Tramlijn
7
Amor Vincit Omnia
Door Joke J. Hermsen
Ze ging mooi niet op de fiets. Met dit kloteweer. Deze `gezonde Hollandse
meid’ nam gewoon de tram. Jet verschool zich diep in de capuchon
van haar jas tegen de gure wind en de natte sneeuw en stak het kruispunt
van de Jan Evertsenstraat over, naar de halte van lijn 7 aan het begin
van de Witte de Witstraat. Groepjes Turkse, Surinaamse en Marokkaanse
jongens en meisjes stonden dicht tegen elkaar aan gedrukt te blauwbekken
van de kou. Die hoefden ook niet op de fiets naar school, dus waarom
zij dan wel? Ze duwde de witte dopjes van haar I-pod wat dichter in
haar oren en ging op een paar veilige passen van de groepjes afstaan.
Zowel de kou als de ijle, indringende stem van Daniel Powter deden haar
van het ene been op het andere wippen. Een stel Marokkaanse meiden begon
over haar te smoezen en wierp haar uitdagende blikken toe. Ze kende
hen niet, ze wist niet eens op welke school ze zaten, in ieder geval
niet op de hare. Ze hoefden zich waarschijnlijk niet druk te maken om
een proefwerk Latijn dat ze weer eens goed verknald hadden. Ze hoefden
ook dat sarcastische lachje van Quinten Koopmans niet te zien als hij
alle onvoldoendes met zichtbaar genoegen opdreunde. Dus waarom ze haar
dan zo vuil zaten aan te staren? De hele kerstvakantie had ze haar boek
Latijn van de bank naar haar bed naar de ontbijttafel gezeuld, maar
toen ze vorige week de tien zinnen te vertalen kreeg, leek het net alsof
de woorden zich vermomd hadden, met al die rare uitgangen aan het eind,
alsof ze stiekem allemaal feestneuzen en pruiken hadden opgezet, alleen
om haar van de wijs te brengen. Trouwens, Latijn, dat boeide toch niet?
Ze zuchtte. Waarom leerde ze geen Turks of Marokkaans? Dan kon ze die
meiden in hun eigen taal zeggen dat ze eens naar zichzelf moesten kijken.
De tram gleed als een trage, electronische slang de hoek om en kwam
met schrille, snerpende remmen tot stilstand. Jet liet de groepjes met
elkaar stoeiende kinderen voorgaan en zocht een vrije, eenpersoonsplek
voorin de tram. Al gauw ploften de drie Marokkaanse meiden gierend van
de lach op het bankje naast haar neer. Ze draaide zich uit voorzorg
van hen weg, veegde met haar mouw het bedauwde raam schoon en staarde
naar de voorbij glijdende winkelpanden. Arts cafè, Galerie De
hoed, Galerie Nieuw Mysterie, Galerie Witte broodjes, het afgelopen
jaar was de Witte de Wit van een allochtone winkelstraat in een witte
kunstboulevard veranderd. Hoeveel kunst kan een mens eigenlijk verdragen?
En dan vooral: deze kunst. Waarom geen goede muziekzaak, in plaats van
zo’n malle hoedentent voor veertig plus vrouwen zoals haar moeder?
Halverwege de Witte de Wit zag ze een schoolklas kinderen hand in hand
komen aanlopen, een wild gebarende man voorop. Ze grinnikte. Ja hoor,l
daar had je hem ook. Meester Kees. De gymleraar van haar vroegere basisschool
schreeuwde en gebaarde nog net als vroeger om zijn wekelijkse kudde
slachtoffers naar het zwembad te transporteren. Daar was ze in ieder
geval wel van verlost. Van het moeten zwemmen in het koude, naar chloor
en pis stinkende zwembad. Ze griezelde, toen ze aan de met modder en
haren bedekte vloer dacht, waar ze altijd op het puntje van haar tenen
overheen stapte, of aan de ondraaglijke stank van de wc’s: adem
inhouden en doorlopen.. Altijd stond ze als laatste in de rij naast
het bad te bibberen van de kou. En als ze dan eindelijk het water insprong,
begon Meester Kees na een paar minuten te roepen. ´Jetje! Je lijkt
wel een oliebol. Nee. Erger nog! Een oliebol blijft nog drijven´.
Bij de halte op de Kinkerstraat, stroomden er nog meer mensen de al
stampvolle tram binnen. Tegenover haar ging een magere, stokoude man
zitten, die met waterige ogen en een tandeloze mond even naar haar opkeek.
Een golf medelijden zwol in haar op. Dat je zo oud moest worden. Waar
was dat goed voor? Toen, een jongen van een jaar of vijftien die vlak
naast haar in het gangpad kwam staan, donkere, krullende haren, grote,
bijna zwarte ogen. Turks of Marokkaans. Ze kon nog altijd het verschil
niet goed maken. Ze schudde even met haar lange, blonde haren en probeerde
zijn blik te negeren, door verwoed naar buiten te staren. Toch kon ze
het niet laten af en toe schielings naar hem op te kijken. De meiden
naast haar hadden hem ook in de gaten..
