Voordracht
Joke J. Hermsen tijdens de presentatie
In Blindgangers begeeft een groep oude vrienden zich door een wit besneeuwde nacht naar een plek op het platteland om daar 25 jaar vriendschap te vieren. Dat is de kortst mogelijke samenvatting van het boek. Maar als ik daar nog iets aan toe moet voegen, zou ik zeggen dat een vand e vragen die hen daar bezighoudt is of er eigenlijk nog wel sprake is van echte vriendschap, nu ze elkaar nauwelijks meer zien, omdat hun tijd wordt opgeslokt door het logistieke gegoochel met werk, partners, kinderen en natuurlijk al die smartphones en beeldschermen die ze maar niet uit kunnen zetten? Wordt er na al die jaren nog wel echt iets gedeeld, behalve misschien de aanschaf van nieuwe dingen? Is er nog wel iets over van die oude verbondenheid van vroeger, die hun vriendschap destijds typeerde en waarmee ze zich sterk maakten voor een betere wereld? Of delen ze alleen nog hun verleden, 'delen ze alleen nog hun herinneringen', zoals de Franse dichter Rene Char dat ooit omschreef in zijn bundel 'Les loyaux adversaires'? Loyaux adversaires, oftewel: 'Toegewijde tegenstanders', al met al geen slechte metafoor voor de vriendschap. Ruim vijfentwintig jaar geleden alweer vertaalden Henk van der Waal en ik deze bundel voor Picaron, een kleine Amsterdamse uitgeverij, en het gedicht gaat in zijn geheel als volgt: 'Zij die alleen hun herinneringen delen, / worden door eenzaamheid overvallen, en meteen is het stil./ Wat zei je? Je sprak me van een liefde zo ver weg, dat zij zich voegde bij de kindertijd. Zovele listen worden gebruikt door het geheugen.' Toen ik gisteren over dit praatje nadacht – wat ga ik zeggen? Moet ik wel iets zeggen? - schoot me die dichtregels van Char weer te binnen, en ik was eerlijk gezegd verbaasd om daar vrijwel alle thema's van mijn nieuwe roman in te herkennen: vriendschap, eenzaamheid, herinneringen, een verre liefde, de kindertijd en de listen van het geheugen. 'Gedichten van Char zijn vaak orakelspreuken, raadselachtige verzen die de lezers uitnodigen op zoek te gaan naar de duistere wortels van hun bestaan', schreven Henk en ik in de inleiding, amper 26 jaar oud en dus nog niet zo heel erg duister geworteld. 'Zijn poezie confronteert ons met wonderlijke en soms ook beangstigend vervreemdende beelden', vervolgden wij ernstig, 'en alles wat wij 'smalle stromen van verwarring en verwachting' nog kunnen doen is te vertrekken van daar waar we zijn, en dat raadsel proberen te ontcijferen.' Opnieuw was ik ontroerd en werd ik door enige weemoed bevangen, door die ernst van ons, en door ons verlangen de waarheid van Chars poezie zo dicht mogelijk te naderen. Want ook daarover, over de mogelijke teloorgang van onze ernst en onze passie in deze meedogenloos ironische tijden, en over onze gestrande zoektocht naar het ware, naar datgene wat er echt toe doet, gaat mijn nieuwe roman. Literatuur schept 'pleisterplaatsen van omheinde moed', meende Rene Char. Die pleisterplaatsen doemen vooral dan op als er op weg gegaan wordt, als er vertrokken en gezworven wordt, niet alleen letterlijk door de buitenwereld, maar ook en vooral door de eigen 'binnenwereld'. Er wordt nogal wat afgezworven in Blindgangers. Waar mijn vorige boek vooral een verkenningstocht door de tijd was, is Blindgangers misschien vooral een reis door de ruimte, waarbij het woord 'afstand' een belangrijke rol opeist. Afstand verkrijgen tot je zelf, opdat je over je eigen handelen kunt nadenken, afstand tot de ander, zodat je deze kunt blijven ontmoeten, afstand tot de wereld, om deze goed te kunnen lezen en te interpreteren. De meeste personages in mijn boek hebben moeite met afstand nemen; het ontbreekt hen aan tijd, aan reflectie, maar ook aan moed. Misschien dat er daarom wel zo sterk in en uitgezoomd wordt in mijn roman. Om die noodzakelijke afstand voelbaar te maken, die zo wezenlijk is voor de vriendschap, voor de liefde, voor het denken.
Helaas past dat beeld niet zo goed binnen onze mythe van het innig verenigde stel. Dat levert soms van die merkwaardig amorfe koppels op, die je met dezelfde trainingspakken aan over de hei ziet banjeren. Hetzelfde willen zijn, hetzelfde willen denken en doen, een en dezelfde willen worden: het is vaak de valkuil onder de liefde. In mijn roman wordt de hoge prijs getoond die we voor het verlangen naar symbiose moeten betalen: woede, wraak en immens verdriet als de een zich van de versmelting los wil scheuren en de ander als een half mens achterlaat, dat niet meer kan nadenken maar alleen nog maar uit pijn kan handelen, met meestal als grootste slachtoffer: de kinderen. Misschien zou het daarom alleen al verstandig zijn ook in de liefde die belangeloze en bezitsloze afstand te betrachten. Een vorm van 'verliefde vriendschap'; als het verliefde na verloop van tijd wat uitgeraasd is, ach, dan behouden we toch nog de vriendschap en kunnen onze kinderen in vertrouwen opgroeien. Rene Char
probeerde in zijn poezie een 'pleisterplaats van omheinde moed' te scheppen.
Die pleisterplaatsen, van het gedicht, van het verhaal, van de roman,
hebben we nu misschien meer nodig dan ooit tevoren, om ons te beschermen
tegen de minachting van de wereld die louter nog in dingen en cijfers,
kortom in economie, geinteresseerd lijkt te zijn. Over die nihilistische
wereld gaat mijn boek ook; er gloren immers nog maar weinig lichtbakens
aan de westerse horizon. En er zullen veel verliefde vriendschappen,
veel pleisterplaatsen en veel gezamenlijke pogingen om nieuwe vergezichten
te schetsen nodig zijn om die horizon weer een beetje aan te lichten.
Als u straks, morgen, misschien vannacht al Blindgangers open slaat,
hoop ik dat u denkt zo'n 'pleisterplaats' te betreden, 'waar 's nachts
niettemin de sterren binnen dringen', om de dichter Char nog een maal
te citeren. Ik moet u echter ook waarschuwen. Het betreden van die plek
is niet zonder risico. Degene die zich daar waagt, zal misschien zelf
ook enigszins verblind raken, maar uiteindelijk, en leest u vooral door,
zal er zo sterk uitgezoomd worden en er zo'n grote afstand ontstaan,
dat u zich kunt vergapen aan het weidst mogelijke vergezicht dat ik
op dit moment voor u op papier heb gekregen. (Dank) Dan is nu het moment
gekomen het eerste exemplaar van mijn boek uit te reiken. En ik doe
dat met veel plezier aan Margot Dijkgraaf, die ik vele jaren geleden
in Parijs ontmoette. Margot verbindt het schrijven over literatuur in
NRC Handelsblad aan het scheppen van een podium, o.a. op Spui 25 in
Amsterdam, waar over al die pleisterplaatsen van omheinde moed gesproken
en gedebatteerd wordt. Daarom wil ik haar nu heel graag het eerste exemplaar
van Blindgangers aanbieden. |