Lezing over Hannah Arendt, Amartya Sen en de Nederlandse politiek.

lezing ISVW 2004

Het behoeft niet veel verbeelding om in Plato's vergelijking van de grot een allegorie op de moderne mens aan het begin van de 21e eeuw te zien, zo betoogde ik enkele jaren geleden in een essay over de morele staat van Nederland. Plato's grotbewoners zijn met boeien aan hoofd en handen vastgeketend aan een muur, zodat `zij alleen maar voor zich uit kunnen kijken', dat wil zeggen, naar de wand van de grot tegenover hen. Achter hen in de verte brandt een vuur. Tussen het vuur en de grotbewoners in loopt een weg, waarlangs een muurtje is opgetrokken. Langs dat muurtje lopen wezens met allerlei beelden en voorwerpen die boven het muurtje uitsteken. Het vuur werpt schaduwen van die afbeeldingen op de wand voor de geboeiden.
De grotbewoners houden de schaduwen op de wand voor de werkelijkheid, omdat zij niet op of om kunnen kijken en niet in staat zijn om achter zich het muurtje, de voorwerpen en het vuur te ontdekken. Volgens Plato zouden ze de schittering van het vuur niet eens kunnen verdragen noch de boven het muurtje getoonde voorwerpen kunnen begrijpen. De grotbewoners kijken zwijgend voor zich uit; zij zien immers allemaal hetzelfde. Hun overeenkomstige perceptie van de werkelijkheid heeft de verschillen tussen hen uitgewist en dat is de oorzaak van hun zwijgzaamheid. Als er geen verschillen zijn, is er immers niets om over te spreken. Dus zwijgen ze en staren ze en vergeten ze zelfs de mogelijkheid om zich van de boeien te bevrijden. Ze turen maar en turen maar naar het spel van schaduwen dat voor hen op de grotwand geprojecteerd wordt.
Er is niet veel verbeelding voor nodig van de grotwand een groot beeldbuisscherm te maken en in de grotbewoner een moderne televisiekijker te zien. De houding is vrijwel hetzelfde, roerloos en zwijgzaam vastgeketend op de bank, en de perceptie van de beelden is ook overeenkomstig; maar al te vaak houden we de geprojecteerde schijn voor de werkelijkheid.
Plato schildert zijn grotbewoners af als `bevroren wezens', die niet in staat zijn te communiceren of te handelen. In haar commentaar op de grotallegorie van Plato laat de filosofe Hannah Arendt zien dat juist de twee meest significante menselijke activiteiten, spreken en handelen, (lexis en praxis), bij deze grotbewoners ontbreken. De vraag rijst bij haar of we dan nog wel van mensen kunnen spreken. In mijn boek Heimwee naar de mens ga ik hier uitvoerig op in, mar ik zal hier vanmiddag in het kort de gevolgen proberen te schetsen van de teloorgang van het politieke domein. Voor Arendt staat in ieder geval vast dat de moderne grotbewoners buiten het politieke domein vallen. Daarmee bedoelt ze dat de moderne massamens zo vervreemd is van de twee activiteiten die het menszijn bij uitstek uitmaken, de handeling en het woord, dat hij nauwelijks meer een eigen standpunt naar voren kan brengen. Hij kan zich daarom ook nauwelijks meer van anderen onderscheiden, kan niet onthullen wie hij of zij is, dat wil zeggen uitdrukking te geven aan de specifieke uniciteit van zijn of haar bestaan. De moderne massamens wordt al zwijgende en starende tot één soort, tot één en hetzelfde wezen gereduceerd, dat gemakkelijk te manipuleren is en nauwelijks verzet biedt of protest laat horen. De wereld van de moderne grotbewoners wordt niet meer gedragen door verschillen van mening, van cultuur, van verlangen, terwijl juist die verschillen een dam kunnen opwerpen tegen uitsluiting, onderdrukking en machtsmisbruik. Het is een wereld die haaks staat op wat Hannah Arendt voor ogen had. Zij probeerde keer op keer het politieke domein, waar een belangeloze vorm van handelen en spreken de boventoon voeren, op de agenda te krijgen. Als we om ons heen kijken, kunnen we alleen maar vaststellen dat we verder en verder van dit politieke ideaal verwijderd raken.

