Voor
Simone de Beauvoir en Belle van Zuylen
(Leesnotities)
(Om
de microfoon te testen:)
“Het is dwaasheid vanuit één aspect een oordeel te
willen vellen over dingen die zoveel kanten hebben”. (Een zinnetje
van één van mijn lievelingsfilosofen, een man, Michel de
Montaigne.)
Het begincitaat toont al dat ik vaker over Montaigne mocht spreken dan
over het werk van Belle van Zuylen en Simone de Beauvoir. Ik ken zijn
werk ook beter. Ik heb dan ook geaarzeld om de uitnodiging aan te nemen.
(Beschouw
mij maar als intermezzo)
De vrouwen voor en na mij zijn veel beter geplaatst.
Allereerst wat betreft de theoretische kant:
omdat ik de liefhebber ben en zij de kenners. Zij hebben academisch en
literair over hen geschreven, over hen gedacht, met elkaar van gedachten
gewisseld, terwijl ik me eigenlijk een beetje tot mijn verrassing realiseerde
dat ik over hen tot nog toe mooi gezwegen heb, ook al hebben ze mij erg
en diepgaand beïnvloed.
Vervolgens
wat betreft een meer praktische kant:
omdat ik me op geen enkele heldendaad kan beroepen binnen het feminisme,
ook al heeft het mijn leven erg en diepgaand bepaald. (Er zijn slechts
kleine anekdotetjes, akkefietjes, en of ik u daarmee kan overtuigen?)
(Tja. Dat ik de week voor een chique lezing opstandig werd?
Ik was de eerste vrouw die hiervoor werd gevraagd, er was een behoorlijke
kledijvergoeding, en zo stuurde iedereen mij naar de winkel, maar ik zat
die laatste week nog hard te schrijven en te denken, wellicht net als
de mannen voor mij, en toen vloekte ik op mijn vrouwonvriendelijke maatschappij…,de
laatste dag ben ik gewoon op een halfuurtje een pak gaan kopen. Weliswaar
erg vrouwelijk van snit, niemand zal mijn ‘actie’ hebben begrepen.)
(Tja. Dat ik jong nog, zelfbewust alleen ging wonen, en mijn nachtliefjes
van toen voor het ontbijt het uit huis zette, om die dag te kunnen werken?
Zij reageerden gechoqueerd omdat ik volgens hen de wereld op zijn kop
zette, ze vonden dat ik me als man gedroeg, en hen als vrouwen behandelde,
onheus, dus, waarna er interessante ‘gender’discussies volgden.
En hoeveel moeilijker dat was als ik wel eens serieus viel voor iemand,
en dan mijn vrouwennatuur vervloekte en ons beminnen…)
Maar goed, met hoe ik in mijn leven handelde, belandt men niet in de annalen
van het feminisme noch op een avond als vandaag. En wat ik schreef, was
nooit expliciet gericht op beter begrip van noch Belle van Zuylen, noch
van De beauvoir,
(Ik haal hen zelfs zelden aan, merkte ik, daarover heb ik verwonderd de
laatste dagen.)
De
anekdotes tonen ook. Ik bevond me altijd al in de luxesituatie om geboren
te zijn in een West-Europees land, halfweg de jaren zestig. Dat is mijn
tijd. Noch mijn afkomst, noch mijn geloof, of beter gezegd mijn niet-geloof,
verhinderden me mijn liefdes, maar ook niet dat ik de boeken las die ik
wilde lezen en later de studie volgde die ik wilde volgen, en de boeken
schreef die ik wilde schrijven, en de lezingen gaf die ik wilde geven.
Dat het vooral vrouwen waren die ik las als jong meisje, daar stond ik
niet eens bij stil, dat zij vooral veelzijdige auteurs waren, daarvan
was ik me niet echt bewust, dat een meisje zich misschien anders zou moeten
gedragen als ik me gedroeg?
Dat las ik vooral bij vrouwen uit vroegere tijden, en ik was toen nog
naïef genoeg om te denken dat we die strijd wel achter de rug hadden.
Maar intussen had De Beauvoir, zij allereerst toch, mij erg beïnvloed,
meer dan De Tweede Sekse, (want dat was als erg jong meisje nog te moeilijk
voor mij en het kwam misschien voor mij ook te laat), haar romans. Alle
mensen zijn sterfelijk, bijvoorbeeld, dat hield me op mijn veertiende
meer dan een nacht wakker, en vooraleer ik het later bij haar las in haar
artikel Literatuur en metafysica , ondervond ik toen al de kracht en de
meerduidigheid die van literatuur kon uitgaan, ook en zeker als het diepmenselijke
filosofische thema’s betrof. (Voor wie het boek kent, ik heb nooit
nog over de dood kunnen nadenken zonder me de kwelling te herinneren van
het voortdurend verderleven.)
