Lezing Studium Generale, 2004

Over Simone de Beauvoir. Filosofie of literatuur?


Als er iets is wat het werk van Simone de Beauvoir (1908-1986) kenmerkt, dan is het de enorme gretigheid die eruit spreekt zowel de kunst als de wetenschap, de filosofie als de literatuur te omarmen. Met evenveel gemak, passie en doorzettingsvermogen heeft de in 1908 in Parijs geboren Franse schrijfster en docente filosofie zich gestort op lijvige romans als Uitgenodigd uit 1943 of De Mandarijnen, waarvoor ze in 1954 de Prix Goncourt behaalde, als op doorwrochte filosofische studies zoals Een moraal der dubbelzinnigheid uit 1947 of De Tweede sekse uit 1949, een boek dat haar wereldfaam zou bezorgen.
De Beauvoir's dubbele aanpak van wijsgerige problemen in zowel filosofische als literaire teksten is binnen de westerse traditie niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Sinds jaar en dag heerst er een groot wantrouwen tussen beide disciplines. Sinds Plato de poëzie in de ban deed, heeft menig filosoof de neiging gehad het wijsgerig vakgebied scherp van de kunst af te bakenen. Ik ken geen wetenschapper die het eigen territorium zo fanatiek bewaakt als de, met name, academische filosoof. Hoe vaak wordt een bepaalde kwestie niet als zijnde `onfilosofisch' ter zijde geschoven? Hoe vaak worden bepaalde vragen `niet geschikt bevonden om binnen het kader van de filosofie' behandeld te worden en hoe vaak horen we tijdens wijsgerige vakgroepsvergaderingen niet de kreet `Maar dat is geen filosofie, dat is psychologie! of: dat is sociologie! of, nog erger, dat is pure fictie!' opstijgen? Men is er zogezegd altijd als de kippen bij geweest om het kaf van het koren te scheiden.
De ballotagecommisie van de wijsbegeerte blinkt echter niet bepaald uit in originaliteit, vernieuwingsdrift of sociale relevantie. En zo wordt er, in naam van de echte filosofie, nogal wat gedenkwaardigs naar de stoffige uithoeken van de zolder van ons intellectueel erfgoed verwezen. Ach, dat was vroeger, zult u zeggen. Inmiddels is er toch veel veranderd? Ik ben bang dat het tegenvalt. Eén bewijs daarvan kreeg ik afgelopen week nog bij de verschijning van het spliksplinter nieuwe Filosofen Lexicon, waarin Werk, Leven en citaten van ruim tweehonderd `grote denkers', zoals de trotse ondertitel luidt, verenigd zijn. En wat blijkt? Op de ruim 200 `grote denkers' zit nog geen anderhalf % vrouwelijke filosofen. Het is ongetwijfeld van groot belang alles te weten over Pierre François Maine de Biran, Nicolai Hartman of Etienne Bonnot de Condillac en ik wel best aannemen dat dit allen `zeer grote filosofen' zijn, alhoewel ik nog nooit één regel van hen ergens ben tegengekomen, maar het is toch wel erg treurig dat we anno 2003 nog altijd vergeefs moeten zoeken naar belangrijke denkers als Julia Kristeva, Lou Andreas-Salomé, Luce Irigaray, Sarah Kofman, Belle van Zuylen, Martha Nussbaum, Judith Butler, Anna Maria van Schurman, Mary Wollstonecraft, Carry van Bruggen of Simone Weil, om er slechts enkelen te noemen. De vrouw is voor veel filosofen blijkbaar nog altijd de `ander', zoals Simone de Beauvoir haar ruim 50 jaar geleden in haar magnus opus, De Tweede Sekse heeft beschreven. Ze wordt op deze manier tot op de dag vandaag gedwongen die `ander' te spelen, dat wil zeggen, in de Beauvoirs woorden, `ze moet alles zijn wat hij niet is, ze is kortom zijn negatie en daarmee de grond van zijn bestaan. Alleen als de vrouw zelf geen `grote denker' is, kan hij er kortom wel eentje zijn.