Ook de manier waarop in Nederland politiek bedreven wordt dreigt deze nieuwe status van grotbewoner alleen maar te bevestigen. De kiezers worden immers zelden geprikkeld aan politieke debatten deel te nemen, of deze zelfs maar te volgen, ze krijgen nauwelijks politieke of morele afwegingen van belnagrijke beslissingen te horen; langdurige debatten over inhoudelijk verschillende, politieke standpunten zijn sowieso een zeldzaamheid in Nederland geworden. Dit versluiert niet alleen de intrinsieke verdeeldheid van een democratie, maar ontkent feitelijk dat een democratie bestaat bij gratie van een zekere onophefbaarheid van politieke en sociale verschillen. Want juist die verschillen maken een democratie tot een dynamische samenlevingsvorm. Dat bedoelt de Franse politiek-filosoof Claude Lefort als hij stelt dat een democratie de institutionalisering van conflicten tussen verschillende groeperingen is. De democratie leeft als het ware van dat conflict: het is haar bron van energie en vernieuwing.
Deze verschillen worden in politiek Den Haag zo veel mogelijk gladgestreken. Daardoor wordt niet alleen de veelheid of de pluraliteit van de democratie naar de achtergrond verschoven, maar wordt ook de politieke betrokkenheid van de burgers op het spel gezet. De kiezers herkennen zich niet in de bij de onderlinge partijen bereikte compromissen; ze kunnen zich alleen neerleggen bij de veronderstelde redelijkheid ervan. Ze worden bovendien niet geprikkeld een eigen oordeel te vormen en halen ten slotte hun schouders maar op. Waarover zouden ze zich nog druk maken? Dit murw maken van de publieke opinie leidt niet alleen tot politieke onverschilligheid, maar dooft ook het kritische denkvermogen.

Een regering die het debat mijdt en de zaken binnenskamers regelt, legt drijfzand onder de democratie, omdat het de politieke betrokkenheid van de burgers ondermijnt. Ze zou daar extra waakzaam op moeten zijn, juist omdat de representatieve democratie an sich de neiging heeft het politieke debat te omzeilen. Men kiest op grond van een vooraf geformuleerd partijprogramma de volksvertegnwoordigers van de verschillende partijen en laat deze na de verkiezingen aan de slag gaan om zoveel mogelijk punten van dat programma in het regeerakkoord verwoord te krijgen. Het is een systeem dat tot onderhandelen aanzet in plaats van tot debatteren. Het is een ruilsysteem; jij krijgt dat plannetje op onderwijs, als ik die belastingmaatregel op financiën in mag voeren. De kiezers zijn van deze onderhandelingen uitgesloten. Lezen er hooguit over in de krant, maar zijn zelden getuige van inhoudelijke debatten. Vaak ook worden alle mogelijke kwesties tot economische vraagstukken teruggebracht. De vraag of er wel geld voor is overheerst de vraag of het moreel en politiek gezien een goed plan is.
Juist vanwege die zwakke plek van de representatieve democratie zouden politici er mijns inziens op gespitst moeten zijn ruimte in te voegen voor het openbare debat, niet alleen om verantwoording af te leggen van hun eigen politieke standpunt maar vooral ook om de politieke betrokkenheid van de burgers te stimuleren, zodat zij niet tot zwijgend toekijkende grotbewoners verworden, met alle sociale gevolgen van dien. Dat dit echter zelden gebeurt, zelfs niet als het om belangrijke ethische vraagstukken gaat, is een teken aan de wand, om nog maar even in Platos' metaforiek te blijven.

