onderzoekt die van een geheel andere orde is dan de kloktijd waarmee wij dagelijks omringd worden. Zij vermoedde waarschijnlijk dat zowel dit tijdloze als die andere, verstilde tijd, ook een rol heeft gespeeld in het werk van Henk Chabot (1894-1949), en nodigde mij daarom uit deze lezing te komen geven. Hoewel ik wist dat deze Rotterdamse schilder een goede vriend was van Charley Toorop, was ik nog weinig vertrouwd met het werk van de kunstenaar, die vanaf de jaren twintig aansluiting zocht én vond bij het expressionisme. Thans wordt Chabot als één van de belangrijkste expressionistische schilders van Nederland gezien. Zijn werk vertoont zowel verwantschap met dat van Charley Toorop, maar bijvoorbeeld ook met dat van de Vlaamse ‘boerenschilder’ Constant Permeke als met de Duitse expressionist Kirchner. Ik kreeg van Jisca Bijlsma een aantal boeken over Chabot opgestuurd, verrichtte zelf wat onderzoek en raakte gaandeweg steeds enthousiaster over en vooral ook nieuwsgieriger naar zijn schilderijen. Toen ik Chabots werk vorige week eindelijk in het echt aanschouwde, werd zowel Bijlsma’s vermoeden als mijn enthousiasme bevestigd. Ik was niet alleen onder de indruk van het schildermatige, en dan vooral het indringende kleur- en verfgebruik, maar was vooral ook geraakt door de intensiteit van Chabots schilderijen, en ontroerd door de poging het tragische lot waaraan zovelen tijdens de oorlog niet konden ontkomen, te tonen. In het kader van het 65e herdenkingsjaar, laat het museum met name Chabots werken uit de oorlog zien, waarbij thema’s als vlucht, vrijheid en vrede een belangrijke rol spelen. Bovenal was ik echter gefascineerd door zijn poging iets van het innerlijke gemoed van zijn figuren op de doeken te evoceren. Ik zeg bewust evoceren, en niet vastleggen, omdat hetgeen de getekende gezichten, en dan vooral de blikken in de ogen uitdrukken, nog niet zo gemakkelijk te verwoorden valt of in een categorie of definitie vast te leggen is. Hoewel de doeken ons raken, kunnen wij niet precies verwoorden waarom. Hetgeen Chabot wilde uitdrukken, onttrekt zich of trekt zich letterlijk terug, zodra wij er woorden voor proberen te zoeken. Wat houdt zich eigenlijk zo woordloos schuil achter de getekende gezichten van Chabot? Waarom hapert onze interpretatie? Wat is het op deze doeken dat als het ware zand strooit in de decoderingsmachine die wij doorgaans zo eenvoudig bedienen? Misschien dat een citaat van de met Henk Chabot bevriende schilderes Charley Toorop al vast enig licht op de kwestie kan werpen. "Is de natuurlijke verschijning de werkelijkheid," vroeg ze zich in 1917 af, "of is aan haar vorm alleen te betasten het meest onwerkelijke dat voor ons verschijnt? Dit onwerkelijke, wat het meest werkelijke is." Wat zou dat onwerkelijke kunnen zijn, dat niettemin het meest werkelijk is? Verstilde
of innerlijke tijd Bergson hernam hiermee een gedachte van de oude Grieken, die ervan uitgingen dat de tijd twee gezichten heeft. Aan de ene kant is er de Kronos, waarvan ons woord chronologie is afgeleid, de meetbare of kwantificeerbare tijd waarmee wij de wereld inrichten, afspraken maken, onze agenda’s vullen, kortom een sociale tijd, waarmee ook het verloop van tijd, het later of ouder worden, gemeten kan worden. Maar de tijd heeft ook nog een ander gezicht, die de Grieken Kairos noemden. Dit is geen kwantificeerbare, maar een kwalitatieve tijd, die geen universele afspraken noch een lineaire struktuur kent, niet van buitenaf wordt opgelegd, maar vanuit het innerlijk wordt ervaren. Soms wordt de Kairos als een transgressie, een overschrijding van de Kronos geinterpreteerd, soms ook als een intermezzo op de Kronos, en soms als een tijdloze, eeuwige en onvergankelijke tijd. Deze