Als `absolute ander' hebben vrouwen niet alleen hun onafhankelijkheid maar ook hun eigen identiteit verloren, stelt de Beauvoir. Ze bestaan feitelijk alleen in relatie tot mannen, dat wil zeggen: als ze buitenhuis werken, doen ze dat grotendeels in een door mannen bepaalde bedrijfscultuur, waar ze niet alleen het daar heersende arbeidsethos moeten overnemen maar ook de rol van `ander' moeten blijven spelen, dat wil zeggen anders dan de man: niet teveel op de voorgrond tredend, volgzaam, gevoelig en charmant, zo niet, van wacht hen vroeg of laat, in willekurige volgorde, een carrierstop, de wao of ontslag. Hoewel er de afgelopen decennia natuurlijk e.e.a. ten gunste is veranderd, geldt de Beauvoir's analyse in grote lijnen nog voor menig maatschappelijke sector, en ik zou durven beweren met name voor de bouw en de universitaire wereld, waarbij de filosofen dan weer de kroon spannen.
Dat is ook de boodschap die indirect uit het nieuwe Filosofen Lexicon spreekt. Ongetwijfeld met pijn in het hart en kramp in de filosofische ziel, hebben de twee redacteuren Hannah Arendt en Simone de Beauvoir wel vermeld, ondanks het nadelige feit dat ze vrouw en dus wel anders moeten zijn, en ondanks hun beider pleidooi dat de filosofie zich openstelt voor maatschappelijke en politieke kwesties en niet langer de neus ophaalt voor literatuur. Maar goed, ze staan er in, pffff, ondanks zichzelve, zullen we maar zeggen. Maar waarom achten zowel de Beauvoir als Arendt de literatuur van zulk groot belang voor het denken?

Het Franse existentialisme waartoe de Beauvoir gaat ervan uit dat de mens niet langer houvast vindt in religies of politieke ideologieen, maar op zichzelf is teruggeworpen om over de juistheid van zijn beslissingen te oordelen. De waarheid omtrent zijn bestaan kan niet langer op een algemene theorie gebaseerd worden, zoals in de klassieke metafysische traditie, maar moet als een persoonlijke opdracht aan ieder individu begrepen worden. Deze opdracht kan volgens De Beauvoir beter in literatuur, dat het bijzondere en concrete van een menselijk bestaan in al zijn facetten en tegenstrijdigheden onder de loep neemt, verbeeld worden, dan in een filosofie die wetten van algemeen geldende aard tracht te formuleren. Literatuur heeft met andere woorden een voor filosofische bezinning relevante en zelfs noodzakelijke eigen zeggingskracht. In literatuur worden de absurditeit, de zin en de zinloosheid van het menselijke bestaan, als ook de momenten van vrijheid en verantwoordelijkheid op een voor filosofen onmisbare wijze op ervaring en begrip gebracht.
Inmiddels begint deze existentialische boodschap steeds meer filosofische gelederen binnen te sijpelen, een enkele halsstarrige Lexiconsamensteller daargelaten. Let u maar eens op hoe kwistig er tegenwoordig met literaire citaten gestrooid worden; soms vormt zelfs een hele roman of toneelstuk het uitgangspunt van een filosofische beschouwing; een favoriete methode van bijvoorbeeld de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, de Franse filosofe Julia Kristeva of de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, die in Fragility of Goodness de Griekse tragedies als uitgangspunt voor haar studie over ethiek neemt. `Sommige filosofen maken zich schuldig aan een manier van schrijven die geen recht doet aan concrete menselijke ervaringen', stelt Nussbaum. `We vergeten dat we het leven nooit helemaal naar onze hand kunnen zetten, en dat ook niet moeten willen - wie te veel controle wil houden, ziet geen schoonheid meer.' Ruim vijftig jaar voor haar formuleerde Simone de Beauvoir dit al als haar nieuwe wijsgerige programma.
Tegenwoordig wordt het fenomeen van de schrijvende of in literatuur geinteresseerde filosoof zelfs ook in toenemende mate Nederland gesignaleerd, toch een land van verkavelingswoede, zuilenoorlog en territoriumdrift, een land bovendien waar het spreekwoord `schoenmaker blijf bij je eigen leest' elke dag nog wel een onverwachte uitbarsting van creativiteit naar de knoppen helpt. Wat opvalt, is dat onder deze groeiende groep van, laten we ze 'literaire filosfen' noemen, opvallend veel vrouwen zitten. Denkt u maar aan de boeken van Patricia de Martelaere, Desanne van Brederode, M. Februari, Esther Gerritsen of, zonder onbescheiden te willen zijn, van ondergetekende, waarmee wij, ieder op eigen wijze, dan toch maar mooi in de voetsporen van Madame de Beauvoir zijn getreden.