De Nederlandse vorm van politiek behelst uiteindelijk niet veel meer dan het voeren van een economisch huishouden. Zowel de politieke arena van Den Haag als het politieke bewustzijn van de burgers wordt hiermee zodanig afgezwakt dat er bijna een politiek vacuum ontstaat. Hoe kan daar verandering in gebracht worden? Wat zou het politieke debat in Nederland een zetje kunnen geven?

Zonder hier de discussie over de voor- en nadelen van het raadgevend of correctief referendum de revue te laten passeren, kan toch op zijn minst gesteld worden dat dit een van de politieke instrumenten bij uitstek is om een belangrijke impuls te geven aan zowel de betrokkenheid van burgers als aan de instandhouding van het politieke debat in Nederland. Als het referendum een mogelijkheid is om het politieke bewustzijn van de burgers te reactiveren en een nieuwe impuls aan openbare debatten te geven, dan kan een ieder die het principe van de democratie serieus neemt, hier eigenlijk niet omheen. Maar ook het raadgevende referendum zal per 1` januari worden afgeschaft. Het gebeurt bijna geruisloos. Zonder enige vorm van debat, zonder nadere toelichting, een paar stukjes in de krant, meer niet. En dat terwijl D 66 in de regering zit. Waarschijnlijk is het referendum simpelweg verruild tegen het gekozen burgermeesterschap. Maar wat is belangrijker voor het politieke debat? Een gekozen burgermeester of het actief willen betrekken van de burgers bij belangrijke vraagstukken van deze tijd. Of dit nu milieuvragen zijn, of deelname aan Amerikaanse oorlogen, het euthanasievraagstuk, orgaantransplantatie of boren in de waddenzee, het gaat erom dat de kiezers zich mede verantwoordelijk voelen voor de politieke keuzen die er gemaakt worden en dat zij, zelfs op deze bescheiden wijze, deelnemen aan het politieke domein.

Het voortbestaan van een gemeenschappelijk, politiek domein is voor Hannah Arendt van levensbelang voor een democratie. Het is namelijk het enige domein waar een formele vorm van gelijkheid kan heersen: elk standpunt is er een van de velen en net zo veel waard als dat van de anderen, terwijl tegelijkertijd de onderlinge verschillen niet opgeheven hoeven te worden. Het politieke domein is in die zin de enige plek waar vrijheid gerealiseerd kan worden. Een vrijheid waarbinnen de burgers hun gemeenschappelijke geschiedenis samen vorm kunnen geven.

