Lezing
over Hannah Arendt, Amartya Sen en de Nederlandse politiek.
lezing
ISVW 2004
Het behoeft
niet veel verbeelding om in Plato's vergelijking van de grot een allegorie
op de moderne mens aan het begin van de 21e eeuw te zien, zo betoogde
ik enkele jaren geleden in een essay over de morele staat van Nederland.
Plato's grotbewoners zijn met boeien aan hoofd en handen vastgeketend
aan een muur, zodat `zij alleen maar voor zich uit kunnen kijken', dat
wil zeggen, naar de wand van de grot tegenover hen. Achter hen in de
verte brandt een vuur. Tussen het vuur en de grotbewoners in loopt een
weg, waarlangs een muurtje is opgetrokken. Langs dat muurtje lopen wezens
met allerlei beelden en voorwerpen die boven het muurtje uitsteken.
Het vuur werpt schaduwen van die afbeeldingen op de wand voor de geboeiden.
De grotbewoners houden de schaduwen op de wand voor de werkelijkheid,
omdat zij niet op of om kunnen kijken en niet in staat zijn om achter
zich het muurtje, de voorwerpen en het vuur te ontdekken. Volgens Plato
zouden ze de schittering van het vuur niet eens kunnen verdragen noch
de boven het muurtje getoonde voorwerpen kunnen begrijpen. De grotbewoners
kijken zwijgend voor zich uit; zij zien immers allemaal hetzelfde. Hun
overeenkomstige perceptie van de werkelijkheid heeft de verschillen
tussen hen uitgewist en dat is de oorzaak van hun zwijgzaamheid. Als
er geen verschillen zijn, is er immers niets om over te spreken. Dus
zwijgen ze en staren ze en vergeten ze zelfs de mogelijkheid om zich
van de boeien te bevrijden. Ze turen maar en turen maar naar het spel
van schaduwen dat voor hen op de grotwand geprojecteerd wordt.
Er is niet veel verbeelding voor nodig van de grotwand een groot beeldbuisscherm
te maken en in de grotbewoner een moderne televisiekijker te zien. De
houding is vrijwel hetzelfde, roerloos en zwijgzaam vastgeketend op
de bank, en de perceptie van de beelden is ook overeenkomstig; maar
al te vaak houden we de geprojecteerde schijn voor de werkelijkheid.
Plato schildert zijn grotbewoners af als `bevroren wezens', die niet
in staat zijn te communiceren of te handelen. In haar commentaar op
de grotallegorie van Plato laat de filosofe Hannah Arendt zien dat juist
de twee meest significante menselijke activiteiten, spreken en handelen,
(lexis en praxis), bij deze grotbewoners ontbreken. De vraag rijst bij
haar of we dan nog wel van mensen kunnen spreken. In mijn boek Heimwee
naar de mens ga ik hier uitvoerig op in, mar ik zal hier vanmiddag in
het kort de gevolgen proberen te schetsen van de teloorgang van het
politieke domein. Voor Arendt staat in ieder geval vast dat de moderne
grotbewoners buiten het politieke domein vallen. Daarmee bedoelt ze
dat de moderne massamens zo vervreemd is van de twee activiteiten die
het menszijn bij uitstek uitmaken, de handeling en het woord, dat hij
nauwelijks meer een eigen standpunt naar voren kan brengen. Hij kan
zich daarom ook nauwelijks meer van anderen onderscheiden, kan niet
onthullen wie hij of zij is, dat wil zeggen uitdrukking te geven aan
de specifieke uniciteit van zijn of haar bestaan. De moderne massamens
wordt al zwijgende en starende tot één soort, tot één
en hetzelfde wezen gereduceerd, dat gemakkelijk te manipuleren is en
nauwelijks verzet biedt of protest laat horen. De wereld van de moderne
grotbewoners wordt niet meer gedragen door verschillen van mening, van
cultuur, van verlangen, terwijl juist die verschillen een dam kunnen
opwerpen tegen uitsluiting, onderdrukking en machtsmisbruik. Het is
een wereld die haaks staat op wat Hannah Arendt voor ogen had. Zij probeerde
keer op keer het politieke domein, waar een belangeloze vorm van handelen
en spreken de boventoon voeren, op de agenda te krijgen. Als we om ons
heen kijken, kunnen we alleen maar vaststellen dat we verder en verder
van dit politieke ideaal verwijderd raken.