Maar ik las even gretig Belle van Zuylen, Virginia Woolf, en Lou Andreas
Salomé, toegegeven, veel vrouwen.
Waarom
ben ik toch gekomen? Al ben ik intussen filosoof, misschien toch allereerst
als liefhebber. Om als ‘intermezzo’ uit te spreken dat er
naast de kenners, wellicht nog veel liefhebbers zijn zoals mij zijn, vooral
vrouwen wellicht, die de wijsheid, de gevatheid, de humor, de ernst…
de complexiteit en veelzijdigheid waarderen, en van daaruit ook de mogelijkheid
tot vrijheid ontwaren. Er is de intellectuele genoegdoening, er is bij
beide ook veel leesplezier. Daarom kunnen we zo ontspannen - lezers, liefhebbers,
kenners… - er een avond aan wijden. Hegel of Kant zou al iets moeilijker
liggen.
Ik moet er als filosoof ook iets bijzeggen: dat wat iemand denkt of schrijft,
vaak gedragen wordt door voorgangers die daarom niet altijd meer genoemd
worden. Misschien is het zo dat we, hoe meer we ze inlijven, ze minder
met naam in onze teksten voorkomen – en vaker dichtbij zijn dan
je denkt.
Belle van Zuylen, bijvoorbeeld, - van bij het begin. Dat brieven, dagboeken,
novelles of romans (en misschien bij haar ook muziek) ook denkend schrijven
is. Dat politiek, liefde, en zoveel meer in één tekst kan,
ook jezelf, en dat in een taal waarin je trouw blijft aan jezelf .
De Beauvoir – nu nog. Dat vrouwen net zo goed filosoof kunnen worden,
natuurlijk. Dat je niet louter traktaten moet schrijven om filosoof te
zijn, dat wat jou onmiddellijk raakt in je leven begin van beschouwing
kan zijn, maar ook dat je niet de klassieke thema’s hoeft te volgen,…
Het waren al diepere overtuigingen toen ik het Leuvens Instituut van de
wijsbegeerte binnenstapte.
Misschien schrok ik daarom zo (al heerste er in mijn tijd, de vroege jaren
negentig, al een openheid en vrijheid van geest waarbinnen ik me erg thuis
voelde) maar ik was niet voorbereid op de eenduidigheid van veel filosofen
en filosofieën uit de geschiedenis die ik leerde kennen.
Ik schrok van de reductie
Van de arrogantie
Van de uitsluiting
Van de negatie
Van de verwaarlozing
Van de minachting…
Waarom,
zo vroeg ik me bijvoorbeeld af, houdt men krampachtig vast aan de scheiding
filosofie OF literatuur, filosofie OF wetenschap, filosofie binnen OF
buiten de academische wereld…
Waarom
schreef en dacht men zo vaak over verstand en geest en veel minder over
emotie en lichaam, veel over sterven (en dan nog vaak over de eigen dood
en minder over de dood van de geliefde ander) en zo weinig over geboren
worden, veel over ideeën en overtuigingen in ons hoofd, maar waar
schreef men, bijvoorbeeld over de concrete, materiële tastbare dingen
om ons heen?
En
waarom zo vaak over die ene waarheid,
Die enige eeuwig, alles anders uitsluitende waarheid?
Misschien
is waarheid veranderlijker, veelvoudiger, ambiguer, emotioneler, afhankelijker,
speelser, concreter, gevoeliger, lichamelijker…literairder dan we
vaak dachten in de geschiedenis van de filosofie? (En heeft dit ook te
maken dat de geschiedenis van de wijsbegeerte vooral een geschiedenis
van mannen en traktaten is?)
Er
was veel kans dat ik voor mijn eindwerk filosofie gekozen had voor een
vrouw, want die leken me om de een of andere reden minder moeite te hebben
om dit soort ‘veranderlijk’ waarheidsbegrip te omhelzen, maar
het werd Montaigne.
Ach, een zestiende-eeuwse schrijver, zo zegt men, maar je kunt ook zeggen:
Een politiek filosoof die literatuur schreef, een moraalfilosoof die op
elke bladzijde voor een ambigue moraal pleitte… een actueel filosoof
met een androgyn denken, die er niet voor terugschrok om een eigen genre
te bedenken, een ‘vrouwelijk’ genre als je binnen de klassieke
bepalingen blijft, waar het alledaagse, het lichamelijke, het concrete,
het grappige, het toepasselijke, het persoonlijke en zoveel veronachtzaamde
dingen thuishoorden…
Misschien
weef ik te veel persoonlijke anekdotiek in mijn tekst, is het te veel
‘lof van de liefhebber’, misschien blijf ik te vaag, ga ik
te snel om duidelijk genoeg te zijn? Maar ik nam voor nog een reden de
uitnodiging aan:
Om
op het grootste gevaar te wijzen voor veelzijdige auteurs:
Dat ze éénzijdig worden geïnterpreteerd!