Als er een les is die uit Hannah Arendts analyse van totalitaire systemen geleerd kan worden, is het wel dat elke democratie er enerzijds voor moet zorgen dat er een grote mate van pluraliteit in de samenleving bestaat en anderzijds dat alle burgers zodanig betrokken moeten zijn bij de politieke gang van zaken dat zij zich een kritisch oordeel kunnen en willen aanmeten. Net als het denken bestaat ook een democratie bij gratie van het debat over verschillen van inzicht, achtergrond en cultuur. De belangrijkste politieke taak van een democratische regering is derhalve om alle burgers bij dat debat te betrekken, hen aan te sporen tot eigen oordeelsvorming en hen zo niet alleen betrokken maar ook medeverantwoordelijk te maken voor wat erin het land gebeurt. Wat is hier meer mee in tegenspraak dan het zomaar klakkeloos afschaffen van het referendum, dat niet alleen tot kritisch denken aanspoort, maar ook inhoudelijke debatten tussen de verschillende partijen ontlokt?
Arendt is overigens niet de enige filosoof die op het belang van het politieke debat wijst. In zijn boek Vrijheid is vooruitgang stelt de Indiase econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen dat het meten van de economische groei per hoofd van de bevolking een te smalle basis is om de welvaart van een maatschappij te beoordelen. Het is veel belangrijker om te kijken naar de mate waarin mensen vrij zijn om hun leven naar hun eigen wensen en verlangens in te richten. Hij spreekt over `de vormende rol van politieke vrijheid', die tegelijk voorwaarde en resultaat is van alle vooruitgang en welvaart die de mens in de loop van de geschiedenis heeft gerealiseerd.
Een van de opmerkelijkste kanten aan zijn denken is dat Sen die politieke vrijheid ook betrekt op zijn analyses van armoede in de derde-wereldlanden. Door politieke vrijheid als eerste voorwaarde van een menswaardig bestaan te beschouwen, kan hij armoede definiëren als een gebrek aan vrijheid. Een van zijn beroemdste uitspraken is dat democratieën nooit een hongersnood hebben gekend. De politici in een democratische samenleving zijn zozeer afhankelijk van het mandaat van hun kiezers dat ze wel adequaat moeten ingrijpen als er voedseltekorten dreigen. Politieke vrijheid en betrokkenheid zijn niet alleen de beste garantie voor een nauwkeurige controle van de machthebbers, maar ook de effectiefste bestrijders van armoede.
De democratie leeft bij gratie van `de deelname van het publiek aan politieke debatten van waardenbepaling' (p. 110), stelt Sen. Debat, kritiek, afwijkende meningen en het activisme van oppositiepartijen zijn volgens hem een belangrijke kracht van de democratie, maar moeten niet als mechanische instrumenten beschouwd worden. `Hoe we deze gebruiken, wordt bepaald door de mate waarin en de manier waarop we de kansen van meningsuiting en medezeggenschap aangrijpen' (155). Conflicterende meningen, oppositiepartijen en andere dissidente geluiden spelen daarbij een vitale rol. Niet alleen is de kracht van openbare discussie een uitvloeisel van democratie, schrijft Sen, `maar als deze discussie wordt gecultiveerd, functioneert de democratie ook beter'. Bij wijze van voorbeeld stelt hij vervolgens dat een `niet gemarginaliseerde discussie over milieuzaken niet alleen goed is voor het milieu, maar ook heel belangrijk voor het functioneren van het democratische systeem zelf'.

Het aansporen en stimuleren van debat vormt dus een van de hoofdtaken van een democratische regering. En ook ervoor zorg te dragen dat zoveel mogelijk groepen zich binnen het openbare domein hun mening kunnen uitdragen. Dat is iets anders dan hen van bovenaf een normen en waarden besef opleggen. Arendt noemde het politieke domein wel een tussenruimte, omdat deze vrijheid pas ontstaat tussen mensen die vrijelijk met elkaar van gedachten wisselen en wier mening of positie niet bij voorbaat tot een compromis wordt omgebogen. De steeds luider wordende roep tot volledige assimilatie van de allochtone culturen, die onze normen en waarden als een kant en klaar pakketje in zijn geheel zouden moeten overnemen, lijkt me een ander voorbeeld van niet Arendtiaanse politiek. Er wordt immers zonder schroom gepleit voor `assimilatie zonder behoud van de eigen identiteit', omdat `onze normen en waarden ononderhandelbaar' zouden zijn. Blijkbaar gaat men ervan uit dat `onze normen en waarden' van tevoren al vaststaan. Over wiens normen en waarden het hier gaat, blijft daarbij onduidelijk. Zijn het die van de auteur zelf, of die van mij, of die van mijn reactionaire buurman? De gedachte dat er binnen onze maatschappij een duidelijke consensus zou bestaan over alle normen en waarden, gaat voorbij aan het feit dat verschillen de peilers van een democratie zijn en moeten blijven, wil deze democratie niet verstarren tot een monolitisch blok, waarbinnen één groep alle anderen overheerst.
Ten slotte moeten we ook de graagte wantrouwen waarmee de multiculturele samenleving failliet wordt verklaard. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat de aanpassing van buitenlanders aan onze cultuur en moderne levensstijl vele malen sneller gaat dan de ontwikkeling van het verpauperde proletariaat tot een stedelijke middenklasse in de twintigste eeuw. Recent onderzoek wijst uit dat de sociale progressie die immigranten per generatie maken enorm groot is. En voor een beoordeling van de multiculturele samenleving moeten we naar die ontwikkeling kijken, niet naar een dwarsdoorsnede van een bepaald moment.

