Arti, opening Nieuwe Leden, 2006

Door Joke J. Hermsen

Geachte aanwezigen,
Ik sta hier een beetje beschroomd voor u.
En dat is niet alles.
Ik voel mij zelfs ook enigszins misplaatst, om niet te zeggen: een vreemde eend, en bovendien, alsof dat alles nog niet erg genoeg is, in ernstige mate geplaagd door gevoelens van ambiguïteit.
Wat is er dan toch aan de hand, zult u zich misschien verwonderd afvragen.
Ik zal het dan maar meteen bekennen.
Ik … ben geen beeldend kunstenaar.
En toch nieuw lid kunstenaarslid van Arti, ik geef het toe, en zelfs lid van de BC.
Voordat u nu allen in een ongetwijfeld volstrekt legitiem verontwaardigd gejoel uitbarst, zal ik proberen uit te leggen hoe dat gekomen is.
Het bestuur van Arti heeft onlangs besloten het toelatingsbeleid voor nieuwe leden te verruimen en ook schrijvers die zich aantoonbaar tot de beeldende kunst verhouden, cq daarover geschreven dan wel gepubliceerd hebben, als kunstenaarsleden te accepteren. Vandaar mijn wat onwennige aanwezigheid hier vanavond.
Dus niet het feit dat ik een aantal romans op mijn naam heb staan is van doorslaggevend belang geweest, als wel het onomstotelijke gegeven dat ik een paar essays over beeldende kunst geschreven heb en mij dus aantoonbaar in uw beroepsgroep geinteresseerd heb.
Je kunt je natuurlijk afvragen of dat laatste wel zo terecht is, aangezien je zou veronderstellen dat er juist tussen schrijvers en beeldend kunstenaars, als scheppers van primair werk, meer verwantschap en derhalve een grotere basis van vertrouwen voor het amicale delen van een sociëteit voor de geringste vergoeding zou bestaan dan tussen essayisten en kunstenaars. Want als er al een overeenkomst tussen het schrijven van teksten en het maken van beelden is, dan schuilt deze naar mijn idee toch voornamelijk in iets als een gemeenschappelijk orientatiepunt, dat wil zeggen dat grotendeels in nevelen gehulde, nauwelijks waarneembare punt aan de horizon waarop een schrijver of beeldend kunstenaar zich nu eenmaal moet richten alvorens hij of zij aan het werk slaat. Er is met dat punt iets merkwaardigs aan de hand. De omgeving ervan kan weliswaar op grond van voorkeuren in genres, tradities, disciplines, materialen en stijlen ingekleurd worden, maar het punt zelf blijft leeg, oftewel onzichtbaar. Als dat niet zo was, dan zouden we alleen maar in herhalingen of imitaties van reeds bestaande werken vervallen. En dat is wat we, alle postmoderne excercities ten spijt, toch niet echt nastreven. We kunnen voortborduren op bestaand werk, of dit op speelse wijze mimen, parodieren desnoods, maar we willen er geen pure kopie van maken, en dus zal er uiteindelijk op dat lege punt iets nieuws moeten verschijnen. En geen tweede, derde of vierde Dumas, Appel, Reve of Hermans.
De schrijver en kunstenaar richt zich met andere woorden op het afwezige, en daarin schuilt misschien wel het grootste verschil met de kunstminnende schrijver die zich in zijn essays juist richt op reeds aanwezig werk van anderen en daarover schrijft, maar zich juist daarom, en paradoxaal genoeg, toch als kunstenaarslid van de besloten kring van Arti mag rekenen.
Nou ja, het is een complex vraagstuk, zullen we maar zeggen, die van de toelating van andere kunstenaars dan beeldende kunstenaars en het laatste woord zal hierover vanavond zeker niet over gesproken zijn. Ik zou er wellicht voor willen pleiten om schrijvers, met een aantoonbare interesse voor beeldende kunst, toe te laten, maar wie ben ik? Ik begrijp ook wel dat dit een niet geringe revolte binnen de bestuursgelederen teweeg zou kunnen brengen en dat men wellicht ook vreest voor de gigantische toestroom en chaos die deze, immers om zijn drankgelag bekend staande beroepsgroep in de doorgaans zo kalme societeit teweeg zou brengen. Bovendien, waar houdt het dan op? Voor je het weet, staan dan ook de componisten, de theaterregisseurs en de architecten te dringen bij de poorten van dit vermeende kunstzinnige Walhalla, en in hun kielzog de door De kring uitgespuwde talkshowbabes van Talpa? Maar of het werkelijk zo’n vaasrt zou lopen en of zelfs dat werkelijk zo erg zou zijn?
Maar goed, ik kom hier pas net kijken, en zal me voorlopig, in het gezelschap van een paar andere schrijvers, zo gedeisd mogelijk houden en het toch tamelijk exclusieve voorrecht kunstenaarslid van ARTI te mogen zijn op zijn ultieme waarde proberen te schatten.
De afgelopen tijd heb ik, en anderen die zich mijn lot aantrokken, gebogen over de mogelijkheid mijn werk hier dan toch op enigszins artistiek beeldende wijze te presenteren. Van een ingenieus leesinfuus tot een gestapeld bouwwerk van mijn boeken, en nog vele andere opties passeerden de revue, maar ik heb er toch maar van afgezien. Schrijvers die voor kunstenaar gaan spelen, is misschien wel het laatste waar u en ik op zitten te wachten. Net zoals het omgekeerde waarschijnlijk ook niet bij voorbaat wenselijk zou zijn. Ik las onlangs bij toeval nog wat de Duitse dichter Rilke daarover in zijn tekst over de schrijvende Cezanne bijvoorbeeld te melden heeft. Ondanks zijn enorme liefde voor de beeldende kunst, was Rilke ervan overtuigd dat schilders niet over hun werk moesten schrijven. Ik citeer een brief van precies 100 jaar geleden: Een schrijvende schilder, dus een die geen schilder was, (let op de terloopse toevoeging…) heeft Cezanne er met zijn brieven toe overgehaald schilderkunstige aangelegenheden in woorden uit te drukken. Maar hoezeer is het, wanneer men de paar brieven van de oude man ziet, bij een onbeholpen, voor hemzelf uiterst weerzinwekkende aanzet tot uitspreken gebleven. Bijna niets kon hij zeggen. De zinnen waarin hij het probeerde, worden lang, raken verwikkeld, stribbelen tegen, er komen knopen in, en uiteindelijk laat hij ze liggen, buiten zichzelf van woede…’ Nu heb ik zelf in het verleden wel eens een paar bevriende schilders geholpen bij het schrijven van een aanvraag voor een stipendium bij het Fonds en inderdaad getuige moge zijn van dergelijke frustraties en woedeuitbarstingen, maar er zijn natuurlijk ook vele uitzonderingen. We hoeven alleen maar te denken aan de brieven van Van Gogh, Mondriaan of Nicolas de Stael, om dat in te zien. Maar Rilke had ongetwijfeld gelijk dat je een beeldend kunstenaar of een schrijver niet moet dwingen het gereedschap van de andere discipline te gebruiken.
Om dus niet in eenzelfde vertwijfelde woedeuitbarsting van Cezanne te geraken, heb ik het vandaag dus maar bij een wat oubollig stapeltje boeken op een glasplaat gelaten. Dat neemt natuurlijk allemaal niet weg dat ik op uitnodiging van Arti de komende tijd zal proberen de banden tussen literatuur en beeldende kunst meer aan te halen. Samen met enkele andere leden van de commissie zinspelen we op nauwere samenwerkingverbanden tussen literatuur en beeldende kunst, in de vorm van avonden over bijvoorbeeld poezie en kunst, of exposities waarin beide disciplines vertegenwoordigd zijn. Arti zal hier overigens niet het eerste of enige podium voor zijn. Steeds vaker worden schrijvers en beeldend kunstenaars uitgenodigd samen een project of programma te verzorgen. Over twee weken zal in de Balie in Amsterdam bijvoorbeeld een avondvullend programma onder de titel Meer dan Woorden over beeldtaal en dichttaal gehouden worden. Er is onder meer aan een aantal vooraanstaande dichters gevraagd de foto’s van Cartier-Bresson, van wie onlangs een schitterende overzichtscatalogus verscheen, als inspiratiebron voor nieuw werk te gebruiken. Maar ook zal bijvoorbeeld een dubbeltalent als Maria Barnas, en daarvan hebben we er nogal wat in Nederland, een samenspel van dicht- en beeldtaal presenteren.
Ik kan het ten slotte niet laten u alvast een klein voorproefje van een dergelijke co-habitatie voor te schotelen. De afgelopen dagen gingen alle bundels die in aanmerking komen voor de VSB poezieprijs van 2006 door mijn handen en bij sommige gedichten schoot er dan plotseling een beeld van sommige werken die ik hier begin van deze week heb helpen ophangen voor de regels. Dat gebeurde onder meer bij het volgende gedicht van de Vlaamse dichter Roland Jooris, uit de bundel Als het dicht klapt. Het gaat als volgt, en ik zal u niet meteen verklappen aan welk hier gepresenteerd werk dat mij meteen deed denken.
Verzadiging verkleurt
In het verschalen van bordeaux, in het bezinken
Dat de geest ontledigt,
Gerucht ligt als een plank in zijn gemijmer los,
Wat invalt, verkorrelt, wat tikt, beklijft
Wat wegstapt, sterft vertraagd in zijn gehoorgang uit,
Diep tot in het niet-zijn van de tijd.