innerlijk ervaren tijd is moeilijk beschrijfbaar, omdat hij zich aan het meten in vastgestelde eenheden onttrekt. Waar het de Grieken, en later ook Bergson om ging, was dat er een zeker evenwicht tussen beide tijden moest bestaan, een evenwicht dus tussen de kloktijd die de wereld regeert en die andere tijd, die voor de Grieken zelfs een voorwaarde voor het denken was. Plato schreef dat rust en nietsdoen de voorwaarden voor het denken waren, omdat we alleen dan die andere tijd kunnen ervaren, waarin de bron van onze creativiteit schuilt, zoals we later nog zullen zien. Bergson voegde daar nog aan toe dat de innerlijke ‘tijd als duur’ tevens onze vrijheid bepaalt, omdat we dan voor even niet uitgeleverd worden aan de sociale, politieke en natuurwetten die binnen de wereld heersen. Ervaren wordt die innerlijke tijd echter alleen als we ons leven ‘af en toe op zijn beloop laten’, zoals hij schreef, als we dus niet op handelen, op actie of doelmatigheid zijn gericht, maar ons overgeven aan ontspannende of rustgevende ervaringen als mijmeren, luieren, kuieren, mediteren, wandelen, naar muziek luisteren, een boek lezen of op een volstrekt belangeloze wijze naar kunst kijken. Die andere tijd is geen tijd die ons van buitenaf wordt opgelegd, maar in tegendeel een tijd die van binnenuit opwelt en verbonden is aan een ander aspect van onze individualiteit, waaraan hij de naam ‘moi profond’ gaf. Dit diepere zelf is niet kenbaar of meetbaar, en in die zin ‘onwerkelijk’, omdat het zich onttrekt aan ons talige en rationele bewustzijn. Omdat ik vermoed dat wij bij het aanschouwen van bepaalde kunst zoals de werken van Henk Chabot, een glimp opvangen van dat ‘onwerkelijke wat juist heel werkelijk is’, om Toorop nog maar eens te citeren, wil ik daar nog graag iets meer over zeggen. Tweestemmige
mens Niet alleen als we kunst zien, horen of lezen raken we op dat ‘diepere zelf’ betrokken, ook als wij ons in ontspannen toestand bevinden, als we ons druk handelende ik even laten voor wat het is, en rust nemen, een pas op de plaats maken, niets doen en afwachten, kunnen wij die verhouding tot ons zelf én de innerlijk ervaren tijd herstellen, waar we doorgaans zo vervreemd van zijn geraakt. Deze kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een ‘mémoire involontaire’, een niet bewust opgeroepen maar ons spontaan invallende herinnering, die plotseling uit die bron van het zelf losschiet. U weet wel de herinnering die Proust in zijn epos Op zoek naar de verloren tijd probeerde te verklaren. De herinnering die dankzij het dopen van een madeleine in de lindebloesemthee wordt losgeweekt, en waarvan hij in de laatste delen van zijn roman niet alleen de genotsvolle en soms ook angstwekkende, maar vooral ook de inspirerende, want geest en zielsverruimende ervaring beschrijft. Proust was de zwager van Bergson, en zijn romancyclus zou je wel als een literaire verwerking van het gedachtengoed van Bergson kunnen lezen.
Het beeld wat uit beider werk ontstaat heeft wel iets weg van een tweestemmige
mens. Aan de ene kant is de mens een individueel, rationeel, bewust en
talig wezen, dat binnen het regime van de kloktijd opereert, doelen nastreeft,
status verwerft en ambities najaagt, en aan de andere kant is de mens
een dieper gelegen ‘zelf’, dat enerzijds gevormd wordt door
het heel specifieke van zijn ‘vergeten’ herinneringen, maar
anderzijds juist vanwege het woordloze, het nog niet verwoordde van deze
geschiedenis verbonden is met alle anderen. Ook zijn deze twee stemmen,
als het goed, is, voortdurend op elkaar betrokken. De een vormt als het
ware de inspiratiebron voor de ander. Het handelende ik komt met andere
woorden alleen vooruit, als het zich vanuit het zelf weet te vernieuwen.