Ook de
manier waarop in Nederland politiek bedreven wordt dreigt deze nieuwe
status van grotbewoner alleen maar te bevestigen. De kiezers worden
immers zelden geprikkeld aan politieke debatten deel te nemen, of deze
zelfs maar te volgen, ze krijgen nauwelijks politieke of morele afwegingen
van belnagrijke beslissingen te horen; langdurige debatten over inhoudelijk
verschillende, politieke standpunten zijn sowieso een zeldzaamheid in
Nederland geworden. Dit versluiert niet alleen de intrinsieke verdeeldheid
van een democratie, maar ontkent feitelijk dat een democratie bestaat
bij gratie van een zekere onophefbaarheid van politieke en sociale verschillen.
Want juist die verschillen maken een democratie tot een dynamische samenlevingsvorm.
Dat bedoelt de Franse politiek-filosoof Claude Lefort als hij stelt
dat een democratie de institutionalisering van conflicten tussen verschillende
groeperingen is. De democratie leeft als het ware van dat conflict:
het is haar bron van energie en vernieuwing.
Deze verschillen worden in politiek Den Haag zo veel mogelijk gladgestreken.
Daardoor wordt niet alleen de veelheid of de pluraliteit van de democratie
naar de achtergrond verschoven, maar wordt ook de politieke betrokkenheid
van de burgers op het spel gezet. De kiezers herkennen zich niet in
de bij de onderlinge partijen bereikte compromissen; ze kunnen zich
alleen neerleggen bij de veronderstelde redelijkheid ervan. Ze worden
bovendien niet geprikkeld een eigen oordeel te vormen en halen ten slotte
hun schouders maar op. Waarover zouden ze zich nog druk maken? Dit murw
maken van de publieke opinie leidt niet alleen tot politieke onverschilligheid,
maar dooft ook het kritische denkvermogen.
Een regering
die het debat mijdt en de zaken binnenskamers regelt, legt drijfzand
onder de democratie, omdat het de politieke betrokkenheid van de burgers
ondermijnt. Ze zou daar extra waakzaam op moeten zijn, juist omdat de
representatieve democratie an sich de neiging heeft het politieke debat
te omzeilen. Men kiest op grond van een vooraf geformuleerd partijprogramma
de volksvertegnwoordigers van de verschillende partijen en laat deze
na de verkiezingen aan de slag gaan om zoveel mogelijk punten van dat
programma in het regeerakkoord verwoord te krijgen. Het is een systeem
dat tot onderhandelen aanzet in plaats van tot debatteren. Het is een
ruilsysteem; jij krijgt dat plannetje op onderwijs, als ik die belastingmaatregel
op financiën in mag voeren. De kiezers zijn van deze onderhandelingen
uitgesloten. Lezen er hooguit over in de krant, maar zijn zelden getuige
van inhoudelijke debatten. Vaak ook worden alle mogelijke kwesties tot
economische vraagstukken teruggebracht. De vraag of er wel geld voor
is overheerst de vraag of het moreel en politiek gezien een goed plan
is.
Juist vanwege die zwakke plek van de representatieve democratie zouden
politici er mijns inziens op gespitst moeten zijn ruimte in te voegen
voor het openbare debat, niet alleen om verantwoording af te leggen
van hun eigen politieke standpunt maar vooral ook om de politieke betrokkenheid
van de burgers te stimuleren, zodat zij niet tot zwijgend toekijkende
grotbewoners verworden, met alle sociale gevolgen van dien. Dat dit
echter zelden gebeurt, zelfs niet als het om belangrijke ethische vraagstukken
gaat, is een teken aan de wand, om nog maar even in Platos' metaforiek
te blijven.
