Adams kostuum in de uitverkoop


Gunther von Hagens 'anatomische les' versus Ron Muecks 'esthetische' beelden.

Vlieg je net de hele Atlantische oceaan over om de feestdagen op een vreemd continent door te brengen, is het eerste wat je ziet als je in New York de metro instapt hetzelfde verontrustende affiche van een 'geplastineerd' lijk, waar je ook al weken in je eigen stad tegen aan hebt moeten kijken. Gunther von Hagens anatomische lessen, tentoongesteld in Body Worlds 1, 2 & 3, veroveren de wereld. Miljoenen bezoekers van Japan tot Seoul, en van Amsterdam tot New York vergapen zich vol verwondering aan de veruitwendiging van de innerlijke mens. De wereldtournee van de met aceton en siliconen geprepareerde lijken, die, zo gaat het gerucht, vooral uit China afkomstig zijn, is een opmerkelijk succes, zeker als je bedenkt dat de meeste lichamen niet veel verschillen van de platen die we uit de anatomieboeken kennen. Het feit dat von Hagens 'zijn' lijken in levensechte houdingen neerzet, te paard, of op een skatebord of dribbelend met een basketbal, kan het succes ook niet helemaal verklaren.

Waarom zijn we dan zo gefascineerd naar wat er zich onder de huid, onder de oppervlakte van het menselijk lichaam bevindt, want dat is feitelijk waar we in Body Worlds naar kijken: naar ontvelde of gescalpeeerde lichamen, lichamen waarvan de huid als een jas vanaf getrokken is en ons nu de binnenkant van zichzelf tonen. Dat is niet alleen verontrustend, maar heeft ook iets indiscreets, omdat we weten dat deze geplastineerde lijken geen plastic modellen zijn, zoals vroeger in het biologielokaal op school, waarnaast je rustig je appeltje of zakje boterhammen durfde op te eten, maar dat dit 'echte', aan de wetenschap gedoneerde lichamen zijn, die tot voor kort een menselijke geest of vooruit: 'ziel' herbergden. Die ziel is natuurlijk al lang vervlogen, en het sportieve, basketballende lijk was vroeger misschien wel een saaie boekenwurm, maar toch heeft er door al die geprepareerde spieren en vezels heen een 'echt' menselijk wezen gedoold, die er door de grote hoeveelheden aceton als het ware uit weggestoomd is. Waar je naar kijkt, of liever gezegd, wat zo de blik trekt, is dus waarschijnlijk vooral datgene wat ontbreekt, maar wat je nog wel vermoedt; een menselijke ziel, onvervangbaar en uniek, maar nu voor 'pedagogische' doeleinden als Adams uitgekleed kostuum in musea tentoongesteld.

Zou Body Worlds wereldwijd net zoveel bezoekers trekken als de lichamen zorgvuldig nagebouwde imitaties zouden zijn? Waarschijnlijk niet: het 'echte' is hetgeen wat verontrust, wat aantrekt en afstoot, en een goede imitatie of animatie van het menselijk lichaam zou slechts een handjevol bezoekers interesseren. In die zin sluit het werk van Von Hagens aan bij een meer algemene trend in de hedendaagse kunst. Paul Depondt in de Volkskrant van 11 januari meent zelfs dat er sprake is van een esthetiek van het obscene, en somt nogal wat kunstenaars op die met 'echte', al dan niet in staat van ontbinding verkerende lijken aan het werk gaan. De dood fascineert, dat heeft hij altijd al gedaan, maar de voorkeur om het lichaam en de dood vanuit de meest perverse perspectieven te tonen, de trash-art van Tracy Enim of de kadavers van Arsen Savadov, is wellicht wel iets van deze tijd. Wat overheerst is behalve een verregaand voyeurisme, een obsessie met het obscene en de extreme neiging te choqueren; geen uitwerpsel wordt geschuwd om dat voor elkaar te krijgen. Maar schieten we er ook iets mee op? Is iets kunst alleen omdat het choqueert?

beeld: www.jaapdejonge.nl

De ontzielde lichamen van von Hagens ontregelen in zoverre, omdat ze van 'echt' menselijk materiaal zijn gemaakt en omdat ze in ongewoon alledaagse houdingen, bijvoorbeeld in gedachten verzonken achter een schaakbord, worden neergezet. Dat verwacht je nu eenmaal niet van een lijk. Een lijk ligt hoofdzakelijk, meer niet. En speelt zeker geen potje schaak. Dat is niet zozeer choquerend, als wel verwarrend, omdat het ons verwachtingspatroon van wat een lijk zoal vermag te doen, doorbreekt.

Iets dergelijks doet ook de Australische kunstenaar Ron Mueck, met zijn van siliconen gemaakte beelden van menselijke figuren, maar dan op een volstrekt andere, zelfs tegengestelde wijze. Zijn beelden zijn 'levensecht', dat wil zeggen, zo realistisch mogelijke kopieën van de mens, compleet met wenkbrauwen, wimpers, sproeten en nagels, en alle mogelijke gemoedsaandoeningen uitgedrukt in de houding, de blik en de gelaatstrekken. Dat zou slechts een aardige uitbreiding van het museum van Madame Tussaud opleveren, als Mueck het daarbij gelaten zou hebben. Maar dat doet hij niet. Hij verandert de schaal, waardoor ik in het Brooklyn Museum in New York ineens oog in oog kwam te staan met een enorme, pasgeboren baby, zeker twintig, dertig keer groter dan normaal. Bij de aanblik van die nog gekromde tenen, de tot vuistjes gebalde handen, de samengeknepen ogen en het nog natte haar herkende ik ineens mijn eigen baby’s, maar dan absurd uitvergroot, waardoor ik niet alleen 'ontregeld' maar ook ontroerd raakte. En het gekke is, het zit hem niet alleen in de vergroting, want toen ik even later op de zaal een stel als de bekende 'lepeltjes' tegen elkaar aan zag liggen, en elk detail met de grootste aandacht en precisie zag weergegeven, elke huidplooi, elke kromming van een arm of een been, alles `klopte’, ze waren echter dan echt, en toch ook niet, want zo klein dat ik ze gemakkelijk in mijn armen had kunnen tillen, toen stond ik daar wederom, net als zovele andere bezoekers, ontroerd te grijnzen.

Dat is nog eens iets anders dan de kunst van 'pis, kak, bloed en sperma' van de hedentendage zo populaire trash-art waar Depondt het over heeft. Waar Gunther von Hagens de binnenkant toont van dode, ontzielde lichamen die weer in levensechte situaties worden teruggeplaatst, daar maakt Ron Mueck levensechte beelden van artificieel materiaal, die vanwege de emotionele lading weer bezield raken. Beide kunstenaars spelen met de grens van werkelijk en onwerkelijk, van echt en onecht, maar alleen de laatste weet naar mijn idee ook te ontroeren, omdat het hem om meer gaat dan voyeurisme of een anatomische les alleen. Namelijk de mens te laten zien in zijn kwetsbaarheid, zijn ongemak, zijn twijfels en angsten. En dankzij de verbeelding van die stemmingen en emoties verkent hij juist meer de binnenkant van de mens dan de geplastineerde, ontzielde lijken van von Hagens, die vanwege de afstandelijke, wetenschappelijke blik blijven wat ze zijn: Adams kostuum in de uitverkoop. Choqueren en exhibitioneren garanderen op zich nog geen esthetische ervaring. Ontroering, humor en verwarring blijven toch even noodzakelijke ingedrienten.

Joke J. Hermsen