Dit heeft waarschijnlijk te maken met een zekere scepsis jegens het klassieke denken, het metafysische `systeembouwen', zoals het in elkaar timmeren van een algemeen geldige filosofie vanuit één waarheidsperspectief ook wel wat geringschattend wordt genoemd. Het beeld van de filosoof als de oude, baarddragende man die mompelend boven zijn gigantische mecanodoos hangt, heeft, vrees ik, zijn langste tijd inmiddels gehad. Simone de Beauvoir had er al niet veel mee. De vanuit 19e eeuws Duitsland, Schopenhauer en Nietsche voorop, ingezette aanval op de mecanodoos zeg maar, dus op het met veel vernuft in elkaar zetten van een uiterst complexe theorie die als universeel model kan gelden, moest volgens haar voortvarend voortgezet worden. Zoals ze in 1947 uiteenzet, wordt het belangrijkste wapen in die strijd het concept van de dubbelzinnigheid of de ambiguiteit.
De menselijke bestaanswijze is niet eenduidig, maar `dubbelzinnig'. Enerzijds is de mens een in tijd en plaats gesitueerd wezen, maar zijn ontologische vrijheid, zijn status als puur en geisoleerd bewustzijn, vormt altijd een factor op de achtergrond van zijn bestaan. Deze factor moet steeds en opnieuw geincarneerd worden, schrijft zij in `Een moraal der dubbelzinnigheid'. Dat wil zeggen steeds moeten we ons bestaan als puur en vrij bewustzijn omzetten in een relatie van lichamelijke betrokkenheid op de wereld. We kunnen op die manier nauw verbonden zijn met anderen, maar zullen nooit volledig in hen opgaan. `In zijn overschrijding naar de anderen, existeert een ieder volstrekt voor zichzelf,' schrijft ze. De menselijke conditie is kortom wezenlijk dubbelzinnig. We zijn zowel een individueel bewustzijn als verbonden met anderen. Dat verbond is bovendien niet alleen rationeel gekleurd, maar wordt juist sterk door onze emoties bepaald.
Daarom moeten ook de emoties op het denken betrokken worden, niet alleen om `ten volle mens te worden', maar ook omdat emoties een belangrijke bron van kennis en moreel handelen zijn. Waar iemand als Kant het subjectieve voelen zo ver mogelijk van de objectieve wetten voor ethisch handelen weg hield, betoogt de Beauvoir dat sommige emotionele indrukken zich zo krachtig aan ons opdringen dat ze een bevoorechtte bron van kennis en ethiek zijn. Literatuur voert ons mee in de emotionele belevingswereld van een personage, zonder de kritische waakzaamheid te verliezen die we hebben bij het lezen van een filosofische tekst. In De man zonder eigenschappen wees Robert Musil reeds op het belang van de literatuur die het niet rationele van de innerlijke gevoelswereld verkent. Voor Musil zou de `denkende schrijver' het meest in staat zijn om het puin te ruimen waaronder de ziel bedolven is (zie ook André Klukhuhns inleiding op Denkende schrijvers, 1997). De `mystiek bij klaarlichte dag' zoals Musil het schrijven over het emotionele leven typeerde, was voor hem een noodzakelijke aanvulling op `de heerszuchtige toon van de wetenschapelijke taal'. Het was zijn diepste streven om beide levensdomeinen met elkaar te verbinden en zo een `essayistisch leven' te leiden, vol `hypothethische mogelijkheidszin'.
De literatuur heeft ook meer aandacht voor het detail, het toevallige en concrete van een menselijk bestaan, meent de Beauvoir. Als je een roman leest, heb je meer oog voor wat de Grieken tuchè noemen, dat wil zeggen het toevallige of het contingente aspect van het bestaan. Ons leven wordt immers voortdurend geleid en gedwarsboomd door onvoorziene, toevallige gebeurtenissen, zodat algemene, rationele wetten alleen niet volstaan om het richting te geven. De abstracte notie die we van `het goede leven' kunnen hebben, moet telkens afhankelijk van de concrete omstandigheden nader ingevuld worden. Literaire personages als Antigone, Mrs. Dalloway of Molly Bloom kunnen ons daarbij behulpzaam zijn, omdat wij hun morele afwegingen, hun strijd tussen gevoel en verstand en hun worsteling met het lot kunnen volgen en begrijpen en zo iets leren van wat ons mogelijkerwijze zelf te wachten staat.