De Nederlandse
vorm van politiek behelst uiteindelijk niet veel meer dan het voeren
van een economisch huishouden. Zowel de politieke arena van Den Haag
als het politieke bewustzijn van de burgers wordt hiermee zodanig afgezwakt
dat er bijna een politiek vacuum ontstaat. Hoe kan daar verandering
in gebracht worden? Wat zou het politieke debat in Nederland een zetje
kunnen geven?
Zonder
hier de discussie over de voor- en nadelen van het raadgevend of correctief
referendum de revue te laten passeren, kan toch op zijn minst gesteld
worden dat dit een van de politieke instrumenten bij uitstek is om een
belangrijke impuls te geven aan zowel de betrokkenheid van burgers als
aan de instandhouding van het politieke debat in Nederland. Als het
referendum een mogelijkheid is om het politieke bewustzijn van de burgers
te reactiveren en een nieuwe impuls aan openbare debatten te geven,
dan kan een ieder die het principe van de democratie serieus neemt,
hier eigenlijk niet omheen. Maar ook het raadgevende referendum zal
per 1` januari worden afgeschaft. Het gebeurt bijna geruisloos. Zonder
enige vorm van debat, zonder nadere toelichting, een paar stukjes in
de krant, meer niet. En dat terwijl D 66 in de regering zit. Waarschijnlijk
is het referendum simpelweg verruild tegen het gekozen burgermeesterschap.
Maar wat is belangrijker voor het politieke debat? Een gekozen burgermeester
of het actief willen betrekken van de burgers bij belangrijke vraagstukken
van deze tijd. Of dit nu milieuvragen zijn, of deelname aan Amerikaanse
oorlogen, het euthanasievraagstuk, orgaantransplantatie of boren in
de waddenzee, het gaat erom dat de kiezers zich mede verantwoordelijk
voelen voor de politieke keuzen die er gemaakt worden en dat zij, zelfs
op deze bescheiden wijze, deelnemen aan het politieke domein.
Het voortbestaan
van een gemeenschappelijk, politiek domein is voor Hannah Arendt van
levensbelang voor een democratie. Het is namelijk het enige domein waar
een formele vorm van gelijkheid kan heersen: elk standpunt is er een
van de velen en net zo veel waard als dat van de anderen, terwijl tegelijkertijd
de onderlinge verschillen niet opgeheven hoeven te worden. Het politieke
domein is in die zin de enige plek waar vrijheid gerealiseerd kan worden.
Een vrijheid waarbinnen de burgers hun gemeenschappelijke geschiedenis
samen vorm kunnen geven.
Als er een les is die uit Hannah Arendts analyse van totalitaire systemen
geleerd kan worden, is het wel dat elke democratie er enerzijds voor
moet zorgen dat er een grote mate van pluraliteit in de samenleving
bestaat en anderzijds dat alle burgers zodanig betrokken moeten zijn
bij de politieke gang van zaken dat zij zich een kritisch oordeel kunnen
en willen aanmeten. Net als het denken bestaat ook een democratie bij
gratie van het debat over verschillen van inzicht, achtergrond en cultuur.
De belangrijkste politieke taak van een democratische regering is derhalve
om alle burgers bij dat debat te betrekken, hen aan te sporen tot eigen
oordeelsvorming en hen zo niet alleen betrokken maar ook medeverantwoordelijk
te maken voor wat erin het land gebeurt. Wat is hier meer mee in tegenspraak
dan het zomaar klakkeloos afschaffen van het referendum, dat niet alleen
tot kritisch denken aanspoort, maar ook inhoudelijke debatten tussen
de verschillende partijen ontlokt?
Arendt is overigens niet de enige filosoof die op het belang van het
politieke debat wijst. In zijn boek Vrijheid is vooruitgang stelt de
Indiase econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen dat het meten van de
economische groei per hoofd van de bevolking een te smalle basis is
om de welvaart van een maatschappij te beoordelen. Het is veel belangrijker
om te kijken naar de mate waarin mensen vrij zijn om hun leven naar
hun eigen wensen en verlangens in te richten. Hij spreekt over `de vormende
rol van politieke vrijheid', die tegelijk voorwaarde en resultaat is
van alle vooruitgang en welvaart die de mens in de loop van de geschiedenis
heeft gerealiseerd.
