Herzzeit

Recensie van de briefwisseling tussen Paul Celan en Ingeborg Bachmann
Volkskrant 2009

Vorig jaar publiceerde uitgeverij Suhrkamp, vijftien jaar eerder dan verwacht, de brieven van de twee grootste Duitstalige dichters van na de oorlog: Ingeborg Bachmann en Paul Celan. De erven achten het belang van deze brieven zo groot, dat ze besloten niet tot 2023 te wachten en het door beide dichters streng bewaakte ‘briefgeheim’ nu reeds te verbreken.

‘Wie ben ik voor jou?’. Deze vraag die de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann in 1961 in haar allerlaatste brief aan de Roemeens-Joodse dichter Paul Celan stelde, heeft een kleine veertig jaar ook menig literair criticus en biograaf bezig gehouden. Lang was het antwoord op deze vraag slechts een literair vermoeden. Een vermoeden dat gestoeld was op de vele stylistische en thematische echo’s die uit hun werk opstegen; beide dichters namen de verschrikkingen van de

 
Paul Celan en Ingeborg Bachmann. Fotograaf onbekend.

tweede wereldoorlog als vertrekpunt voor hun schrijven, beide kozen vaak dezelfde woorden, dezelfde metaforen om dat geweld tot uitdrukking te kunnen brengen: ‘waar spreekt wie schaduw spreekt’ (Celan) en ‘opdat mijn mond geheel in schaduwen ligt’(Bachmann). De literaire overeenkomsten waren van dien aard dat het vermoeden bestond dat beide dichters meer voor elkaar waren dan slechts collega’s, maar niemand kon er de vinger opleggen. Het was eenvoudig wachten op de publicatie van hun brieven, die al drie decennia veilig achter slot en grendel in de archieven van de universiteitsbibliotheek in Wenen opgeborgen lagen. De grote discretie die zowel Bachmann als Celan tijdens hun leven in acht namen, zorgde ervoor dat zelfs hun beste vrienden niet wisten hoe belangrijk zij voor elkaar waren.

Pas nu uitgeverij Suhrkamp heeft besloten om dit najaar reeds de overgebleven brieven onder de veelzeggende titel Herzzeit te publiceren, weten we dat er sprake is geweest van een grote liefde, die qua dramatiek en intensiteit niet onderdoet voor die van andere tragische paren uit de literatuurgeschiedenis: ‘Ik houd van je, en wil niet van je houden, het is te veel, en te zwaar’, schrijft Bachmann. ‘Jij bent mijn bestaansreden, omdat je de rechtvaardiging van mijn spreken bent en blijft’, schrijft Celan haar terug. Uit de vele, vaak ontroerende en verbijsterde recensies in de Duitstalige kranten van de afgelopen weken, blijkt dat deze publicatie dé literaire gebeurtenis van dit najaar is. Vrijwel iedereen is ervan overtuigd dat niet alleen de biografieën van deze twee meest invloedrijke na-oorlogse Duitstalige dichters, maar ook de literaire interpretaties van hun werk drastisch herschreven zullen moeten worden.

Tot aan dit najaar wist men feitelijk alleen dat de in 1926 in Klagenfurt geboren dichteres, schrijfster en filosofe Ingeborg Bachmann en de in 1920 in Roemenië geboren dichter en schrijver Paul Celan elkaar voor het eerst in 1948 in Wenen hadden ontmoet en enkele jaren later nog een paar keer. Zij legde die eerste jaren na de oorlog de laatste hand aan haar kritische proefschrift over de filosoof Heidegger. Hij was na de jodenvervolgingen, die aan allebei zijn ouders het leven had gekost, zijn vaderland ontvlucht en op doorreis naar Parijs. Wat men nooit wist, maar door sommigen wel werd vermoed, was dat deze ontmoeting in Wenen het begin was van een even grote als onmogelijke liefde. Want hoe licht en hoopvol deze destijds ook ontvlamde – Celan bedolf haar onder kado’s en bossen papaver, de bloem die hij ook als titel voor zijn debuutbundel Mohn und Gedächtnis (1953) koos – de geschiedenis dreef een steeds diepere wig in hun verhouding.

Herzzeit begint met het gedicht ‘In Egypte’, dat Celan in 1948 aan Bachmann opdroeg en waarvan hij jaren later nog zou zeggen dat ‘hoe vaker ik het lees, hoe meer ik jou in dit gedicht zie treden.’ Alle toekomstige schaduwen zijn reeds in dit gedicht aanwezig: ‘Du sollst zu Ruth, zu Mirjam und Noemi sagen: Seht, ich schlaf bei ihr!/ Du sollst die Fremde neben dir am schönsten schmücken / Du sollst sie schmücken mit dem Schmerz um Ruth, um Mirjam und Noemi.’ In deze regels liggen de contouren van een antwoord op Bachmann’s vraag ‘Wie ben ik voor jou?’ al besloten. Zij is ‘de vreemde’, die door de dichter niet alleen met papavers, maar ook met ‘Gedächtnis’, met de herinnering aan het geweld dat zijn ‘zusters’ is aangedaan, ‘gesierd’ moet worden. Omgekeerd was ook Celan voor Bachmann ‘de vreemdeling, wiens volk in alle windrichtingen is verspreid’, zoals te lezen is in het sprookje van de prinses Kagran uit haar roman Malina (1971). Deze vreemdeling drijft ‘een doorn in haar hart’, waarvan ze zich bij leven niet meer kan bevrijden.