Hannah Arendt leert dat de grootste bedreiging van de democratie het onverschillig en murw maken is van grote groepen van de bevolking, het uitschakelen van het eigen politieke denk- en oordeelsvermogen en het bevoordelen van één specifieke groep of ras. In plaats van aanvallen uit te voeren op de culturele identiteit van bepaalde bevolkingsgroepen moeten wij er zorg voor dragen dat mensen uit niet-Nederlandse culturen de kans krijgen toe te treden tot het openbare en politieke domein met behoud van de eigen identiteit. Dan zijn ze meer dan arbeidskrachten alleen en kunnen zij hun standpunten kenbaar maken en tonen wie ze zijn. Binnen een sfeer van formele gelijkheid, die een volwassen democratie moet garanderen, kan dan een dialoog over normen en waarden ontstaan die onze samenleving nodig heeft om zich te vernieuwen. In het vertellen van dit nooit voltooide en altijd weer veranderende verhaal kan een ieder van zijn of haar specifieke bijzonderheid getuigen: die heel unieke mengeling van afkomst, geschiedenis, overtuigingen, verlangens en idealen. Hierdoor wordt niet langer één bepaalde vorm van subjectiviteit of één bepaalde set normen en waarden in een samenleving tot de norm verheven, maar kunnen er verschillende standpunten, geschiedenissen en meningen naast elkaar voorbestaan; dat laatste is voor Arendt een voorwaarde voor democratie.
Door zich politiek uit te spreken verschijnen mensen als unieke personen aan elkaar. Aan bepaalde groepen de mogelijkheid ontnemen om hun eigen verhaal, geschiedenis of cultuur in hun politieke handelen en spreken te betrekken, betekent deze groepen beletten als unieke en overwisselbare personen naar voren te treden. En dat ontneemt hun de kans om een eigen vitale cultuur te ontwikkelen, met als gevolg niet alleen de sociale achterstand en gevoelens van krenking van die bevolkingsgroepen, maar ook de bedreiging van het democratisch bestel.
Dit voorbeeld maakt duidelijk hoezeer voor Arendt pluraliteit verbonden is met verschil. Want hoewel pluraliteit door haar vaak wordt begrepen als pluraliteit van meningen of oordelen, begrijpt ze haar ook als pluraliteit van afstammingen, van situaties en van individuele of collectieve inschrijvingen. Want `in hun uiterste diversiteit en verschil, in hun verwarrende verscheidenheid en verbluffende onderlinge vreemdheid, vormen de geschiedenissen van de verschilledne volkeren alleen voor een verschrikkelijk oppervlakkige eenheid een hindernis... Alles lijkt af te hangen van de mogelijkheid om de nationale geschiedenissen, in hun oorspronkelijke verscheidenheid, met elkaar te laten communiceren, wat de enige manier is om het hoofd te bieden aan het wereldomspannende communicatiesysteem dat het oppervlak van de aarde bedekt.' (1968: 87)
Het kenmerk van het politieke domein is dat het de uitwisseling van en het respect voor die verschillen waarborgt in een gemeenschappelijke, territoriale maar vooral juridische ruimte, wat niet alleen krachtens de wet wordt mogelijk gemaakt, maar een onophoudelijke dialoog vereist.