`He, lekker ding, hier is nog plaats genoeg hoor. Je mag wel bij ons
op schoot komen zitten.’
De jongen grijnsde, maar zei niets terug.
Intussen sjokte de tram voorwaarts. Vochtige damp sloeg tegen de ramen.
Klamme jassen en hoestende mensen. Ze kreeg het er benauwd van. Op dagen
als deze was de tram toch ook niet alles. Bij de halte tegenover het
Politiebureau aan de Marnixstraat stapten er gelukkig veel kinderen
uit; die zaten waarschijnlijk op de Horecavakschool of op het ROC. Als
een kluwen jonge katten buitelde ze naar buiten. Toen, in de scherpe
bocht naar rechts, raakte de jongen naast haar even uit evenwicht en
viel half tegen haar aan. Ze snoof een lichte geur van after-shave op.
´Sorry´ , mompelde hij, en glimlachtte.
´Geeft niet´, antwoordde ze zo ongeinteresseerd mogelijk.
Maar de merkwaardige kriebel in haar buik kon ze niet ontkennen. Weer
keek ze even naar hem op, en weer lachtte hij naar haar. Hij droeg geen
beugel zoals zij. Dat was nu ook zoiets. Ze hoefden niet naar school
te fietsen, hadden geen vakken als Latijn en hoefden ook niet om de
zoveel maanden naar de orthodontist die je beugel zo hard aantrok dat
je nog dagen daarna verrekte van de tandpijn. Ideaal leventje. Op welke
school zou hij eigenlijk zitten? Als hij nog op school zat. Waarschijnlijk
werkte hij al. Net als die meiden naast haar. Ze had nog een halte te
gaan, voordat ze zelf op het Leidseplein eruit moest. Aan de rechterkant
gleed het statige Americain hotel aan haar voorbij. Daar had ze in betere
tijden wel eens met haar moeder warme chocolademelk gedronken. Nog een
paar meter en ze moest eruit. Koopmans wachtte vast al vol ongeduld
om haar haar nederlaag in te kunnen peperen. En daarna een s.o. bij
Grieks, en dan Duits en Wiskunde. Ze zuchtte. Wat een dag.
De tram minderde vaart. Waarom zou ze niet gewoon blijven zitten? Die
jongen volgen, achter die donkere krullen aan rijden. Maar het laatste
wat ze kon gebruiken was nog een ruzie met haar ouders over spijbelen.
Ze stond op, sjorde de zware boekentas over haar schouder en wrong zich
voor de jongen langs een weg naar de uitgang. Toen: een harde tik tegen
haar benen, die haar voorover liet buitelen en haar tas van haar schouders
liet glijden die met een doffe klap naast haar belandde. Gloeiende pijn
in haar scheenbeen. Ze graaide naar een van de stangen om haar lichaam
overeind te houden en niet in het gat achter het klapdeurtje te belanden.
Op dat moment werd ze van achteren bij haar middel gepakt en stevig
met beide voeten op de traptreden neergezet.
`Heb je zo’n haast om op school te komen?’, grinnikte de
jongen die haar tas opraapte en achter haar aan naar buiten stapte.
Jet voelde het bloed naar haar wangen schieten.
`Ik struikelde, geloof ik’, bracht ze nahijgend van schrik uit,
`dank je wel dat je me … Moet je er ook hier uit?’
`Ik zit ook daar op school’, antwoordde de jongen, die naar het
hoge, zandsteenkleurige gebouw aan de overkant van het Leidseplein knikte.
`Oh, ik dacht dat je…, ik bedoel… ik ook!’, stamelde
ze verrast. Schaamte knaagde aan haar blik.
`Dan loop ik toch gezellig met je mee?’, grijnsde hij.
Verlegen en nerveus, maar toch op hoge, lichte benen, stak ze naast
hem het plein over.
`Ik krijg zo Latijn terug, van Koopmans’, was de enige tekst die
ze tot haar verbijstering wist uit te brengen.
`Koopmans? Heftig man, veel succes dan maar.’
Na die laatste woorden verdween hij in de wirwar van leerlingen, docenten,
tassen en natte jassen, die allemaal tegelijkertijd het schoolgebouw
binnendrongen. In de hal probeerde ze op haar tenen wippend zijn gestalte
nog te volgen, maar al gauw werd ze meegezogen door de stroom leerlingen,
die haar onder luid gonzend geroezemoes als vanzelf in de richting van
de trappen duwde. Bovenaan de trap keek ze nog eenmaal om.
Ze zag hem niet. Maar hij was er wel. Ergens. En die wetenschap maakte
het vooruitzicht van een uur Koopmans al zoveel draaglijker.
|