Romanpersonages verkrijgen op die manier `cultuurfilosofische allure', meent ook Nederlands meest fervente pleitbezorger van de literair-filosofische alliantie, Carel Peeters: `In hen balt zich iets samen dat niet te herleiden is tot handboekenkennis; zij zijn de vleesgeworden filosofie', schrijft hij in Echte kennis (1991). Literatuur maakt van de lezer een onderzoekende geest, omdat deze de kennis die in het boek verstopt zit, niet netjes voorgeschoteld krijgt. De lezer moet de in het boek verstopte ideeën zelf herkennen en volgen, moet met andere woorden een spoorzoeker worden, die zich door de verschillende lagen van het boek heen een weg zoekt, om uiteindelijk oog voor de wijsgerige dimensie van het verhaal te krijgen. Peeters vindt aldus gepresenteerde literaire kennis beter `smaken', omdat schrijvers hun gedachten in een boeiende stijl weergeven; ze hebben een `kernachtige woordkeuze' en schrijven in een vorm die zowel verleidelijk als weerbarstig is.

In `Literatuur en metafysica' schrijft de Beauvoir dat filosofen nu eenmaal de neiging hebben het menselijke bestaan in een van de individuele context geabstraheerd vertoog weer te geven. Hoe waardevol ook, daarmee zijn de subjectieve en dramatische aspecten van het menselijke bestaan nog niet geexpliciteerd. Alleen de literatuur kan de menselijke ervaring in al zijn rijkdom weergeven, omdat zij niet alleen poogt het specifieke karakter van een leven te tonen, maar ook de ambivalente en tegenstrijdige kanten daarvan. De filosofische roman geeft een onthulling van het bestaan, schrijft ze, die geen enkel equivalent kent in enige andere wijze van uitdrukken. Ze zou zich in de woorden van haar latere collega Foucault herkend hebben, die in Het debat over de roman uit 1964 opmerkt: `Wat mij, onnozele man met mijn grote filosofieklompen aan, interesseert (aan literatuur) is dat er onophoudelijk verwezen wordt naar een aantal belangrijke ervaringen, die verwijzen naar dat wat `buiten' de wil tot waarheid ligt; het zijn ervaringen die tonen wat in de logisch-rationalistische termen van de filosofie onzegbaar moest blijven omdat het zich niet op één betekenis vast liet zetten.' Literatuur is voor zowel Foucault als de Beauvoir dan ook `de verbale nerf' van dat wat zich niet omschrijven of beheersen laat.

Een filosofische roman motiveert om kritisch te blijven ten opzichte van de door filosofen gebezigde taal en visie, meent de Beauvoir, want het is een vorm van denken en schrijven die zich zo veel mogelijk in de tegenovergestelde richting van de heersende machtstrukturen beweegt. De vraag rijst inmiddels wel wat we nu toch precies onder een `filosofische roman' dienen te verstaan. Moeten daar soms docenten of studenten filosofie in komen opdraven, of bedoelt de Beauvoir met filosofische roman eigenlijk gewoon een `goede' roman, dat wil zeggen, een roman die te denken geeft, tot denken aanzet, omdat hij op overtuigende wijze de ethische dilemma's van de personages naar voren weet te brengen. En, een wellicht nog prangender vraag, is het haar zelf gelukt in die zin `filosofische' romans te schrijven? Haar literaire hoofdwerken zijn haar roman De Mandarijnen uit 1954 en haar vierdelige literaire autobiografie. Wordt hierin een moraal der dubbelzinnigheid ontvouwd? Ja, maar naar mijn idee toch niet op de manier die Simone de Beauvoir zelf voor ogen stond.
Een beetje aandachtige lezer van haar autobiografie, haar romans en haar brieven zal het met me eens moeten zijn dat de Beauvoir al te pijnlijke fases uit haar leven voor ons heeft weggelaten of opzettelijk heeft verfraaid, teneinde de mythe van haar verhouding met Sartre in stand te houden. Dat geeft te denken inderdaad, voor iemand die naar aanleiding van de Anti-Memoires van Andre Malraux opmerkte dat `de grootste leugen van een schrijver is om die dingen expres weg te laten die niet in zijn straatje van pas komen.' Laat ik hiervan een enkel voorbeeld geven. Eind 1938 ontvangt de Beauvoir een nogal pijnlijke brief van Sartre, zo blijkt uit de nagelaten correspondentie, waarin hij haar op uitvoerige beschrijvingen van zijn erotische genoegens met andere vrouwen onthaalt: `Ik heb vannacht met een donkere vrouw geslapen, vuil als de duivel, sterk geurend en warm, en merkwaardig sterk behaard. Ze heeft de mooiste billen van de wereld, werkelijk als waterdruppels, zo stevig en zwaar, enfin..., ik zou nog even door kunnen gaan, maar doe dat nu maar even niet.