Denken is volgens Arendt, als het goed is, altijd `representatief denken', dat wil zeggen het door middel van ons verbeeldings- en inlevingsvermogen tegenwoordig stellen van de mogelijke standpunten van anderen. Hoe meer standpunten iemand zich kan voorstellen, des te groter het vermogen tot representatief denken. De aanwezigheid van anderen, is voor Arendt precies de voorwaarde voor de vorm van denken die haar voor ogen staat. Ze noemt dat denken met een `enlarged mentality', een verbreed bewustzijn. Dit vermogen om je, kort gezegd, in een ander te verplaatsen, staat haaks op het totalitaire denken, dat de meningen en standpunten van anderen juist bij voorbaat uitsluit.
Denken, zo zouden we de filosofie van Arendt kort kunnen samenvatten, kan alleen op grond van verschil. Het denkproces komt pas in beweging als het eigen standpunt als het ware door een ander standpunt wordt uitgedaagd of in twijfel getrokken. De voorwaarde voor het denkproces is het onderling kunnen en mogen verschillen van mensen. Zonder deze verschillen stokt het denken. En als het denken stokt, verdwijnt ook het oordeelsvermogen en, belangrijker nog, de democratie. Pas als een democratie pluriformiteit inaugureert en garandeert, dat wil zeggen het recht geeft aan mensen en bevolkingsgroepen om te verschillen en van deze verschillen te getuigen, is ze de schutspatrone van de vrijheid. Het gaat dan niet in de eerste plaats om een handelingsvrijheid, maar om de mogelijkheid om in het openbaar te laten zien waar je voor staat. Het politieke domein is de enige plek waar deze vorm van vrijheid gepraktiseerd kan worden.

Ze noemt dat denken met een enlarged mentality, een verbreed bewustzijn. Deze vorm van denken, een denken dat steeds de standpunten van anderen bij de eigen oordeelsvorming betrekt staat haaks op het totalitaire denken, dat de meningen en standpunten van anderen bij voorbaat negeert. Denken is voor Arendt altijd representatief denken, dat wil zeggen dat we geacht worden ons de mogelijke standpunten van anderen voor te stellen door middel van ons verbeeldings- en inlevingsvermogen. Hoe meer standpunten iemand zich kan voorstellen, des te groter het vermogen tot representatief denken.

Zowel de democratie als het denken zijn volgens Hannah Arendt geënt op verschil. Ook het denkproces komt pas in beweging als het eigen standpunt door een andere mening uitgedaagd of in twijfel getrokken wordt. Voorwaarde voor zowel de democratie als het denken is het onderling kunnen en mogen verschillen van mensen. Zonder deze pluraliteit stokt het denken. En als het denken stokt, stokt ook het politieke oordeelsvermogen. Het is de taak van politici er enerzijds voor te zorgen dat de pluraliteit van de samenleving op het politieke toneel zichtbaar wordt en anderzijds de burgers betrokkenheid te laten voelen bij de politieke gang van zaken en hen tot eigen oordeelsvorming aan te zetten.
De Oostenrijkse filosoof Oliver Marchart stelt, in navolging van Arendt, dat elk democratisch systeem `moet vasthouden aan de noodzaak van conflicten en meningsverschillen' en elke `verdoezeling van tegenstellingen' door middel van een `op patriotistische wijze de rijen sluiten' als anti-democratisch moet ontmaskeren. Een democratisch systeem moet openbare fora oprichten, waar ruimte gegeven wordt aan `conflictueuze debatten', zodat er een vorm van politieke openbaarheid ontstaat, die de democratie nieuwe impulsen kan geven.
In het politieke handelen en spreken tonen mensen wie ze zijn, verschijnen ze als unieke personen aan elkaar. Dit verschijnen in de openbaarheid constitueert ook volgens Hannah Arendt hun wereld als publieke en gemeenschappelijke wereld. Handelen betekent in de meest algemene zin initiatief nemen, beginnen, of iets in beweging zetten. Zonder een dergelijk handelen of spreken, waarin de onderlinge verschillen getoond worden, glijdt de samenleving af naar een technocratie of erger, naar een totaliserende samenleving.