Het is dankzij de inspiratie van dit zelf dat wij kunnen veranderen, iets
nieuws kunnen verzinnen en dus wezens in wording blijven. Waar de taal,
de ratio, de representatie en de kloktijd vanwege hun noodzakelijk abstracte
en algemene karakter ons wegvoeren van de ervaring van dit zelf en ons
daarom in zekere zin doen verstarren, kan de intuïtie voor de innerlijke
tijd ons juist weer daarnaar terugvoeren. Dat het echter niet meevalt
onze intuïtie daarvoor te ontwikkelen, komt omdat we ons steeds meer
door onze rationele en abstraherende vermogens enerzijds en anderzijds
door de kloktijd hebben laten leiden. We leven volgens Bergson kortom
steeds meer buiten dan in onszelf: Geen
tijd hebben Behalve meer rust nemen, en bij tijd en wijle uit de ratrace van de economische tijd durven stappen, zijn juist de kunst, de muziek en de literatuur in staat ons ontvankelijk te maken, dat wil zeggen onze intuitie aan te wakkeren voor die andere tijd. Volgens Proust zij deze zelfs bij uitstek in staat de ervaring van de tijd als duur te verbeelden, omdat ze ‘het werk dat door ons abstract denkende brein is verricht’ af breken en ‘een gang in tegenovergestelde richting’ volgen, die ‘de terugweg naar de diepte is waar ongekend ligt wat werkelijk heeft bestaan’ (idem, p. 40). We herinneren ons de woorden van Charley Toorop, ‘het onwerkelijke’, want ongekende, ‘dat juist het werkelijke zou zijn’. Het zijn volgens Proust letterlijk momenten van vrijheid, van waaruit we tot een ‘verruiming’ van onze geest kunnen komen. Bergson zou zeggen dat op deze momenten de tijd als duur door de ‘korst van mechanische handelingen’ heen is gebroken, en ons de vrijheid biedt de werkelijkheid en onszelf met nieuwe ogen te zien. Want geen ogenblik is hetzelfde, omdat de tijd als duur onophoudelijk aangroeit en verandert. Door dit voortdurend aanzwellende verleden kan de mens op geen enkel moment voorgoed bepaald of vastgelegd worden, en ook dat maakt zijn ‘mens-zijn’ uit, doet hem met andere woorden van het ding verschillen, dat altijd hetzelfde ding blijft: ‘a rose is rose is a rose’, hetgeen nu juist niet van de mens gezegd kan worden. Persona
Aangezien de ziel zich onttrekt aan logische bepalingen, valt het nog niet mee te omschrijven wat er dan precies in de ziel zou ‘resoneren’. Dat uit te zoeken is bovendien een riskante onderneming, want de ziel is volgens Visser juist ‘aan de pogingen om haar te kennen gestorven’. Dit betekent echter niet dat zij er niet zou zijn noch dat zij er niet toe zou doen. Voor de oude Grieken was het zorg dragen voor de ziel het belangrijkste wat wij voor ons geestelijk welzijn konden doen, maar ook voor twintigste-eeuwse denkers als Dilthey en Bergson is het onderhouden van een betrekking tot het zelf dé voorwaarde voor onze menselijkheid. Hoewel het uiteraard nog maar de vraag is in hoeverre het zelf en de ziel naar dezelfde, onverwoordbare dimensie van onze individualiteit verwijzen, zijn er opvallend veel overeenkomsten. Visser zelf gaat, teneinde toch enig vat te krijgen op de ziel, onder meer te rade bij de filosoof Friedrich Nietzsche, die meende dat de ziel ‘een ragfijn weefsel van driften en affecten is dat zich in de loop van een leven onderhuids vormt’ en tevens het ‘absoluut persoonlijke’ van de mens in zich opneemt. Deze beschrijving vertoont opvallend veel raakvlakken met wat ik hier voorheen als het moi profond omschreef. Wat opvalt aan de expositie