Want
dat het werk van zowel Belle van Zuylen als van Simone de Beauvoir veelzijdig
is, zou een makkelijke verdediging zijn. U hoeft maar naar de vorm, de
genres te kijken die ze beoefenen, ik hoef maar naar de inhoud, de thematieken
te wijzen, maar… en dat is volgens mij wezenlijker; hoe verschillend
Belle en De Beauvoir ook zijn, en in welke andere tijden ze leefden, de
gedrevenheid om ‘leven’ in al de aspecten te beschrijven en
te bedenken, zichzelf daarbij niet uit te sluiten, de weigering om de
veelzijdigheid ervan éénduidig voor te stellen… dat
is te onderlijnen in hun werk.
Daarom is elke malafide inperking als lezer, onderzoeker, criticus een
verraad aan datgene waaruit ze leefden en schreven.
Het
grootste gevaar van een veelzijdig oeuvre is een minder veelzijdige interpretatie,
dus, en zo zijn er veel manieren om een denken te versimpelen, verminken,
onvruchtbaar te maken, te idealiseren, te stigmatiseren, te verkleuteren…
ga maar verder. Ik ga de vele interpretaties die hun werk kenden niet
wegen, analyseren, noemen, ik wil slechts wijzen op enkele mechanismen
waardoor we altijd de neiging hebben de discussie rond een oeuvre te extreem
te voeren. (En hoe veelzijdiger het oeuvre, hoe aanlokkelijker, en hoe
doder de auteurs, hoe meer mogelijkheid tot misbruik.)
Daarom
wilde ik vanavond ook komen, om van het plezier te getuigen van twee boeken
die ik recent las, die niet in de val van de eenduidigheid trapten.
Het prachtige boek over Belle van Zuylen van Joke Hermsen. De liefde dus.
De adempauze van dat boek. En hoe je hier ook ziet: dat literatuur mooi
gevormd kan zijn, en voor leesplezier kan zorgen, en ook: dat literatuur
nergens persé gelijk wil halen en meer waarheden tegelijkertijd
toelaat.
Het essayboek Alles Welbeschouwd over De Beauvoir, samengesteld door Joke
Hermsen. De verademing bij het lezen. Dat er een boek over haar verschijnt,
sowieso, en dat het een welgeschreven, gastvrij en caleidoscopisch boek
is waar meerdere stemmen aan het woord zijn.
Ik
merkte sinds mijn kennismaking met Montaigne met voldoening dat zowel
het filosofische als het feministische klimaat veelzijdiger werd, maar
ook: dat we altijd weer verleid worden tot eenzijdigheid, daarom nog even:
vier waarschuwingen.
1.De
volgelingen overdrijven altijd de voorgangers
En hier past een persoonlijke anekdote. (De enige veldslag binnen het
feminisme waarover ik kan verhalen, ik won, mijn tegenstanders waren helaas
feministen.)
Een voorbeeld. Enkele Amerikaanse feministen die jaren terug - op roze
hoge hakken - het Leuvens instituut bestormden, ze wilden De Beauvoir
in de rekken houden, maar Sartre weggooien en - zo herinner ik het me
toch - het gehele werk van Nietzsche verbranden!
(Friedrich Nietzsche! De filosoof die Voorbij goed en kwaad begon met
de zin: ‘Veronderstel dat de waarheid een vrouw is?’ Nietzsche
die zei dat de enige die zijn denken had begrepen wellicht Lou Andreas
Salomé was, een vrouw. )
Ik had misschien in andere tijden als eerste de universiteiten bestormt,
maar de onzinnige versie van dat Beauvoirisme zorgde er toen voor dat
ik liefst op de meest mannelijke manier, met mijn vuisten, Nietzsche wilde
verdedigen.
(En ook mijn oude arme mannelijke professoren die met hun waarden als
ridderlijkheid in de war geraakten van de nieuwe waarden die de feministen
uit Amerika meebrachten, zoals ‘politieke correctheid’, en
of ze nog de deur voor hen mochten openhouden?)
(Of
dit soort extreem gedrag typisch is voor vrouwen? Nee, hoor, kijk maar
naar de Lacanianen, meestal vooral mannen en exemplarisch voor wat ik
hier wil zeggen.)