Een van de opmerkelijkste kanten aan zijn denken is dat Sen die politieke
vrijheid ook betrekt op zijn analyses van armoede in de derde-wereldlanden.
Door politieke vrijheid als eerste voorwaarde van een menswaardig bestaan
te beschouwen, kan hij armoede definiëren als een gebrek aan vrijheid.
Een van zijn beroemdste uitspraken is dat democratieën nooit een
hongersnood hebben gekend. De politici in een democratische samenleving
zijn zozeer afhankelijk van het mandaat van hun kiezers dat ze wel adequaat
moeten ingrijpen als er voedseltekorten dreigen. Politieke vrijheid
en betrokkenheid zijn niet alleen de beste garantie voor een nauwkeurige
controle van de machthebbers, maar ook de effectiefste bestrijders van
armoede.
De democratie leeft bij gratie van `de deelname van het publiek aan
politieke debatten van waardenbepaling' (p. 110), stelt Sen. Debat,
kritiek, afwijkende meningen en het activisme van oppositiepartijen
zijn volgens hem een belangrijke kracht van de democratie, maar moeten
niet als mechanische instrumenten beschouwd worden. `Hoe we deze gebruiken,
wordt bepaald door de mate waarin en de manier waarop we de kansen van
meningsuiting en medezeggenschap aangrijpen' (155). Conflicterende meningen,
oppositiepartijen en andere dissidente geluiden spelen daarbij een vitale
rol. Niet alleen is de kracht van openbare discussie een uitvloeisel
van democratie, schrijft Sen, `maar als deze discussie wordt gecultiveerd,
functioneert de democratie ook beter'. Bij wijze van voorbeeld stelt
hij vervolgens dat een `niet gemarginaliseerde discussie over milieuzaken
niet alleen goed is voor het milieu, maar ook heel belangrijk voor het
functioneren van het democratische systeem zelf'.
Het aansporen
en stimuleren van debat vormt dus een van de hoofdtaken van een democratische
regering. En ook ervoor zorg te dragen dat zoveel mogelijk groepen zich
binnen het openbare domein hun mening kunnen uitdragen. Dat is iets
anders dan hen van bovenaf een normen en waarden besef opleggen. Arendt
noemde het politieke domein wel een tussenruimte, omdat deze vrijheid
pas ontstaat tussen mensen die vrijelijk met elkaar van gedachten wisselen
en wier mening of positie niet bij voorbaat tot een compromis wordt
omgebogen. De steeds luider wordende roep tot volledige assimilatie
van de allochtone culturen, die onze normen en waarden als een kant
en klaar pakketje in zijn geheel zouden moeten overnemen, lijkt me een
ander voorbeeld van niet Arendtiaanse politiek. Er wordt immers zonder
schroom gepleit voor `assimilatie zonder behoud van de eigen identiteit',
omdat `onze normen en waarden ononderhandelbaar' zouden zijn. Blijkbaar
gaat men ervan uit dat `onze normen en waarden' van tevoren al vaststaan.
Over wiens normen en waarden het hier gaat, blijft daarbij onduidelijk.
Zijn het die van de auteur zelf, of die van mij, of die van mijn reactionaire
buurman? De gedachte dat er binnen onze maatschappij een duidelijke
consensus zou bestaan over alle normen en waarden, gaat voorbij aan
het feit dat verschillen de peilers van een democratie zijn en moeten
blijven, wil deze democratie niet verstarren tot een monolitisch blok,
waarbinnen één groep alle anderen overheerst.
Ten slotte moeten we ook de graagte wantrouwen waarmee de multiculturele
samenleving failliet wordt verklaard. Verschillende onderzoeken wijzen
uit dat de aanpassing van buitenlanders aan onze cultuur en moderne
levensstijl vele malen sneller gaat dan de ontwikkeling van het verpauperde
proletariaat tot een stedelijke middenklasse in de twintigste eeuw.