Getekende Gezichten van Henk Chabot, is dat de mens hier inderdaad verschijnt als een getekende, want enerzijds getekend door de tragiek van de oorlog, en anderzijds ook getekend, niet alleen omdat ze ook letterlijk getekend of geschilderd zijn, maar omdat ze allen onder een zelfde teken, een zelfde totem, een zelfde soort lijken te vallen. Ze lijken soms wel leden van een grote familie, die menselijke figuren van Chabot, en op deze tentoonstelling lijken ze dat des te meer. Behalve dat ze in die driedubbele betekenis ‘getekend’ zijn, zijn de gezichten van de mensen ook bezield. Misschien zijn zelfs juist alleen die gezichten zo bezield, terwijl ze hun lichamen eigenlijk ‘niet nodig lijken te hebben’, voor de uitdrukking van hun gemoed. Het is net alsof Chabot de lichamelijke verschijningsvormen van zijn figuren wilde maskeren, opdat deze de aandacht niet teveel zouden wegtrekken van waar het hem, em Charley Toorop, om te doen was: het onwerkelijke, in de zin van het onbepaalbare, het onzegbare, het ongekende, toch als zijnde het meest werkelijke te tonen. Dat wil zeggen het innerlijk, of zo u wilt, de ziel of het moi profond, zo op te roepen, dat deze niet onmiddellijk door ons verstand geannexeerd kan worden en in woorden, definities of categorieen gevangen kan worden, waarmee die ziel zich juist weer aan ons zou onttrekken. Dat geeft hen enerzijds dat maskerachtige voorkomen, maar betovert ons anderzijds, zoals Vollemans schreef, omdat het bezielde als het ware daarom intact kan blijven: ‘De maskers van Chabot maken de emotie afneembaar en mobiel, los van het substantiele gezicht dat op een onmiddellijke manier zijn gemoedsaandoeningen verraadt, en daarmee herstelt het gemaskeerde gemoed de grondregel van het oude masker: dat het ons betovert en meduseert, maar ergens vanachter zijn ongeneerde bevangenheid ook stilletjes bespiedt en bespot. Ons en onze onuitroeibare drang tot interpreteren en decoderen.’ Waarom hapert ons interpretatievermogen als wij de doeken van Chabot bekijken? Omdat het gemoed, de ziel, die het wil uitdrukken noodzakelijkerwijze gemaskerd is en zich onntrekt aan al te snelle, al te eenduidige bepalingen, of zoals Vollemans schrijft: ‘Het inwendige leven van een aangezicht werd door hem niet in het maskeroppervlak tot uitdrukking gebracht maar letterlijk bedekt en verhuld. Het zwijgen achter het masker was een schuwe presentie, die alleen in stand blijft als zij behoed wordt door het maskerende gebaar.’ Deze ‘schuwe presentie’ kan met andere woorden alleen in stand blijven en dus opgeroepen worden als zij zich laat verhullen door het maskerachtige gebaar. Hierdoor herstelt het gemaskeerde gemoed de grondregel van het oude masker volgens Vollemans, dat wij er zowel door worden aangetrokken als in verwarring worden gebracht, dat het ons betovert en meduseert. De ziel laat zich met andere woorden niet op de staart trappen, kan niet gekend worden, zoals Visser schreef, maar men kan er alleen en als het ware door het masker heen af en toe een glimp van opvangen. ‘Ze houden iets achter’, schrijft Vollemans in zijn essay De maan en het Oog en ‘ze verschuilen zich ergens achter’, ze zijn verstild, maar zetten ons gemoed als het ware in beweging, omdat we erdoor geraakt worden, omdat we onbewust de uitdrukking van de ziel erin herkennen en daarom de gezichten ‘bezield’ noemen. De ogen worden wel eens de vensters van de ziel genoemd. Zo ook bij