Hoe leest een dame van existentialistische snit nu dergelijke erotische bekentenissen van haar partner, zo vroeg ik mij af. Hoe gaat zij om met deze misschien toch wat uitzonderlijke variant op een dubbelzinnige moraal? De bewuste periode vond ik in de zeer gedetailleerde autobiografie snel terug, en ja hoor, zelfs de dag én de brief: `Vanochtend een brief ontvangen van Sartre.' Ha, denk ik, nu komt het. `Hij schrijft mij ... dat hij eindelijk een nieuw onderwerp voor zijn roman gevonden heeft.'
Toegegeven, helemaal aan het eind van zijn erotische uitweidingen vermeldt Sartre in een post scriptum dat hij een nieuw onderwerp voor zijn boek gevonden heeft. Maar met geen woord rept de Beauvoir over dat wat er aan die opmerking vooraf ging noch welk emotioneel effect dit op haar moet hebben gehad; een toch wezenlijk onderdeel van haar filosofische kijk op literatuur. Hiermee wordt haar autobiografie toch een beetje een gemiste kans. Ook lezen we bijvoorbeeld nauwelijks iets over haar stormachtige en tragische liefdegeschiedenis met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren. Over deze meest turbulente periode uit haar leven, die mogelijk het grootste gevaar voor haar verbintenis met Sartre is geweest, vinden we nauwelijks iets in haar literaire autobiografie terug noch in de roman De Mandarijnen, waar deze liefde, zoals ze zelf heeft gezegd, model voor stond. Ze wil maar de indruk blijven wekken dat ze ook toen alles prima onder controle had. En dan begin je als lezer op gegeven moment te twijfelen.
In het derde deel geeft de Beauvoir trouwens bij voorbaat al een reactie op deze twijfel, alsof ze ook deze kritiek nog voor wilde zijn. `Waarom heb ik sommige dingen niet verteld? Waarom heb ik sommige zaken willens en wetens achtergehouden? Misschien omdat zij te persoonlijk, te gevoelig, te heilig voor de literatuur zijn.' Dat is toch wel een beetje merkwaardige uitspraak voor een schrijver. De meeste schrijvers zouden toch eerder het tegendeel beweren. Kunst ontstaat juist bij gratie van het persoonlijke, gevoelige of heilige. Dat is nu eenmaal het materiaal waarmee een schrijver bij uitstek werkt.
De vraag rijst dan ook of Simone de Beauvoir uiteindelijk niet eerder een opmerkelijke en `grote' denker dan een goede schrijver was, haar vele romans en haar nadruk op de waarde van de filosofische roman ten spijt. Het sterkste is zij in haar essays, het zwakst in haar eigen literaire werk, omdat ze te bang is daarin de controle te verliezen. Hoewel ze als filosofe de nadruk op het onbeheersbare heeft gelegd en op het zoeken en twijfelen, is ze daar als schrijfster zelf voor teruggedeinsd. Naar de reden kunnen we alleen maar gissen. Misschien houdt het verband met het feit dat zij in haar verhouding met Sartre voortdurend heeft moeten vechten voor een gelijkwaardige positie, die zij echter nooit helemaal heeft kunnen verwerven. Daarom bleef ze ervoor terugdeizen haar angsten, twijfels, onzerheden en pijn onder woorden te brengen en wilde ze perse dat haar autobiografie zou lezen als één lang succes-verhaal.
Dit alles moet ons echter niet doen vergeten dat Simone de Beauvoir als essayiste, als denker en als vrouw een voorbeeldrol heeft vervuld voor miljoenen lezers. Haar filosofische essay De tweede sekse werd in zo'n beetje alle talen van de wereld vertaald en nog altijd worden er jaarlijks congressen over deze `bijbel van het feminisme' georganiseerd. Zelf was ik er vijf jaar geleden ook een keertje bij in Parijs, toen daar de 50e verjaardag van De Tweede Sekse werd gevierd met een groot internationaal congres waar vrouwen uit de hele wereld, gesluierd en wel, vertegenwoordigd waren. Als je dat voor elkaar kunt krijgen, dat men zoveel jaren na je dood, nog de verjaardag van je boeken viert, dan zegt dat iets over de kracht van een denken wat in boekvorm tot uiting is gekomen.