Recent onderzoek wijst uit dat de sociale progressie die immigranten
per generatie maken enorm groot is. En voor een beoordeling van de multiculturele
samenleving moeten we naar die ontwikkeling kijken, niet naar een dwarsdoorsnede
van een bepaald moment.
Hannah Arendt leert dat de grootste bedreiging van de democratie het
onverschillig en murw maken is van grote groepen van de bevolking, het
uitschakelen van het eigen politieke denk- en oordeelsvermogen en het
bevoordelen van één specifieke groep of ras. In plaats
van aanvallen uit te voeren op de culturele identiteit van bepaalde
bevolkingsgroepen moeten wij er zorg voor dragen dat mensen uit niet-Nederlandse
culturen de kans krijgen toe te treden tot het openbare en politieke
domein met behoud van de eigen identiteit. Dan zijn ze meer dan arbeidskrachten
alleen en kunnen zij hun standpunten kenbaar maken en tonen wie ze zijn.
Binnen een sfeer van formele gelijkheid, die een volwassen democratie
moet garanderen, kan dan een dialoog over normen en waarden ontstaan
die onze samenleving nodig heeft om zich te vernieuwen. In het vertellen
van dit nooit voltooide en altijd weer veranderende verhaal kan een
ieder van zijn of haar specifieke bijzonderheid getuigen: die heel unieke
mengeling van afkomst, geschiedenis, overtuigingen, verlangens en idealen.
Hierdoor wordt niet langer één bepaalde vorm van subjectiviteit
of één bepaalde set normen en waarden in een samenleving
tot de norm verheven, maar kunnen er verschillende standpunten, geschiedenissen
en meningen naast elkaar voorbestaan; dat laatste is voor Arendt een
voorwaarde voor democratie.
Door zich politiek uit te spreken verschijnen mensen als unieke personen
aan elkaar. Aan bepaalde groepen de mogelijkheid ontnemen om hun eigen
verhaal, geschiedenis of cultuur in hun politieke handelen en spreken
te betrekken, betekent deze groepen beletten als unieke en overwisselbare
personen naar voren te treden. En dat ontneemt hun de kans om een eigen
vitale cultuur te ontwikkelen, met als gevolg niet alleen de sociale
achterstand en gevoelens van krenking van die bevolkingsgroepen, maar
ook de bedreiging van het democratisch bestel.
Dit voorbeeld maakt duidelijk hoezeer voor Arendt pluraliteit verbonden
is met verschil. Want hoewel pluraliteit door haar vaak wordt begrepen
als pluraliteit van meningen of oordelen, begrijpt ze haar ook als pluraliteit
van afstammingen, van situaties en van individuele of collectieve inschrijvingen.
Want `in hun uiterste diversiteit en verschil, in hun verwarrende verscheidenheid
en verbluffende onderlinge vreemdheid, vormen de geschiedenissen van
de verschilledne volkeren alleen voor een verschrikkelijk oppervlakkige
eenheid een hindernis... Alles lijkt af te hangen van de mogelijkheid
om de nationale geschiedenissen, in hun oorspronkelijke verscheidenheid,
met elkaar te laten communiceren, wat de enige manier is om het hoofd
te bieden aan het wereldomspannende communicatiesysteem dat het oppervlak
van de aarde bedekt.' (1968: 87)
Het kenmerk van het politieke domein is dat het de uitwisseling van
en het respect voor die verschillen waarborgt in een gemeenschappelijke,
territoriale maar vooral juridische ruimte, wat niet alleen krachtens
de wet wordt mogelijk gemaakt, maar een onophoudelijke dialoog vereist.
Denken
is volgens Arendt, als het goed is, altijd `representatief denken',
dat wil zeggen het door middel van ons verbeeldings- en inlevingsvermogen
tegenwoordig stellen van de mogelijke standpunten van anderen. Hoe meer
standpunten iemand zich kan voorstellen, des te groter het vermogen
tot representatief denken. De aanwezigheid van anderen, is voor Arendt
precies de voorwaarde voor de vorm van denken die haar voor ogen staat.