Chabot. Juist omdat zij omringd worden door het gemaskerde van hun verschijning, spreken zij des te meer. Staat u mij nog een laatste vergelijking met het oude Griekenland toe, het land waarop heel onze cultuur gebaseerd is en thans failliet is verklaard, hetgeen ons echter nog niet van de verplichting ontslaat de bronnen van ons denken te blijven raadplegen. In dat oude Griekenland werden de beroemde tragedies, die 25 eeuwen doorstaan hebben en nog altijd opgevoerd worden, gespeeld door gemaskerde acteurs. Het masker dat zij droegen heette een persona. In de interpretatie van de Joodse filosofe Hannah Arendt was dit masker bedoeld om de uiterlijke verschijningsvormen van de acteurs te verhullen, zodat de toeschouwers hen niet meteen konden identificeren en dus in hokjes konden wegzetten. We duiden namelijk onmiddellijk het zichtbare, hetgeen de ervaring van het onzichtbare behoorlijk in de weg kan zitten. Het persona, het masker was bedoeld om het ‘wie’ (qui) van het personage tot uitdrukking te kunnen brengen, schrijft Arendt, in tegenstelling tot het ‘wat’ (quod), hetgeen de optelsom van al onze uiterlijke feitelijkheden is. Ook hier zien wij die tweestemmige mens weer in een andere gedaante terugkeren. Deze letterlijk dubbelzinnige mens wordt enerzijds bepaald door de benoembare ‘watheid’ of facticiteit van zijn identiteit, maar wordt anderzijds juist gevormd en geinspireerd door zijn onzegbare ‘wieheid’. Dit ‘wie’ werd door de Grieken wel getypeerd als datgene wat ons als ‘zelf’ bijeenhoudt, onze ziel kortom, en valt ook in die zin te vergelijken met het moi profond van Bergson. Dit wie geeft antwoord op de moeilijkste vraag die een mens zich maar kan stellen, namelijk de vraag: ‘wie ben ik?’ Dit in tegenstelling tot de vraag wat je bent, die veel makkelijker te beantwoorden is, namelijk de optelsom van feitelijkheden, zoals ras, geslacht, beroep, leeftijd enzovoort. Het Griekse masker bood de spelers kortom de mogelijkheid te laten zien wie zij waren, omdat hun ‘watheid’ met een masker afgedekt was. Alweer een omweg, dames en heren, vergeeft u mij de vele omwegen, maar waar we hier vanmiddag over willen spreken, kan alleen via die omwegen opgeroepen worden. Wat ik hierboven over de Griekse tragedies vertelde, de reeden waarom de acteurs een persona, een masker moesten dragen, is naar mijn idee ook op de doeken van Henk Chabot van toepassing. Ook hij maskerde het wat, teneinde het wie te laten spreken. Hoe moeilijk het ook is dit wie, deze ziel, deze schuwe presentie of dieper zelf in woorden te duiden, de ervaring is er wel degelijk, vandaar dat wij heel goed weten wanneer iets bezield is of wanneer wij op onze ziel getrapt worden, en wanneer niet. Een bezielde ervaring valt ons echter alleen ten deel, als wij ons ervoor openstellen, en niet alleen een gehaaste blik op het doek werpen, of het schilderij meteen willen duiden of categoriseren. Hierin schuilt naar mijn idee tevens de heilzame werking van kunst. Deze bezielde ervaring is namelijk precies het inspirerende aan het schouwen van kunst, die de louter esthetische ervaring verreweg overstijgt. Want via de omweg van de kunstenaar die zijn ‘zelf’ heeft geexploreerd teneinde tot zijn eigen signatuur te kunnen komen, krijgen ook wij de mogelijkheid in die andere tijd te verzeilen, en de diepte van ons innerlijk af te tasten, waarin zich de kern van onze menselijkheid schuilhoudt. Het biedt ons tevens de