Ook haar pleidooi voor een filosofie die zich meer aan de kunst, aan de literatuur gelegen laat liggen, heeft zijn vruchten afgeworpen, ik heb er hier vandaag al meerderen genoemd. Dar brengt mij bij een allerlaatste slotopmerking. Hoewel ik de door Simone de Beauvoir geinaugureerde toenaderingspogingen tussen de filosofie en de literatuur als schrijver én als filosofe van harte toejuich, lijkt het me echter ook van belang dat het verschil tussen beide disciplines in ere gehouden wordt.
Literatuur moet toch ook vooral zichzelf blijven, dat wil zeggen niet teveel uit de gereedschapskist van de filosoof willen pikken, maar de eigen stijl, verbeelding en zeggingskracht benutten om denkwerelden te ontvouwen die we nog niet kunnen zien en waarvoor de woorden nog niet gevonden zijn; de filosofie op haar beurt moet toch liever niet teveel willen gaan dichten; ik blijf de voorkeur geven aan filosofische betogen, die met heldere argumenten onderbouwd zijn en ook duidelijk positie durven kiezen en stelling durven nemen in een debat; liever dat dan de uitermate vage en suggestieve verhandelingen, die door een extreem complex stijl misschien voor literair kunnen doorgaan, maar intussen tamelijk onnavolgbaar geworden zijn. En dat kan gevaarlijk zijn, zo heeft de geschiedenis ons geleerd. Want de filosofie heeft hoe dan ook een mandaat op de rede; men verwacht van de filosofie nu eenmaal niet dat zij louter verbeelding of stijl is. Zij baseert zich op het werkelijke en wordt als zodanig ook aangeproken en ondervraagd.
Degene die de noodzaak daarvan telkens weer heeft benadrukt, is Witggenstein die met zijn scherpe onderscheid tussen zegbaar en onzegbaar een goede grenswacht tussen beide buurlanden geweest zou zijn. Het onzegbare, zowel in die zin van dat wat nog niet gezegd is, als dat waar de wetenschap (nog) geen woorden voor heeft, dit onuitspreekbare of, in Witggensteins woorden, zelfs mystieke aspect van de taal en het denken, zou de grens tussen een literaire en een filosofische tekst wellicht nog altijd kunnen belichten.
Zoals de literatuur `een absoluut' en `ongebruikt woord' ten tonele voert, zoals Mallarmé schrijft, een woord `dat vreemd is aan de taal', op weg naar nog ongeziene verten die voorbij het reeds gezegde verscholen liggen, zo dient de filosofie zich toch vooral te buigen over dat waarmee ze op dat moment geconfronteerd wordt: een bepaalde ervaring, tijdgeest of sociaal-politieke ontwikkeling. Literatuur wordt gedreven door een verlangen naar een (w)oord dat er nog niet is, is in die zin ook altijd utopisch van aard, terwijl de filosofie zich toch meer buigt over dat wat `het geval is', zoals in de Tractatus staat. Als de filosofie zich tevens meester wil maken van dit onzegbare, als deze ook het utopische verlangen van een nog te vormen wereld uit wil drukken, kan er gevaar dreigen, zoals we dit de afgelopen eeuw misschien het scherpst in het geval van Heidegger hebben kunnen waarnemen. De filosofie en de literatuur zijn aan elkaar verwant, maar ze inspireren elkaar juist omdat ze van elkaar onderscheiden zijn.
De filosoof houdt hoe dan ook meer van helderheid en rechte wegen, terwijl de schrijver juist verzot is op die schemerige, kronkelige paadjes, waarop je zo gemakkelijk kunt verdwalen. De een is geduldig en bedachtzaam, de ander vaak onrustig en gejaagd. De een wil zijn denkbeelden graag aan ons uitleggen en onthullen, de ander verstopt ze liever in een verhaallijn, een bijzonder karakter of zelfs de beschrijving van een wonderlijk maanlandschap aan zee. Grillige weerbarstigheid naast redelijke transparantie, verhulling naast onthulling. Het is voor ieder het beste als ze, in dat verschillend zijn, naast elkaar blijven bestaan. `Elke roman is een vraagstuk', schreef Simone de Beauvoir, en mag dat ook blijven, maar van de filosofie verwachten we toch meer een antwoord op de vragen die elke tijd ons opnieuw stelt.