Ze noemt dat denken met een `enlarged mentality', een verbreed bewustzijn.
Dit vermogen om je, kort gezegd, in een ander te verplaatsen, staat
haaks op het totalitaire denken, dat de meningen en standpunten van
anderen juist bij voorbaat uitsluit.
Denken, zo zouden we de filosofie van Arendt kort kunnen samenvatten,
kan alleen op grond van verschil. Het denkproces komt pas in beweging
als het eigen standpunt als het ware door een ander standpunt wordt
uitgedaagd of in twijfel getrokken. De voorwaarde voor het denkproces
is het onderling kunnen en mogen verschillen van mensen. Zonder deze
verschillen stokt het denken. En als het denken stokt, verdwijnt ook
het oordeelsvermogen en, belangrijker nog, de democratie. Pas als een
democratie pluriformiteit inaugureert en garandeert, dat wil zeggen
het recht geeft aan mensen en bevolkingsgroepen om te verschillen en
van deze verschillen te getuigen, is ze de schutspatrone van de vrijheid.
Het gaat dan niet in de eerste plaats om een handelingsvrijheid, maar
om de mogelijkheid om in het openbaar te laten zien waar je voor staat.
Het politieke domein is de enige plek waar deze vorm van vrijheid gepraktiseerd
kan worden.
Ze noemt dat denken met een enlarged mentality, een verbreed bewustzijn.
Deze vorm van denken, een denken dat steeds de standpunten van anderen
bij de eigen oordeelsvorming betrekt staat haaks op het totalitaire
denken, dat de meningen en standpunten van anderen bij voorbaat negeert.
Denken is voor Arendt altijd representatief denken, dat wil zeggen dat
we geacht worden ons de mogelijke standpunten van anderen voor te stellen
door middel van ons verbeeldings- en inlevingsvermogen. Hoe meer standpunten
iemand zich kan voorstellen, des te groter het vermogen tot representatief
denken.
Zowel de
democratie als het denken zijn volgens Hannah Arendt geënt op verschil.
Ook het denkproces komt pas in beweging als het eigen standpunt door
een andere mening uitgedaagd of in twijfel getrokken wordt. Voorwaarde
voor zowel de democratie als het denken is het onderling kunnen en mogen
verschillen van mensen. Zonder deze pluraliteit stokt het denken. En
als het denken stokt, stokt ook het politieke oordeelsvermogen. Het
is de taak van politici er enerzijds voor te zorgen dat de pluraliteit
van de samenleving op het politieke toneel zichtbaar wordt en anderzijds
de burgers betrokkenheid te laten voelen bij de politieke gang van zaken
en hen tot eigen oordeelsvorming aan te zetten.
De Oostenrijkse filosoof Oliver Marchart stelt, in navolging van Arendt,
dat elk democratisch systeem `moet vasthouden aan de noodzaak van conflicten
en meningsverschillen' en elke `verdoezeling van tegenstellingen' door
middel van een `op patriotistische wijze de rijen sluiten' als anti-democratisch
moet ontmaskeren. Een democratisch systeem moet openbare fora oprichten,
waar ruimte gegeven wordt aan `conflictueuze debatten', zodat er een
vorm van politieke openbaarheid ontstaat, die de democratie nieuwe impulsen
kan geven.
In het politieke handelen en spreken tonen mensen wie ze zijn, verschijnen
ze als unieke personen aan elkaar. Dit verschijnen in de openbaarheid
constitueert ook volgens Hannah Arendt hun wereld als publieke en gemeenschappelijke
wereld. Handelen betekent in de meest algemene zin initiatief nemen,
beginnen, of iets in beweging zetten. Zonder een dergelijk handelen
of spreken, waarin de onderlinge verschillen getoond worden, glijdt
de samenleving af naar een technocratie of erger, naar een totaliserende
samenleving.