Misschien heeft u het al geraden, maar het was het foto-drieluik van Paula van Ameijde dat bij deze regels om de hoek kwam schuiven. (Gerda Kruimer?)

Nog eentje? Ten slotte?
Het is een gedicht van de jonge, Nederlandse dichteres Rosalie Hirs, uit de bundel Speling, en het heet: tovenaar

Maar wat is waar, mijn wereld,
En hoe waar is waar de jouwe was?
Toen ik de kleurplaat nam,
Het licht haar glasfiguren leven in zag blazen,
Was jij: tovenaar, lantaarn. Toen ik als
Koude ijsbloem in je oograam lag,
Was alles uit het beeld gelicht
Juist waar je me zag. Gegrift het
Fijne lichaam – door de lens op
Scherp, je netvlies thuisgebracht.

Nee, dit gedicht herinnerde me niet aan glasfiguren, want die hebben we op deze expo niet, maar ook aan foto’s, zes nog wel, van Popel Courmou.

Dan rest mij alleen nog de nieuwe leden namens de commissie van harte welkom te heten, ik hoop dat jullie tevreden zijn over de wijze waarop jullie werk is opgehangen, zo niet, kom je dan terstond bij mij beklagen; hoewel ik met veel plezier geholpen heb deze expositie onder de bezielende begeleiding van Claus, Valentijn en Jaap, mede in te richten, en hun aanmoedigende commentaar nog altijd in mijn oren nagalmt: `je kunt het!’, `je leert het wel’, neem ik uiteraard de volle verantwoordelijkheid op me voor elke misstap die ik vanwege mijn niet beeldende achtergrond heb mogen begaan. Ik vraag, met Rilke, alleen om daarover niet meteen buiten jezelf van woede te geraken. Mochten jullie verder nog suggesties hebben voor projekten over beeldende kunst en literatuur, aarzel dan niet deze aan mij te vertellen. Een fijne avond nog toegewenst.