Dit aan elkaar vreemd zijn en blijven mag voor sommigen een voorwaarde voor de liefde zijn, voor Bachmann en Celan maakte dit vreemd-zijn een leven in elkaars nabijheid onmogelijk. Als Bachmann in 1950 en 1951 Celan enkele maanden bezoekt in Parijs, omschrijft ze hun samenzijn als ‘Strindbergisch’, een ander woord voor: hel. Uit de brieven blijkt dat hun zo verschillende achtergrond hun liefde en literaire verwantschap steeds meer gaat overschaduwen. Bachmann was de dochter van een Oostenrijkse leraar die van meet af aan lid van de partij van de nazi’s was, en die zij daarom verfoeide. Celan was een slachtoffer van de jodenvervolging en leed in steeds sterkere mate aan achtervolgingswaan. Wanneer Paul Celan in 1952 op uitnodiging van Bachmann, die onvermoeibaar zijn werk bij een groter publiek bekend probeert te maken, zijn later wereldberoemd geworden gedicht Todesfuge bij de literaire Gruppe ’47 voordraagt, drijft de wisselende ontvangst van zijn en haar werk opnieuw een wig tussen beide schrijvers. Waar haar gedichten, die zij hortend en stamelend voorleest, geprezen worden, wordt zijn voordracht als zijnde te pathetisch beoordeeld. Sommige aanwezigen deinzen er zelfs niet voor terug zijn gedragen toon met de retoriek van Goebbels te vergelijken. Een erger, haatdragender verwijt kon hem niet gemaakt worden.

De enige foto van hen samen werd uitgerekend op deze bijeenkomst genomen. We zien hoe Ingeborg Bachmann zich schuchter vooroverbuigt naar Paul Celan, die gekweld en getergd voor zich uitstaart. Vanaf dat moment valt de afgrond die de geschiedenis – en de naweeën daarvan in het ten dele nog altijd ‘bruine’ Wenen - tussen beiden heeft gegraven, niet meer te overbruggen. Celan trouwt een half jaar later de Franse kunstenares Gisèle de Lestrange, die de straatarme dichter in ballingschap in ieder geval een huis boven zijn hoofd kan bieden. Toch weerhoudt dit huwelijk hem er niet van contact met Ingeborg Bachmann te blijven zoeken. Hoewel zij zich nauwelijks over ‘dit weggaan’ van hem heen kan zetten, blijft ze hem in woord en daad trouw. Niet alleen haar brieven, ook de dichtbundels, hoorspelen en libretti die zij in die jaren daarna publiceert, blijven, zo blijkt nu, vooral te getuigen van haar gevoelens voor de dichter ‘die zij meer liefheeft dan haar leven.’

Als zij elkaar dan enkele jaren later in 1957 in Wuppertal en Köln weer ontmoeten, laait de hartstocht opnieuw hevig op. Was het tot die tijd vooral Bachmann die smeekte en soebatte, nu zijn de rollen omgedraaid. Celan overlaadt haar met brieven en gedichten, die speciaal aan haar zijn opgedragen. Boeken vol moeizame interpretaties van bijvoorbeeld het gedicht ‘Köln, am Hof,’ kunnen nu de prullenbak in, want Am Hof was simpelweg de naam van het hotel in Köln waar zij samen overnacht hebben. Celan lijkt nu wel bereid alles voor haar op te geven, maar zijn moed en daadkracht komen te laat. Bachmann aarzelt, niet in de laatste plaats omdat hij net een zoon met Gisèle heeft gekregen. Ook is ze bang dat ze elkaar opnieuw in het ongeluk zullen storten. Bovendien gooit de wereld opnieuw roet in het eten. Enkele maanden later publiceert de criticus Gunter Blocker een recensie over Celan’s tweede bundel, Sprachgitter (1959), waarin hij de dichter een gebrek aan communicatie verwijt, die wel met zijn ‘afkomst’ te maken zal hebben. Hoe Bachmann in haar brieven ook probeert Celan te kalmeren als deze zich opwindt over dat onverbloemde anti-semitisme, door hem te wijzen op de roem die hij elders vergaart, ze kan niet voorkomen dat Celan zich steeds meer vastbijt in zijn overtuiging dat men hem als jood nog steeds aan het vervolgen is. Als hij dan ook nog door de weduwe van de dichter Yves Goll - hoe ongefundeerd ook - van plagiaat wordt beschuldigd, is er geen houden meer aan. Zelfs Bachmann, die hij zijn enige ‘Lebensgrund’ noemt, omdat zij als enige in staat is hem tot ‘spreken te brengen’, kan dan niet langer verhoeden dat zijn leed en woede over de Shoa langzamerhand in pure paranoia en waanzin uitmondt. Bachmann begint ten einde raad een verhouding met de Zwitserse schrijver Max Frisch, zonder evenwel ooit afscheid van Celan genomen te hebben.