De allochtone bevolking bij voorbaat de mogelijkheid onthouden hun eigen verhaal, geschiedenis of cultuur in dit handelen en spreken te betrekken, zoals in de leuze volledige assimilatie naar voren komt, betekent deze groepen beletten als unieke en overwisselbare personen naar voren te treden. En dat dat gelijk staat met gevangenschap en zelfs met sterven, maakt Hannah Arendt ons opnieuw duidelijk: `Alle menselijke activiteiten zijn geconditioneerd door het feit van de menselijke pluraliteit, het feit dat niet één mens, maar mensen in het meervoud de aarde bewonen en op een of andere manier samenleven. Met name het handelen en spreken houden specifiek verband met het feit dat leven altijd betekent: tussen mensen leven. Het handelen, met al zijn onzekerheden, herinnert ons altijd opnieuw aan het feit dat mensen niet geboren zijn om te sterven, maar om iets nieuws te beginnen. Met de schepping van de mens kwam het principe van het beginnen in de wereld - wat slechts een andere manier is om te zeggen dat met de schepping van de mens het principe van de vrijheid op aarde verschenen is'.

De multi-culturele samenleving heeft waarschijnlijk meer kans van slagen als irreële angsten bezworen worden en er een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de wereld komt, waarbij een ieder wordt uitgenodigd om, op welke wijze dan ook, deel te nemen aan een openbaar gesprek over die wereld. In Hannah Arendts visie betekent dit niet anders dan een ieder uit te nodigen `mens te zijn.' In Over menselijkheid in donkere tijden (1959) schreef ze: `Want menselijk is de wereld niet omdat ze door mensen vervaardigd is, maar ze wordt pas menselijk als ze voorwerp van gesprek is. Pas als we erover spreken, vermenselijken wij zowel wat zich in de wereld als wat zich in onszelf afspeelt, en door dit spreken leren we menselijk te zijn.' Daarom is het van zo'n groot belang ervoor te zorgen dat iedereen aan die openbare debatten deel kan nemen.

In de geschiedenis zijn er vaker tijden geweest, waarin de openbare sfeer dermate verduisterde dat de mensen zich alleen nog om hun eigen levensbelangen bekommerden, geen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de wereld meer voelden en de openbare sfeer van de politiek en het bestuur minachtten. Het is de vraag of we thans weer in dergelijke `donkere tijden' terecht zijn gekomen; nationalisme, onverdraagzaamheid en xenofobie steken op meerdere plaatsen de kop op, de minachting voor de politiek en de publieke ruimte is groot en de verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid op de wereld gering.
In Over menselijkheid in donkere tijden waarschuwt Hannah Arendt voor de dreiging van wereldloosheid die ons in dergelijke tijden boven het hoofd hangt: `het is een angstwekkend wegkwijnen van alle organen waarmee wij op de wereld gericht zijn - te beginnen met de gemeenschapszin en het gezond mensenverstand, waarmee we ons in de gemeenschappelijke wereld oriënteren, tot onze zin voor schoonheid of onze smaak, waarmee we de wereld liefhebben.' Een dergelijke wereldloosheid leidt volgens Arendt bijna altijd tot barbarij en ontmenselijkte menselijkheid. Voor haar gaat het erom hoe we kunnen voorkomen `dat menselijkheid een frase of een hersenschim wordt.'
De grootste dreiging hiervoor is volgens Arendt, naast verslechterende sociaal-economische omstandigheden, het onverschillig en murw maken van grote groepen van de bevolking, waardoor deze hun gemeenschapszin verliezen, het ontmoedigen van kritische denkwijzen en culturele uitingen in de openbare ruimte en het bevoordelen van specifieke bevolkingsgroepen. Het zonder enige vorm van debat afschaffen van het referendum kan alleen als een ontmoediging van kritische denkwijzen gezien worden. Ik stel dan ook voor dat we in ieder geval een referendum over het afschaffen van het referendum houden. Dat lijkt me toch het minste.