2. Wat de andere zegt of schrijft, wordt vaak in een vorm onthouden die
goed van pas komt: versimpelt, contextloos, overdreven, geridiculariseerd…)
Zie ook: hierboven. De Amerikaanse vrouwen en Nietzsche, maar vaak ook:
de mannen en de vrouwen. En wat auteurs betreft, neem nu: Simone de Beauvoir.
In de lichte versie: ‘Ze is ‘maar’ een schrijfster,
en geen ‘echte’ filosoof.’ Dit is op een slinkse manier
vooral: iemand onschadelijk maken – en dus niet au serieux te nemen.
In een zwaardere versie: iemands oeuvre herleiden tot een persoonlijkheid,
tot een lichaam (billen!), tot een half citaat of tot één
zin, wat betreft De Beauvoir: ‘Men wordt niet als vrouw geboren,
men wordt als vrouw gemaakt.’ En dan doen of ze bijvoorbeeld geen
notie had van ‘het verschil’ tussen de sexen of de eigenheid
van vrouwen.
3.
Het mechanisme van uitsluiting of/of lonkt altijd! (Is het een psychologisch
mechanisme, een overlevingstruuc uit oertijden?, het ligt altijd op de
loer.)
Vaak
voert men strijd tussen twee of meer denkbeelden alsof het een loopwedstrijdje
is. Neem nu de strijd tussen de twee denkbeelden van wat ons bepaalt:
onze opvoeding of onze geboorte? Ook het feminisme neemt in dit nature-nurture-debat
stelling in, zie het beroemde zinnetje van De Beauvoir maar vooral de
interpretatie van die zin. Bij elke wetenschappelijk ontwikkeling-etje
of nieuwe onderzoeksresultaten kunnen de gemoederen weer oplaaien. Of
we als filosoof, crimineel, Vlaming, of vrouw geboren wordt, of gemaakt?
Wat houdt ons gevangen of maakt ons vrij, onze natuur of de cultuur? Het
is niet slechts een wetenschappelijk onderonsje, de meeste onder ons hebben
altijd al partij gekozen, al beseffen we het dikwijls niet. (Het geloof
in natuur of omgeving bepaalt ook hoeveel geld naar onderzoek stroomt
en vaak het politieke beleid. Zie vorige eeuw waar het debat zijn meest
grimmige versies kende: de fascisten riepen - leve de (veredelde) natuur
- en de communisten - leve de (maakbare) maatschappij.)
(Eventueel:
een korte uitweiding?) Wie zijn de ruziemakers? Aan de ene kant staan
diegenen die vinden dat de mensen zijn zoals ze zijn vanaf hun geboorte,
het zit in de genen, we erven ons menszijn, het huist in onze natuur.
Aan de andere kant staan diegenen die ervan uitgaan dat de mens met een
ongeschreven blad begint, het is de ervaring die telt, in welk milieu
we terechtkomen, de omgeving is van belang, oftwel nurture.
Als u denkt dat meisjes met poppen spelen en jongens met wapens omdat
wij willen dat ze als vanzelf in een patroon rollen - dan benadrukt u
de omgeving. Als u constateert dat wij Barbie-poppen en Zorro-degens kopen
omdat ze dat nu eenmaal enig vinden, meisjes blijven meisjes en boys will
be boys, volgt u hun natuur.
(Het
belangrijkste, wat zie je in dit debat vaak gebeuren?) Een nieuw onderzoek
toont aan dat omgeving belangrijk is, en - hopla -‘dus’ gaat
men ervan uit dat natuur niet belangrijk is, en omgekeerd. De middenweg:
we zijn het gevolg van zowel de natuur in ons als van de omgeving waarin
we leven, is voorbeeldig, maar niet meer. Recente ontdekkingen tonen echter
dat de manier waarop de genen het gedrag beïnvloeden en de wijze
waarop ons gedrag de genen beïnvloedt, zorgt dat een mens vooral
de verwevenheid van de twee blijkt te zijn. Wat is dan nog natuur of nurture?
Het is nooit of/of is maar een en/en-mix en dat zou het debat moeten bepalen.
(De eenduidigheid is vaak vooral nefast voor subgroepen die weeral eens
strijd mogen leveren, zie de homo’s, zie de zwarten, zie de vrouwen.)
Als
vierde punt: laat mij afsluiten met het begin, een zinnetje dat we best
altijd in het hoofd houden als we praten over elk oeuvre, zeker over elk
veelzijdige oeuvre, en dus ook over het werk van Belle en De Beauvoir:
4.
Montaigne. ‘Het is dwaasheid om vanuit één aspect
een oordeel te willen vellen over dingen die zoveel kanten hebben.’
Ann
Meskens
Maart 2008
|