De allochtone
bevolking bij voorbaat de mogelijkheid onthouden hun eigen verhaal,
geschiedenis of cultuur in dit handelen en spreken te betrekken, zoals
in de leuze volledige assimilatie naar voren komt, betekent deze groepen
beletten als unieke en overwisselbare personen naar voren te treden.
En dat dat gelijk staat met gevangenschap en zelfs met sterven, maakt
Hannah Arendt ons opnieuw duidelijk: `Alle menselijke activiteiten zijn
geconditioneerd door het feit van de menselijke pluraliteit, het feit
dat niet één mens, maar mensen in het meervoud de aarde
bewonen en op een of andere manier samenleven. Met name het handelen
en spreken houden specifiek verband met het feit dat leven altijd betekent:
tussen mensen leven. Het handelen, met al zijn onzekerheden, herinnert
ons altijd opnieuw aan het feit dat mensen niet geboren zijn om te sterven,
maar om iets nieuws te beginnen. Met de schepping van de mens kwam het
principe van het beginnen in de wereld - wat slechts een andere manier
is om te zeggen dat met de schepping van de mens het principe van de
vrijheid op aarde verschenen is'.
De multi-culturele samenleving heeft waarschijnlijk meer kans van slagen
als irreële angsten bezworen worden en er een gezamenlijke verantwoordelijkheid
voor de wereld komt, waarbij een ieder wordt uitgenodigd om, op welke
wijze dan ook, deel te nemen aan een openbaar gesprek over die wereld.
In Hannah Arendts visie betekent dit niet anders dan een ieder uit te
nodigen `mens te zijn.' In Over menselijkheid in donkere tijden (1959)
schreef ze: `Want menselijk is de wereld niet omdat ze door mensen vervaardigd
is, maar ze wordt pas menselijk als ze voorwerp van gesprek is. Pas
als we erover spreken, vermenselijken wij zowel wat zich in de wereld
als wat zich in onszelf afspeelt, en door dit spreken leren we menselijk
te zijn.' Daarom is het van zo'n groot belang ervoor te zorgen dat iedereen
aan die openbare debatten deel kan nemen.
In de geschiedenis zijn er vaker tijden geweest, waarin de openbare
sfeer dermate verduisterde dat de mensen zich alleen nog om hun eigen
levensbelangen bekommerden, geen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor
de wereld meer voelden en de openbare sfeer van de politiek en het bestuur
minachtten. Het is de vraag of we thans weer in dergelijke `donkere
tijden' terecht zijn gekomen; nationalisme, onverdraagzaamheid en xenofobie
steken op meerdere plaatsen de kop op, de minachting voor de politiek
en de publieke ruimte is groot en de verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid
op de wereld gering.
In Over menselijkheid in donkere tijden waarschuwt Hannah Arendt voor
de dreiging van wereldloosheid die ons in dergelijke tijden boven het
hoofd hangt: `het is een angstwekkend wegkwijnen van alle organen waarmee
wij op de wereld gericht zijn - te beginnen met de gemeenschapszin en
het gezond mensenverstand, waarmee we ons in de gemeenschappelijke wereld
oriënteren, tot onze zin voor schoonheid of onze smaak, waarmee
we de wereld liefhebben.' Een dergelijke wereldloosheid leidt volgens
Arendt bijna altijd tot barbarij en ontmenselijkte menselijkheid. Voor
haar gaat het erom hoe we kunnen voorkomen `dat menselijkheid een frase
of een hersenschim wordt.'
De grootste dreiging hiervoor is volgens Arendt, naast verslechterende
sociaal-economische omstandigheden, het onverschillig en murw maken
van grote groepen van de bevolking, waardoor deze hun gemeenschapszin
verliezen, het ontmoedigen van kritische denkwijzen en culturele uitingen
in de openbare ruimte en het bevoordelen van specifieke bevolkingsgroepen.
Het zonder enige vorm van debat afschaffen van het referendum kan alleen
als een ontmoediging van kritische denkwijzen gezien worden. Ik stel
dan ook voor dat we in ieder geval een referendum over het afschaffen
van het referendum houden. Dat lijkt me toch het minste.