kans onze eigen ‘watheid’ te overstijgen, zodat we niet verdingelijken, of automatons te worden, zoals Bergson schreef, die alleen nog op mechanistische en egoistische wijze handelen, maar vanuit de ervaring van dit wie ons zelf én de wereld steeds opnieuw blijven herinterpreteren, waardoor we wezens in wording blijven. Dat is het moment waarop het onwerkelijke, in de zin van het ongekende, het onmeetbare, dat niettemin juist het werkelijke is, ervaren kan worden. We worden voor even uit onze handelende, doelgerichte ‘wat identiteit’ getild en de daarbij behorende kloktijd, en ervaren wat onze begrippelijke vermogens overstijgt: onze ziel, ons zelf, of welke naam u er ook aan wilt geven, die een volstrekt andere tijd kent dan de klok. Hoe we dit onkenbare surplus aan menselijkheid ook noemen, dat we het als ervaring herkennen en ons ervoor openstellen, is wat kunst, sublieme kunst, teweeg kan brengen. Zielsverbondenheid
‘Het belangrijkste gereedschap dat de kunstenaar kan gebruiken is zijn geloof in eigen kunnen om wonderen tot stand te brengen op het moment dat ze nodig zijn,’ schreef Rothko. ‘Schilderijen moeten wonderbaarlijk zijn. Het schilderij moet voor de maker - evenals voor ieder ander die het later zal ervaren - een openbaring zijn, een onverwachte ontknoping zonder precedent van een eeuwig verlangen.’ Iets dergelijks kunnen we naar mijn idee ook over het werk van Henk Chabot zeggen, want ook deze schilderijen zijn zowel wonderbaarlijk als verontrustend, en brengen een transgressie van het reeds bekende teweeg, die ons oog in oog met het onbekende, het ‘onwerkelijke’ doet komen te staan. Het bijzondere van zowel Chabot’s als Rothko’s werk is dat zij de mens als het ware bij zichzelf naar binnen leiden en een inkijkje geven in ‘het tijdloze en tragische’ van zijn eigen ziel, maar dat ‘deze beweging naar binnen’ tevens een verbondenheid met alle andere ‘zielen’ teweeg kan brengen. Teneinde dit voor elkaar te krijgen, moeten de menselijke figuren op de schilderijen ook getranscendeerd of gemaskeerd worden. Daarom maakte Rothko van de uiterlijke verschijningsvorm van mensen steeds meer geabstraheerde kleurvlakken en maskeerde Henk Chabot zijn geportretteerden, teneinde de oude determineringen en identificaties zo lang mogelijk uit te stellen. Niet alleen de kunstenaar, of de menselijke figuren op zijn doeken, ook de toeschouwers die deze bezielde of transcendentale ervaring deelachtig willen worden, zullen bereid moeten zijn zich open te stellen voor de tijdelijke overstijging van hun ‘watheid’. Daarmee wordt het kijken naar de ‘Getekende gezichten’ van Chabot geen louter aangename bezigheid, maar ook een verontrustende ervaring. Verontrustend, omdat het ons dwingt voor even afscheid te nemen van alles wat ons in de wereld houvast biedt en ons vervolgens uitdaagt de vraag naar het wie te stellen. Tegelijk is deze ervaring ook geest- en zielsverruimend, omdat het iets laat oplichten van een diepte in onszelf, die we vergeten of verdrongen hadden, maar waarin niettemin de kern van onze menselijke waardigheid als ook onze verbondenheid, onze zielsverwantschap met anderen resideert. Ik hoop dat ik met deze lezing, geschreven op de grens van het verwoordbare, toch uw intuitieve vermogens enigszins opgeroepen of op zijn minst aangewakkerd hebt, waardoor u met nog meer ‘bezielde’ ervaring of in ieder geval meer rust naar deze prachtige expositie zult kijken.
|