Begin jaren zestig wordt deze zogenaamde plagiaataffaire door enkele critici op de spits gedreven; het zal het definitieve einde van hun verhouding inluiden. Celan verwijt Bachmann dat ze te weinig hulp voor hem zoekt en gaat zelfs zo ver dat hij haar één van zijn moordenaars noemt, terwijl zij op dat moment juist hemel en aarde beweegt om zo veel mogelijk tegenstukken in kranten en tijdschriften gepubliceerd te krijgen. Het is inderdaad, ‘te veel en te zwaar.’ In de laatste brief die ze hem schrijft, maar nooit zal versturen, en waarin ze hem de vraag stelt ‘wie ben ik voor jou, na al die jaren?’, zegt ze hem dat niet zij, maar hij zelf als enige in staat is om zich van zijn slachtofferrol te bevrijden. Dat is dan ‘te veel en te zwaar’ voor hem. Het verdriet om de breuk is zo groot dat zowel Ingeborg Bachmann als Paul Celan geestelijk ineenstorten en beiden vanaf 1963 herhaaldelijk in psychiatrische klinieken worden opgenomen. Tussen deze opnames door doet Celan twee pogingen zijn vrouw, en ook een keer zijn zoon, van het leven te beroven. Nu het enige aanspreekpunt in zijn leven voorgoed uit zicht verdwenen is, rest hem alleen nog de waan. Begin 1970 stort Celan zich vanaf een brug in de Seine. Zijn lichaam wordt pas enkele weken later gevonden.

Hoe Ingeborg Bachmann het bericht over de zelfmoord van Paul Celan verwerkt heeft, lezen we aan het einde van haar laatste, bij leven gepubliceerde roman Malina (1971). Ook deze roman, zo weten we nu pas uit de brieven, is, behalve een ‘grafschrift’ voor de slachtoffers van de oorlog, één lange getuigenis van haar liefde voor Paul Celan. Was Celan eerder al als de vreemdeling in het sprookje van de Prinses Kagran herkend, nu begrijpen we dat hij ook model voor Ivan, de geliefde van de naamloze ik-figuur uit de roman moet hebben gestaan: ‘Kan ik u spreken, vraagt een man, ik moet u een bericht bezorgen. Ik vraag: wie moet u een bericht bezorgen? Hij zegt: alleen de prinses Kagran. Ik val tegen hem uit: Spreekt u deze naam niet uit, nooit. Maar hij toont mij een opgedroogd blad, en ik weet dat hij de waarheid gesproken heeft. Mijn leven is ten einde, want hij is op een transport in de rivier verdronken. Ik heb meer van hem gehouden dan van mijn leven.’ Vervolgens gaat ze naarstig op zoek naar een plek om de brieven te verstoppen. Haar oog valt op een geheime la in haar secretaire, maar dan bedenkt ze zich dat ze vergeten is iets op het pakpapier te schrijven, ‘voor het geval de brieven toch een keer gevonden worden’. Ze probeert de brieven te typeren: ‘Dit zijn de enige brieven… deze brieven zijn de enige brieven… die me bereikt hebben …. Mijn enige brieven!’, maar ze vindt de woorden niet ‘voor het unieke karakter van Ivans brieven’. Als ze de brieven uiteindelijk in de secretaire heeft verstopt gaat ze nog een laatste kop koffie zetten. Boven het fornuis gehangen, denkt ze dan nog: ‘Ik moet oppassen dat ik met mijn gezicht niet op de kookplaat val en mezelf vermink en verbrand.’ Na de koffie verdwijnt ze in een ‘scheur in de wand, waaruit nooit meer een geluid kan doordringen.’

Twee jaar later, in 1973, overlijdt Ingeborg Bachmann in een ziekenhuis in Rome, aan de gevolgen van brandwonden. De combinatie van alcohol, slaappillen en een laatste sigaret in bed, werd haar fataal. Niet alleen haar dood, ook het vinden van de brieven heeft ze in haar laatste roman ‘voorspeld.’ Na haar dood worden de brieven van Paul Celan in een geheime la van haar secretaire gevonden. Ruim dertig jaar later wordt het briefgeheim alsnog verbroken. Als rechtvaardiging voor deze indiscretie moge gelden dat iedere lezer, criticus of biograaf van Ingeborg Bachmann en Paul Celan nu weer van voren af aan kan beginnen. Want geen gedicht, geen verhaal, geen lezing of libretto van hun hand, laat zich nu nog buiten de context van deze liefde plaatsen. Het schaduwspreken van beiden betrof niet alleen het geweld van de oorlog, maar ook de wanhoop over hun niet te leven liefde.

Joke J. Hermsen